Logo dsCH 

Openbaring 7: 9-17

Preek gehouden op zondag na Allerheiligen 2 november 2014 in de Oude Kerk te Meppel n.a.v. Openbaring 7: 9-17

Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet

Vandaag staan wij stil bij al diegenen, al die dierbare en geliefde mensen, die ons in het afgelopen jaar zijn ontvallen. Mischien was het je moeder of je oma, misschien was het je man of je vrouw, je vriendin of vriend, je broer of zus – iemand van wie je hield en die met je optrok en met wie jij optrok. Zijn of haar heengaan kwam onverwacht of misschien ook niet: en vandaag, bij het definitieve afscheid van de zomer en de intrede van de donkere dagen van het jaar blikken wij nog één keer terug: en we brengen hun namen te binnen en hun gezichten en we denken terug aan wie zij waren en wat zij voor ons betekenden. Onvergetelijke mensen!

En op de dag van de begrafenis of crematie hebben we tegen elkaar gezegd: wij vertrouwen onze geliefde dode toe aan God, bij Wie de bron van leven is en de gedachtenis der namen. En we keken elkaar aan, met tranen in de ogen, verdwaasd en verbijsterd – is dat het dan? En we gingen weer naar huis en alles was anders en alles was hetzelfde, alleen die ene was er niet meer. En je kon nog een foto neerzetten en een album doorbladeren en je keek steeds naar de stoel waar hij of zij zo vaak in zat. En natuurlijk zat en zit je hoofd en hart vol herinneringen en het worden er steeds meer. Onvergetelijke momenten!

Mijn broer heeft een paar jaar geleden zijn vrouw verloren. En wij praten er dan wel eens over, hoe dat is en hoe je daarna verder gaat. Hij zei een keer tegen mij: “Ik zei op een gegeven moment tegen haar: kom nou maar weer terug. Het heeft nu lang genoeg geduurd”.

Wij kunnen natuurlijk ook een heel andere toon aanslaan en tegen elkaar zeggen: ach, het is beter zo! Het was geen leven meer voor hem of haar. Zij was al zo oud en zij had zoveel mankementen. Zij heeft een mooie leeftijd bereikt en niemand heeft het eeuwige leven. Het moet een keer stoppen. Zo is het leven, dat het eindig is en voorbij gaat. En zo praten wij elkaar wat moed in voor onszelf en anderen, want we hopen natuurlijk wel, dat het voor onszelf nog lang niet aan de orde is.

En terwijl wij zo zitten te denken en te overwegen dwarrelt een blad ons zomaarin de schoot: geen herfstbladm, maar een blaadje uit de Heilige Schrift. Eén van de laatste blaadjes: het boek is bijna uit. We hebben alles al doorgeworsteld en we zijn heel ver gekomen en het huilen staat ons nader dan het lachen en we worstelen ons door de stroom van de tijd en de geschiedenis heen en we zien er eigenlijk geen gat in. Wat is het leven toch een vreemde toverbal: onberekenbaar en grillig, geen touw aan vast te knopen, raadselachtig en ik zie geen ‘clue’.

Maar we pakken nog even dat neergedwarrelde blaadje op en dan vernemen we de stem van iemand, die zegt: “Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet”. Nee, het gaat er niet om, dat we nu ineens achter een helder-ziende aanlopen en geloof gaan hechten aan oncontroleerbare en vage verhalen van iemand, die zegt dat hij het licht heeft gezien. Nee, wij proberen mee te kijken met iemand, die zijn leven gesteld heeft in de dienst van Jezus de Christus en die zijn oor te luisteren heeft gelegd bij de profeten van oudsher en die nu met behulp daarvan zijn eigen tijd en alles wat hem en de gemeente van Christus overkomt probeert te duiden.

Hij probeert verder te kijken dan zijn (en onze) neus lang is. Ja, hij probeert te doorzien wat er werkelijk aan de orde is. Het is iemand die een perspectief

aanreikt, een venster, een ‘window’ opendoet in een wereld, die dichtgetimmerd is en waar geen enkel uitzicht meer voorhanden is.

Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet, namelijk een schare, een menigte, die niemand tellen kan. En wie zijn dat dan wel? En waar komen ze vandaan? En Johannes, de ziener, krijgt er een uitvoerig antwoord op en hij ziet het ook zelf, dat ze daar staan bij de troon van God en het Lam. En dat ze witte kleren en stola’s dragen en dat zij uit de grote verdrukking komen – en dat zij hun kleding witgewassen hadden in het bloed van het Lam – dat ze hetzelfde lot hadden ondergaan als dat Lam, dat daar staat.

En dat zij palmtakken in hun handen hebben, precies zoals toen dat Lam ter slachting werd geleid. Zo vreemd allemaal, zo onbegrijpelijk en onmogelijk ook, want hoe kan dat nou...en ik kan het me niet voorstellen en zie ik het wel goed? Of mankeert er wat aan mijn ogen of hoofd?

Ja, kijk zelf maar...ik zie, wat jij niet ziet...maar zij leven echt! De grote verdrukking en het lijden en vervolgd worden, de pijn en de smaad, de tranen en het verdriet...kijk zelf maar: zij zijn eraan voorbij! Zij zijn over het lijden heen...voorbij, voorbij, o voorgoed voorbij!

Het is het geheim van Pasen, van het Lam, dat ons hier wordt toevertrouwd. We zullen er niet veel over zeggen, we kunnen er niet veel over zeggen. Het is iets, dat in ons hart leeft en gekoesterd wordt. We zien het soms, heel even, door onze tranen heen, zoals Isaac Watts, de 18e-eeuwse dichter van het lied, dat we zo gaan zingen. Hij stond eens op de zuidkust van Engeland en overal waren donkere wolken en in de verte een diepgrijze lucht: weldra zou de bui losbarsten, maar er dwars doorheen scheen één zonnestraal op het eiland Whight, dat voor hem als een heenwijzing werd naar het land aan de overzij en in hem begon het te zingen: “There is a land of pure delight”: “Er is een land van louter licht, waar heil’gen heersers zijn!”

J

K

L

M