Logo dsCH 

Lukas 13: 22-30

Preek gehouden in de Oude Kerk op de 10e zondag van de zomer 25 augustus 2013 n.a.v. Lukas 13: 22-30

IS DE DEUR TE SMAL OF ZIJN WIJ TE DIK?

Ik val maar meteen met de deur in huis en kom ‘zonder kloppen’ bij u binnen!
Iemand vraagt: Zijn het maar er weinig, die gered worden? Voordat we naar het antwoord van Jezus luisteren wil ik samen met u deze vraag bevragen. Waar komt die vraag vandaan? Waarom stelt iemand zo’n vraag? En wat bedoelt hij of zij eigenlijk met die vraag? En vooral: wat bedoelt hij met ‘gered worden’?
Nu zult u misschien meteen zeggen: nou, met ‘gered worden’ bedoelt hij natuurlijk, dat hij ‘later in de hemel zal komen’. Hij vraagt zich af of hij daar met velen of met weinigen zal zijn. Toch denk ik, dat we zo het ‘gered worden’ te veel wegschuiven naar later en naar een andere wereld, zodat het los komt te staan van het Hier en Nu. “Gered worden” heeft betrekking op ons totale leven. Het gaat om een deelname aan het Koninkrijk Gods, het gaat om het eeuwige leven, het goede en zinvolle leven, een leven dat goed is voor God en de eeuwigheid. Kortom, het gaat om een leven, dat gered is van de vergeefsheid, een leven, dat bevrijd wordt en is uit de kluisters van de angst; een leven, dat vaart krijgt, omdat het losgemaakt is van verslavende structuren; ‘gered worden’ betekent dat ons leven weggehaald is uit de doem van de nietigheid en de leegte en vol loopt van waarde en overloopt van vreugde. ‘Gered worden’ is tot het inzicht komen, dat je leven waardevol is in Gods oog en daarom behouden zal worden, nu en voor eeuwig. Dat wat van God uit gezien waar is over jouw leven ook door jezelf als waar wordt erkend. Als Hij zegt: Ik heb je weggehaald uit dat brandende huis en Ik heb je gered – misschien had je het niet eens in de gaten, zo was je bedwelmd door de rook en de hitte – dat ik dan zeg: ik kan het eigenlijk niet geloven, maar ik geloof het toch: Ik loof U, want U hebt mij gered!
‘Gered worden’ is terecht komen, je bestemming bereiken, weggehaald worden vanuit de ondraaglijke lichtheid van het bestaan en gebracht worden tot het volle gewicht van het leven. ‘Gered worden’ is jezelf niet meer kunnen redden en je toevertrouwen aan je Redder, zodat je het uiteindelijk redt, dit leven aankan, het aanvaardt als een geschenk uit Gods hand, als een opdracht om te leven voor zijn aangezicht, om goed te leven, met vallen en opstaan, met kleerscheuren en tekorten, maar – ten diepste – je leidt een leven, dat gered is en gered wordt.
Deze gedachten komen bij mij op, als het gaat over die vreemde vraag: zijn het er weinigen, die gered worden? Wat ik daarover zei is niet volledig – als dat al zou kunnen – en misschien hebt u er ook nog andere gedachten bij. Dat is mooi en goed...maar, het gaat mij even om een richting van denken en van verstaan. Nu komen we ook op de vraag zelf, namelijk of het er weinigen zijn, die gered worden.
Ik noemde dat een vreemde vraag, vooral ook omdat het een vraag van een vreemde, een buitenstaander is. Het is typisch de vraag van een toeschouwer. De vraag van iemand, die denkt dat het over feiten en getallen gaat, waar je objectieve uitspraken over kunt doen. Dat er sprake is van een aantal ‘geredden’, een ‘numerus fixus’ of een ‘numerus clausus’, zoals je dat hebt of had bij de inloting voor een studie. Zoals sommige mensen ook denken, dat het aantal geredden in de Openbaring van Johannes, die 144.000,  een letterlijk getal is. Niet meer en niet minder, zo staat het er en zo staat het aantal vast. Men vergeet dan meestal even door te lezen, want de tekst vervolgt: “en, d.w.z. een schare die niemand tellen kan”! Oh, maar denken anderen dan weer bezorgd, “ja, maar toch niet iedereen?” Maar ook die bezorgdheid – als je dat zo noemen mag – is de zorg van de toeschouwer. Alsof wij – ieder van ons – ons zouden moeten afvragen of de ander wel gered is of wordt, hoewel – begrijp me goed - die ander ons tóch oneindig aangaat. Maar onze bezorgdheid om die ander komt allereerst tot uitdrukking door de ander te leren zien met de ogen van Jezus: “En Jezus, de scharen ziende, was met innerlijke ontferming bewogen”. Paus Franciscus – ik ben nog nooit zo’n bewonderaar van een paus geweest als van deze – die heeft onlangs gezegd (of ik heb het onlangs gelezen), op de vraag of wij anderen moeten bekeren of christen moeten maken: “Nee, we moeten de ander als vriend tegemoet treden en Jezus doet de rest”. De ander met de ogen van Jezus aanzien, hem of haar als een beminde door God zien. Niet: jij moet eerst worden als ik, een gelovig mens enz., dan is er ook voor jou heil en zegen! Nee, de ander liefhebben als jezelf – en dat betekent o.a., dat je de ander ziet als een door God beminde, zoals je dat ook van jezelf mag weten.
Het is de vraag van een buitenstaander, een toeschouwer, die denkt, dat je daar objectief, afstandelijk uitspraken over kunt doen. Ook in de kerk doen we daar soms driftig aan mee, als we vragen: maar hoe zit het dan met andere godsdiensten enzo? En mensen, die helemaal niet geloven, zijn die reddeloos verloren?
Meestal komen dit soort vragen voort uit een gevoel van “wij zijn binnen; wij weten hoe het zit en ons kan niks gebeuren” en zo blazen wij onszelf op tot “geloofsbezitters” en vanuit die positie delen wij de rest van de wereld in. En dan – omdat we gaan zien, dat de wereld veel groter is dan onze kerk en onze geloofsgenoten – kijk, dan ontstaat die bezorgde en ook arrogante vraag: ‘zijn het weinigen, ja Heer, het zijn er zeker maar weinig, hè, die gered worden, want ‘ons soort mensen’, kijk, daar zijn er toch niet zoveel van, nietwaar?’
Maar als we zo de vraag goed begrepen hebben en ook hebben aangevoeld waar hij vandaan komt en vanuit welke vooronderstellingen hij gesteld wordt, dan zullen we ons nu schrap moeten zetten om het antwoord van Jezus te doorstaan! Ja, zo noem ik dat: dat wij de ont-zettende kracht van zijn weer-woord, de ontwortelende sterkte van zijn storm-woord over ons heen voelen komen en door ons heen horen suizen, zodat wij beginnen te wankelen en ons niet meer staande kunnen houden, als wij in ons moe-gepreekte oor te horen krijgen: “Span je in tot het uiterste, ja, zet alles op alles om in te gaan door de enge, smalle poort”.
Jezus zet ons in één klap van de toeschouwersrol in de rol van de betrokkene. Zaten we eerst op de tribune te beoordelen wie goed speelde en wie al of niet zal scoren – ineens staan we zelf op het veld en horen in ons oor: spelen jij! Hier is de bal!
De man trekt wit weg. Nu beseft hij ineens, dat het om hemzelf gaat en hij voelt wel aan, dat hij met al zijn beschouwingen en nieuwsgierigheid buiten staat. En die enge poort, hoe zal hij daar ooit doorkunnen, zolang hij zo opgeblazen is en zich zo dik maakt.
Maar nu moeten wij het vanmorgen natuurlijk niet over die man hebben, maar over onszelf als die man. Dat ook wij onszelf ineens als een buitenstaander aangesproken weten en dat ook wij de oproep horen om ons best te doen de enge poort door te gaan. Daar ligt onze redding, alleen zo vinden wij het leven en onszelf.
De deur is smal, zegt Jezus. Misschien doet dit woord u meteen denken aan de brede en de smalle weg en ziet u die oude zondagsschoolplaat al aan de muur hangen, die daarover gemaakt is. Met de brede weg van het holle vermaak en de smalle weg van de ingetogen vroomheid; het vrolijke leven en het ernstige leven. De weg waarop alles kan en de weg waarop niets mag. Ik denk dat die plaat het evangelie meer verduistert dan verheldert, dus rol die maar weer op en leg hem op zolder.
Nee, ik denk dat de smalle deur eerder een verwijzing is naar het opnieuw geboren worden, wat een onmogelijke mogelijkheid is...het is jezelf leren zien met de ogen van God, zodat je jezelf niet meer hoeft op te blazen, je dikke ik schrompelt weg en wat overblijft is je afgepelde ‘ik’...of anders gezegd: wie zijn leven verliest, die zal het vinden.
Maar de smalle deur is ook een verwijzing naar de Wet: gelukkig is elk mens, die naar Mij luistert, dag in dag uit bij mijn woning staat en de wacht houdt bij mijn deur. En dat gaat dan vooral over de Wijsheid en die wijsheid vinden we in geconcentreerde vorm in de Wet, in de Thora. En dat zeg ik nu met enige nadruk, omdat het Griekse woord voor ‘deur’ ‘thura’ is en dat klinkt als ‘Thora’, nietwaar? M.a.w. je kunt niet om de geboden van God heen, als je het ware leven wilt vinden. Juist in het doen daarvan ligt de vervulling van je leven, zoals de dichter van Psalm 119 zo breed en wijd uitwerkt.
En daarom is die smalle deur ook een verwijzing naar Jezus zelf, die in een ander evangelie zegt: Ik ben de Deur. Als we het Koninkrijk Gods willen binnengaan kunnen we niet om Hem heen. Hij is de toegangspoort, door Hem vinden wij het leven.
Jezus is in zijn antwoord aan deze man behoorlijk scherp en je kunt verontrust worden over opmerkingen als : en je zult buiten staan en anderen voor zien gaan en je zult spijt hebben als haren op je hoofd, dat je dacht binnen te zijn en je staat buiten. Ik geloof dat Jezus ons daarmee heilzaam wil verontrusten...hij wil ons laten zien, dat er geen vaste plaatsen zijn, geen gereserveerde plaatsen, maar dat elke dag opnieuw een mogelijkheid is om het Koninkrijk Gods te zien en binnen te gaan. Wat we in handen denken te hebben slaat Hij eruit. En onze lege hand vult Hij. Als mensen zeggen; Ja, maar wij waren toch altijd in uw nabijheid, op straat en in de kerk, we waren lid van uw club en we hoorden er toch echt bij...dat hij dan zegt: maar waar ken ik jou dan van? Heb je mij wel eens opgezocht toen ik in de gevangenis zat, heb je mij wel eens een brood gegeven, toen ik honger had? Heb je mij aangekeken, toen je een aalmoes uitdeelde?
Het gaat er niet om, dat we nu in zak en as gaan zitten en ons wanhopig gaan afvragen: ik hoop maar, dat ik niet buiten zal staan. Nee, we zullen het vooral moeten horen als een appèl, een oproep om de toeschouwersrol op te geven. Ook de gedachte, dat je natuurlijk wel binnen bent, want je hebt rechten opgebouwd, zoals bij een pensioen. Niet dus! En ook niet denken: O, ik zal er nog eens over nadenken en na verloop van tijd beslis ik wel of ik er serieus op in ga of niet. Nee, ook daar steekt Jezus een stokje voor en onderstreept het belang van het heden! Later kan ‘te laat’ zijn!
Er was eens een Joodse man, die een ruig leven leidde en zo nu en dan ging hij naar de synagoge en dan hoorde hij de rabbi preken, ongeveer zoals wij vandaag hoorden, en dat die rabbi er altijd op aandrong, dat men zich moest bekeren. De weg van de ommekeer staat altijd open, zei hij dan en de deur naar het Koninkrijk is altijd los. Die man die zo’n ruig leven leidde werd daar altijd een beetje onrustig van en zo ging hij eens naar de rabbi toe en vroeg hem: Beste rabbi, wanneer moet ik mij dan bekeren? Toen antwoordde de rabbi: één dag voor je dood! Hij wilde toen opgelucht weglopen, maar toen hij er iets langer over nadacht keerde hij terug naar de rabbi en zei: ja, maar wanneer is dat dan? Ik ken de dag van mijn dood toch niet? “Precies”, zei de rabbi, “daarom moet je je vandaag bekeren! Dit is het uur van het welbehagen, dit is het ‘gegeven moment’, dit is de dag van Gods omzien naar jou, sla dat niet in de wind, maar leef, want ook jij - met heel je ontspoorde en ontgoochelde leven, met je hardleerse eigenwaan en met je verstopte oren en met je arrogantie en met je ongeloof en met je opgeklopte gelovigheid -  ook jij bent een beminde Gods”.
“Ik sta perplex, ik kan het niet geloven”, stamelt de man.
“Dat is nu geloof”, zei de rabbi, “wees blij en leef en weet je genodigd aan de Tafel in het Koninkrijk Gods”.

J

K

L

M