Logo dsCH 

Grieken in gesprek met Jezus (Joh. 12)

Preek gehouden op de 5e zondag van de Veertigdagentijd (Judica = Doe mij recht) 22 maart 2015 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Johannes 12: 20-33, 36)

Grieken in gesprek met Jezus

Nadat Joahnnes eerst heel uitvoerig het verhaal verteld heeft van de opwekking van Lazarus en de intocht in Jeruzalem heeft vermeld komt het gedeelte ter sprake, dat wij vanmorgen horen en overdenken.
En dan gaat her erom, dat er Grieken zijn, die gekomen zijn naar het Joodse Paasfeest en die dan aan Filippus en Andreas de vraag stellen of ze Jezus wel mogen zien. Wat eerst opvalt is de schroom en de afstand. Die Grieken voelen kennelijk aan, dat zij niet zomaar bij Jezus kunnen aankloppen…ze vragen het eerst aan Filippus…ze dachten misschien: dat is tenminste een leerling van Hem die een Griekse naam heeft – en Filippus bespreekt het eerst met Andreas, zijn medeleerling, die ook een Griekse naam had, en zo komt de vraag uiteindelijk bij Jezus terecht. “Lieve Heer Jezus, er zijn Grieken, die u willen zien en spreken”.
Grieken kennen wij momenteel vooral als een beetje de buitenbeentjes van de Europese Unie: zij hebben teveel geleend en kunnen het allemaal moeilijk terugbetalen. Maar vanmorgen gaat het niet over geld...daar gaat het al genoeg over door de week heen.
De Grieken in het Evangelie van vanmorgen kunnen ook Grieks-sprekende Joden zijn, die zich in het buitenland hadden gevestigd. Zij spraken de voertaal van de handel en de beschaving ‘Grieks’, zoals wij nu ‘Engels’ spreken. Misschien kwamen ze wel uit het Egyptische Alexandrië en waren zij helemaal vertrouwd met de mythe van Osiris, de uit de hemel afkomstige eerste koning van Egypte, die ook de beheerser van het dodenrijk werd – analoog aan het ondergaan en weer opkomen van de zon was er in deze mythe ook sprake van een sterven en weer opstaan uit de dood. Er lijkt wel verwantschap te bestaan tussen het Paasevangelie en deze mythe, maar het is m.i. wel erg kort door de bocht om daaraan de conclusie te verbinden, dat de Osiris-mythe in het NT is bewerkt tot de Christus-mythe en dat Jezus als historische persoon eigenlijk helemaal nooit bestaan heeft. Collega van der Kaaij in Nijkerk heeft daarover gepubliceerd en het heeft hem het ongenoegen van veel kerkmensen op de hals gehaald en momenteel is er een periode van afkoeling afgekondigd. Ik ga er nu verder niet op door – u kunt mijn visie op dit vraagstuk over de historiciteit van Jezus eventueel lezen op mijn weblog (http://dsceeshuisman.nl/index.php/2012-10-12-07-19-53/item/122-geschiedenis-of-mythe?)( NB het vraagteken hoort ook  bij de link!).  Ook heeft collega Wiert er onlangs een preek over gehouden in het Erfdeel (op te vragen via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. ).
Ik wilde maar even zeggen: die Grieken, die naar Jezus toe kwamen kunnen vertrouwd geweest zijn met dit gedachtengoed uit Egypte, omdat daar een grote Grieks-sprekende Joodse kolonie zat.
Maar de Grieken kunnen ook model staan voor alle niet-Joden, dus ook voor ons, mensen uit Nederland. Jezus is gekomen tot het huis van Israël en het is dus helemaal niet vanzelfsprekend, dat hij de Grieken te woord wil staan. Maar het is wel bijzonder, dat de Grieken belangstelling tonen voor Jezus. Ze hadden wellicht over hem gehoord, misschien wel over de opwekking van Lazarus of over de intocht in Jeruzalem. En zo vragen ze om een onderhoud. In alle bescheidenheid en met besef van afstand… Waarover zouden ze gesproken hebben?
Daar ben ik wel benieuwd naar…u ook?
De Grieken nemen Jezus een interview af en wij proberen dat interview in beeld te krijgen. Niet dat dat interview door Johannes weergegeven wordt…want als we de tekst vervolgen krijgen we niet de indruk dat dit de inhoud van het gesprek is geweest…of toch wel? Jezus begint te spreken over zijn uur en over de graankorrel die in de aarde valt enzovoort…wat heeft dat met dat interview te maken, zo vraag ik mij af.
De Grieken hebben een reputatie van geleerdheid en wijsheid. Het zijn mensen van cultuur en wetenschap en vanuit hun achtergrond kijken zij naar Jezus en willen zij hem enkele vragen stellen. Het is niet zo vreemd dat die over dood en leven gaan. Het zijn mensen die willen weten wat waar en waarachtig is en hoe het goede leven geleefd kan worden. En of men bang moet zijn voor de dood of niet. Zij hebben grote filosofen voortgebracht die daarover hebben nagedacht en een van hen, Sokrates, is ter dood veroordeeld en heeft onverschrokken de gifbeker aan zijn mond gezet. Dus misschien hebben zij wel een vraag in die richting aan Jezus gesteld: wat is volgens u het goede leven? Wanneer leeft een mens goed en ervaart hij geluk in zijn leven?
Het antwoord van Jezus ziet er volgens mij ongeveer zo uit: hij zegt: jullie zijn teveel met jezelf bezig. Je kunt het antwoord op de vraag naar het goede leven niet in je eentje oplossen. Je moet altijd ergens voor leven en voor iemand anders…niet uitsluitend voor jezelf. Dan kom je om in de egocentrische valstrik. Nee, het is zelfs zo, dat je je leven pas echt vindt, als je het verliest. Wie zijn lijf-en-ziel te zeer liefheeft zal ze verliezen en wie in deze wereld zijn lijf-en-ziel ‘haat’ – ja het staat tussen aanhalingstekens in de gelezen vertaling, d.w.z. neem het niet al te letterlijk – het gaat niet om zelfhaat, maar om een andere blikrichting, niet altijd vanuit jezelf redeneren en kijken, niet alleen maar ‘ikke, ikke, de rest kan stikke’ maar probeer eens verder en hoger te mikken. Richt je bijv. meer op de ander en vergeet jezelf eens…kijk eens wat er dan gebeurt.
Dat is natuurlijk een vreemde paradox: jezelf verliezen om het eeuwige leven te vinden. Dat is het goede leven hier en nu, dat bewaard zal worden tot in eeuwigheid.  
Dat is voor de Grieken een nieuw antwoord, denk ik. Ze zijn opgegroeid met de gedachte, dat je aan jezelf moet sleutelen om een goed mens te zijn en een goed leven te hebben. Het is een opbouwen van jezelf tot iets dat er mag zijn. En Jezus lijkt nu de tegenovergestelde richting op te gaan: het gaat om afzien van jezelf en om toewending naar de ander. En Jezus verbindt dat met de navolging van Hem en het ‘dienaar’ zijn…nee, niet dat de mens Jezus slaafs moet volgen, maar dienend, zoals een diaken (wat er eigenlijk staat), met barmhartigheid bewogen, helpend en richting wijzend. Zo te leven geeft je leven zin, voldoening en vreugde.
Dank u wel, Heer Jezus, voor uw mooie inzicht, maar nu hebben we nog wel een vraagje: brengt u dat nu ook zelf in de praktijk en wat levert dat u op? Als u spreekt over het leven verliezen bedoelt u dat dan ook letterlijk en maakt dat u niet bang?
En dan zegt Jezus: het uur is dichtbij gekomen, dat de mensenzoon verheerlijkt wordt. Ik zal verhoogd worden en gekroond worden.
O ja? Hoe bedoelt u?, vragen de Grieken verbaasd. Is het vervolg van uw intocht, dat u op de troon gezet wordt als heerser over Israël en misschien wel de wereld?
Ja, zegt Jezus, maar dan wel anders dan jullie nu denken. Ik zal verhoogd worden, maar op een kruis. En ik zal gekroond worden, maar wel met een doornenkroon. En ik zal verheerlijkt worden door mijn Vader, maar pas na drie dagen. M.a.w.  “als de graankorrel niet valt in de aarde en sterft dan blijft hij alleen, maar als hij sterft draagt hij overvloedig vrucht”.
Zo duidde Jezus in tekentaal aan, wat voor dood hij zou gaan sterven en wat die dood zal opleveren aan nieuw leven, aan opstanding, aan toekomst, aan verzoening, aan bevrijding van zonde en angst.
O ja, dat vroegen de Grieken ook nog, ziet u daar niet tegen op, tegen de dood en zo?
Dan zegt Jezus: natuurlijk is mijn ziel ook verbijsterd, maar moet ik dan zeggen: Vader, red mij uit dit uur? Moet ik er voor weglopen? Als ik zeg, dat alleen wie zijn of haar leven verliest, het zal vinden…moet ik daar dan zelf voor vluchten? Nee, ik wil het onder ogen zien en met opgeheven hoofd wil ik alles tegemoet gaan.
Kijk, zolang mensen dit aardse leven als een tijger verdedigen, zal ons leven zich afsluiten en een steeds benauwder grafkamer worden. De angst voor de dood zal ons doden, lang voordat de lichamelijke dood ons treft. Hoe opgejaagder wij leven, hoe angstvalliger we bezig zijn ons leven veilig te stellen en te verzekeren, hoe veiliger het misschien wordt, maar ook hoe doodser het wordt. Ik wil maar zeggen, zegt Jezus, we moeten de angst te boven leven en zo kan de dood nooit de laatste macht in ons leven worden.
Zo ongeveer spraken die Grieken met Jezus. En Jezus zegt of denkt:  Jullie wijsheid mag er zijn en jullie cultuur getuigt van smaak en inzicht en jullie filosofen zijn knappe koppen en sommigen zijn dapper en hebben verdienstelijk geleefd, maar ik raad jullie aan uit je grot van eigen wijsheid te stappen en te komen staan in het licht van Gods vriendelijk aangezicht. Laat je trekken binnen de lichtkring van Gods liefde en ontferming en waag het met zijn woorden van goedheid en wees niet bang je leven te verliezen, want je zult het juist vinden in zelfovergave aan Hem, die voor jou sterft en opstaat!
Ik weet niet wat de Grieken ervan vonden. Of ze schouderophalend weggelopen zijn of dat ze dit gesprek in hun hart bewaard hebben. Zoiets kunnen we alleen maar voor onszelf weten: want ook wij zijn Grieken van huis uit en hun vragen zijn onze vragen…en een ieder van ons kan zelf bepalen of hij of zij zich laat wijs maken door de woorden en antwoorden van Jezus.
Dan gaat Jezus weg en verbergt zich voor hen.
Jezus die het gesprek met de Grieken niet uit de weg is gegaan, verbergt zich. Hij moet altijd weer gezocht worden…hoe veel ook over hem verteld wordt, hoeveel wij ook van en over hem weten of denken te weten…hoe vertrouwd en goed zijn naam ook in ons oor klinkt…toch is hij tenslotte en uiteindelijk weer de Verborgene. Maar wel de Verborgene die bij ons is, ons nabij, rakelings nabij. Maar hij laat zich niet inkaderen in onze meningen over Hem…hij is en blijft vrij en Hij kan zich ook voor ons verborgen houden. Daarom is het altijd weer de stille of ook luidruchtige roep van zijn gemeente: Kom, Heer Jezus, kom haastig, want de wereld is in nood en wij zijn alleen en het is ons vaak bang te moede. Kom, ook in ons leven, voor het eerst of opnieuw, altijd weer opnieuw, want een oude bekende wordt U nooit…
  

J

K

L

M