Logo dsCH 

Een verschil maken

Preek gehouden op de 4e zondag van Pasen (Jubilate-Juicht) 7 mei 2017 in de Oude Kerk n.a.v. Jesaja 40: 25-31 en 1 Petrus 2: 11-20

Een verschil maken

Het gaat vanmorgen in beide lezingen over ‘de kleine gemeente’: de eerste is de joodse gemeenschap in ballingschap, in den vreemde, ver van huis, gedeporteerd naar Babel. De tweede betreft de kleine, prille gemeenten van Christusaanhangers, verspreid in de steden van Klein-Azië, aan wie Petrus een brief schrijft.
Hoe kunnen die gemeenten zich staande houden, als de omstandigheden zo ongunstig zijn, als de omgeving zo vijandig is, als de aantrekkingskracht zo gering is? Zijn die gemeenten niet ten dode opgeschreven?
De gemeente in ballingschap klaagt haar nood aan God: ‘het is Godegeklaagd’, zeggen zij, ‘dat wij hier zitten en dat niemand zich om ons bekommert. Ook U niet, God. U laat ons aan ons lot over. U ziet ons niet...’
Misschien hebben wij dat gevoel ook wel eens, van tijd tot tijd, dat we ons eenzaam en onbegrepen voelen. Dat we vèr van huis zijn, dat het vroeger allemaal beter en glorierijker was, enzo. Maar kijk nu eens! Dat kan ons moedeloos maken en net als de ballingen in Babel gaan we zuchten en klagen: de Heer ziet ons niet en Hij heeft geen oog voor onze misère en niemand komt voor ons op.
Dan komt er een profeet langs, zijn naam is onbekend, maar zijn woorden zijn toegevoegd aan die van Jesaja, Jesaja II wordt hij dan wel genoemd. En zijn boodschap is eigenlijk heel simpel. Hij zegt namelijk: “Kijk omhoog!”, een zin, die later Ramses zou inspireren tot zijn bekende liedje, ‘Kijk omhoog, Sammy, kijk omhoog’.
sammie loop niet zo gebogen / denk je dat ze je niet mogen
waarom loop je zo gebogen sammie / met je ogen sammie op de vlucht
hoog sammie /kijk omhoog sammie
want daar is de blauwe lucht.
Een profetische tekst: “Kijk omhoog: wie heeft dit alles geschapen? Hij laat het leger sterren voltallig uitrukken, Hij roept ze bij hun naam, één voor één; door zijn kracht en onmetelijke grootheid ontbreekt er niet één”.
Sterrenkijken is een fascinerende bezigheid en zelfs een oppervlakkige waarnemer moet wel onder de indruk komen van de duizelingwekkende hoeveelheid sterren en de astronomische afstanden, die daar gelden. En dan kijken we nog maar alleen naar ons eigen sterrenstelsel. Ik las onlangs van een wetenschapper op dat gebied, dat het aantal sterrenstelsels net zo groot is als het aantal zandkorrels langs alle kusten op de hele wereld. Wordt u al licht in uw hoofd? Hier staan we aan de grenzen van ons voorstellingsvermogen.
Die verandering van blikrichting is soms nodig om onze eigen sores te kunnen relativeren en in een ander licht te laten plaatsen. Natuurlijk waren er ook toen mensen, die tegen die profeet zeiden: ‘Hé, je moet wel realistisch blijven, hè. Omhoog kijken, daar kopen we niks voor. Daardoor verandert er niets aan onze situatie’. En dat was ook zo. Daar hadden ze gelijk in. Maar de profeet hoopte, dat de mensen zèlf veranderden. Dat ze door omhoog te kijken ànders leerden kijken naar en omgaan met hun situatie. Dat ze leerden zien, dat ze niet alleen waren in het onmetelijke heelal, maar dat er Iemand was, die hen zag en met hen begaan was. ‘Kijk omhoog!’ Een gouden tip van deze profeet, ook voor ons.
Het kan leiden tot zelfrelativering en innerlijke rust, vertrouwen en hoop.
Nu nog even bij Petrus langs. Of Petrus komt nog even bij ons langs. Dat betreft weer een heel andere situatie, maar ook hier is sprake van een gemeente, die het zwaar heeft. Het zijn mensen van de tweede of derde generatie christenen, die gegrepen waren door het evangelie en die in hun leven uitdrukking wilden geven aan de navolging van Christus. In een omgeving en wereld, die daar geen enkel belang bij had. In een wereld, die geregeerd werd door goden en machthebbers, die zij niet erkenden. Als eenden in een vreemd pakhuis, zo voelden deze gemeenten zich. Ver van huis en vreemdelingen.
En de vraag is dan hoe je je staande houdt temidden van een omgeving, die jou niet begrijpt, je soms vijandig gezind is. En je hebt geen verweer.
En dan heeft Petrus een heel goed advies. Hij zegt: zorg, dat je goed leeft! Nee, hij bedoelt niet het goede leven, dat wij Zwitserleven noemen. Een leven, dat gemakkelijk en voorspoedig is of moet zijn, een leven waar je het onderste uit de kan wil halen, want je leeft maar één keer, nietwaar?
Hij zegt ook niet, dat ze het als kleine gemeenschap beter moeten gaan doen, zich moeten uitsloven en aantrekkelijker voor de buitenwereld moeten zijn. Dat zij meer missionair moeten zijn en zich duidelijker op de kaart moeten zetten en dat de PR beter moet en dat zij moeten groeien in aantal en omvang. Dat de wereld veroverd moet worden en dat het dan allemaal beter en anders wordt... Nee, zo hoogdravend en veeleisend is deze empathische apostel helemaal niet. Hij zegt kort en goed: zorg ervoor, dat jullie uitblinken in ‘goed leven’, dat jullie je onderscheiden van de anderen.
Maar hoe dan en waarin verschilden zij dan van de anderen? Wel, er werden in die tijd wel een soort samenvattingen gemaakt van aanwijzigingen, die gevolgd konden worden, een soort handleiding voor het goede leven (goed te leven). Eén van die geschriftjes is ‘De leer van de 12 apostelen’ uit het einde van de 1e eeuw, kortweg de ‘Didachè’ genoemd. Ik citeer daar even een paar regels uit:
“De weg naar het ware leven is, dat U allereerst God en uw naaste liefhebt en verder moet u aan een ander niets doen, dat u zelf niet zou willen overkomen. Heb lief die u haten en zo zult u niemand tot vijand hebben. Als iemand uw bezit neemt, vraag het dan niet terug. De Vader verlangt immers, dat aan allen uitgedeeld wordt van wat Hij zelf geeft. Je moet niet dubbelhartig zijn of met twee monden spreken. U moet niet op geld uit zijn of inhalig of schijnheilig of trots zijn en beraam nooit boze plannen tegen uw naaste. Wees niet kwaad of jaloers, twistziek of opvliegend, wees ook geen leugenaar of mopperaar, want dat leidt tot lasteren. Ga om met de rechtvaardigen en de nederigen. De lotgevallen die u overkomen moet u als iets goeds aanvaarden in de wetenschap dat buiten God om niets gebeurt. Sta niet met uitgestrekte armen om te ontvangen en houd ze gesloten om te geven”.
En zo nog veel meer voor de hand liggende en toch ook bijzondere aanbevelingen, waardoor een gemeenschap ontstaat van ‘vreemdelingen’, want de mensen beginnen u vreemd aan te kijken, wanneer je zegt, dat je ’s zondags naar de kerk gaat, wanneer je zegt, dat je je inzet voor vluchtelingen en ontheemden, wanneer je zegt, dat je een verschil wilt maken door af te zien van massaproducten, dat je niemand te kort wilt doen door zelf alles en meer te willen hebben.
In die prille periode viel dit gedrag uit de toon en sommigen begonnen te denken: hé, die christenen zijn wel eigenaardige mensen, maar zij zijn eigenlijk zo gek niet. Hun leven van naastenliefde en van hoop voor de toekomst van de wereld is uniek en het maakt die mensen vrij. Vrij van dwang aan de conventies van de meerderheid, vrij van religieuze en politieke verplichtingen, die samenhangen met de verering van de keizer, vrij van gebondenheid aan geld, afkomst of geboortegrond.
Het waren er maar weinigen, die zo leefden en dachten, maar toch, als een zoutend zout brachten zij op den duur de samenleving op smaak.
Momenteel lijkt de gemeente van Christus in de westerse wereld ook steeds meer op die eerste gemeente(n): misschien kunnen wij onszelf ook een beetje spiegelen aan die twee situaties, die vanmorgen aan de orde waren: als vreemdelingen in de wereld, maar wel zelfbewust en een verschil makend. Minder geïnteresseerd in het goede, makkelijke leven(tje) en ook niet in het eigen overleven. maar méér gericht op goed te leven, ten dienste van anderen, goed voor de wereld. Zo is de Opgestane zelf werkzaam in deze wereld en mogen wij ook zelf opstaan om als zijn lichaam daaraan dienstbaar zijn!

J

K

L

M