Logo dsCH 

Habakuk 3 (2e deel)

PREEK GEHOUDEN OP OUDEJAARSAVOND 2012 OVER HABAKUK 3 (2E DEEL), VOORAFGEGAAN DOOR EEN BEELDIMPRESSIE VAN HET AFGELOPEN JAAR.

Omzien in verwarring en in verwondering, vooruitzien in geloof en met hoop!

Het waren zomaar wat beelden uit het jaar 2012, maar sommige hadden evengoed uit een ander jaar kunnen stammen. In een sombere bui kun je zeggen: het is steeds meer van hetzelfde, steeds weer hetzelfde.
Toch is het ook heel goed mogelijk een totaal andere terugblik naar voren te brengen. Vooral als je het wat dichter bij huis en dichter bij jezelf zou houden, dan wordt de fotocollage persoonlijker, met meer ruimte voor het kleine geluk en het soms dreigende onheil. Maar, hoe we het ook aanpakken en keren of wenden, het kleine en het grote leven – om het zo even te noemen – passen naadloos in elkaar, vertonen dezelfde kenmerken en laten zien, hoe onze menselijke situatie is.
En als we daar vanavond even op terugblikken, dan doen we dat in verwarring en in verwondering. Ja, er is inderdaad veel van wat in de wereld en in ons eigen leven gebeurt, dat ons verwart, in verwarring brengt. Er gebeuren zoveel dingen, waar we geen raad mee weten, waar we door in de war raken, dat we de weg niet meer weten en van slag raken. Sommige mensen sluiten zich soms helemaal af van wat er in de wereld allemaal gaande is: ze willen geen krant meer lezen of het Journaal nog langer aanzien. Anderen kijken er wel naar, maar het doet hun niks meer. In ijskoud cynisme heeft men ieder gevoel van betrokkenheid gedoofd en men gaat na de vreselijkste rampen weer over tot de orde van de dag, van de eigen dag. Het is inderdaad zo, dat ons allen een gevoel van machteloosheid en verwarring aangrijpt en dat de vraag levensgroot op ons afkomt: wat kan ik er aan doen? Maar, als u goed luistert, hoort u dat deze vraag een dubbele bodem heeft. Meestal horen we die vraag alleen in de eerste betekenis: wat kan ik er aan doen? Ik sta er buiten, ik heb er part noch deel aan; ik heb geen aandeel gehad in het ontstaan van deze situatie, dit conflict of deze ramp. En dat is inderdaad vaak zo. Maar de tweede lading is: wat kan ik er aan dóen? Dan gaat het om ons eventuele aandeel in het verhelpen van het probleem, het oplossen van de situatie, de bijdrage die ik kan leveren om het onheil te verzachten, de problemen te verkleinen etc. Dan is het vertoonde nieuws een appèl op ons geweten en op onze daadkracht. Dan dringt het tot ons door: ja, ook ík ben er bij betrokken en wat ik kan doen heeft wel degelijk betekenis.
Omzien in verwarring en in verwondering. Ja, ook in verwondering, als we letten op alle mooie en bijzondere gebeurtenissen, die er ook waren: als je merkt dat je er nog bent, hoewel het heel anders had kunnen zijn. Als je beseft, hoe fijn het is dat je een dak boven je hoofd hebt. Hoe geweldig het is, dat je kinderen het goed doen en dat je je kleinkinderen ziet opgroeien. Wat geweldig dat je je baan nog hebt; wat een voorrecht dat je door die operatie bent gekomen en dat je gezondheid er weer is. Dat er bij alle verwarring toch ook dankbaarheid is, dat er zoveel goede dingen waren, die wij van Hem ontvingen.
Zo zitten we hier op de drempel van het nieuwe jaar, met een dubbel gevoel van verwarring en verwondering…
Iemand die ons vanavond wel kan begrijpen en dat kan meevoelen is de profeet Habakuk, denk ik. En wij zullen ons best doen om hem te begrijpen, als we lezen wat hij in zijn 3e hoofdstuk schrijft. Het is een gebed, een klaaglied en als je het leest, slaat de schrik ons om het hart. Wat hij voor zich ziet heeft iets weg van een apocalyps, een scenario, dat het einde van de wereld lijkt in te luiden. Niets blijft op zijn plaats, alles wankelt en wiebelt en o, hoe zal het aflopen?

U haalt uw boog tevoorschijn,
op uw bevel zoeven de pijlen, sela
met stromen van water splijt u de aarde.
De bergen zien u en beven van angst,
een stortvloed van water kolkt voorbij.
De diepte verheft haar stem,
ze strekt haar handen omhoog.
Een nieuwe zondvloed? Wat is er aan de hand? Gaan de ijskappen smelten en de zeespiegel stijgen?
En Habakuk is helemaal van slag en hij weet niet waar hij het zoeken moet:
Ik hoorde dit alles en ik beefde vanbinnen,
ik vernam het en mijn lippen trilden.
Mijn botten werden aangevreten,
ik stond te trillen op mijn benen,
wachtend op de dag van het onheil,

Ja, zo kunnen er tijden en momenten zijn, dat we alleen maar kunnen wachten. Je ziet bepaalde ontwikkelingen, je maakt je druk om de crisis, je denkt dat het met je gezondheid niet meer goed komt, je vraagt je af, waar het heen moet met de wereld en me jezelf – en alles wat je om je heen ziet gebeuren vat je op als aanwijzingen, dat het bergafwaarts gaat: het wordt nooit meer wat, alles loopt achteruit en wie doet er wat aan? Niemand? En de handen gaan in de schoot en er wordt gewacht op de dag van het onheil. Zoals zoveel mensen dachten dat 21 december de dag van het einde van de wereld zou zijn. Sommigen hadden al een bootje in de tuin of op zolder klaargezet om weg te kunnen varen op de golven van de tweede zondvloed.
Maar wacht even, hebben wij ons geloof in de levende God nu ingeruild voor geloof in het noodlot? Hebben we ons geloof in Jezus de Christus, die in geloof zijn leven leefde en met de moed der hoop zijn levensweg voltooide, ingeruild voor een geloof, die de handen in de schoot legt? Hebben we ons geloof in de Heilige Geest, die ons leven vernieuwt en ons aanzet tot nieuwe daden van creativiteit en durf, ingeruild voor een geloof in het beloop der dingen, waartegen geen kruid gewassen is?
Nee, toch?! We kunnen dan wel in verwarring en in verwondering omzien, maar zullen we vooral ook niet in geloof en met hoop vooruitzien?
En Habakuk gaat ons daarin voor. Het is geen geloof van voor een dubbeltje op de eerste rang zitten, het is geen geloof dat de wereld voor mij in een marsepeinen kasteel verandert, waarin ik de slotheer of – vrouw ben; geen geloof, dat de loop der dingen  zo beinvloedt, dat alles precies gebeurt, zoals ik het graag wil.  Het is ook geen hoop op betere tijden, dat we nu wel een jaar tegemoet zullen gaan, waarin geen onheil meer plaatsvindt en geen ziekte meer zal voorkomen; het is geen hoop op een leven zonder kleerscheuren en ook geen hoop op een wereld zonder gevaren en bedreigingen.
Maar welk geloof en welke hoop dan wel? Misschien is het dan het beste om maar gewoon te luisteren naar Habakuk zelf en laat hij een lichtend voorbeeld mogen zijn voor ons eigen geloof en onze eigen hoop. Hij zegt dit:

 Al zal de vijgenboom niet bloeien,
al zal de wijnstok niets voortbrengen,
al zal de oogst van de olijfboom tegenvallen,
al zal er geen koren op de akkers staan,
al zal er geen schaap meer in de kooien zijn
en geen rund meer binnen de omheining –
18 toch zal ik juichen voor de HEER,
jubelen voor de God die mij redt.
19 God, de HEER, is mijn kracht,

Dit is geen ‘mooi weer’-geloof, dat God aan de kant zet, als het een beetje tegenzit. Nee, dit is geloof dat vasthoudt aan de goedheid en de liefde van God, ook als het tegenzit. Dit geloof is een ‘ondanks’-geloof, haast een geloof tegen beter weten in. Het is geloven in God in de leegte, terwijl niets er op wijst, dat Hij bij ons is. Het is geen geloof, dat God voor ons de omstandigheden zal veranderen, geen hoop, dat alles er voor ons alles anders zal worden. Nee, dit geloof van Habakuk is het geloof van Jezus, die ook zijn weg ging dwars door duisternis en dood heen. Zijn geloof zorgde er niet voor, dat hij niet aan het kruis eindigde en toch…ja, deze Jezus heeft God uitermate verhoogd en de Naam boven alle namen gegeven.
Het lijkt nu misschien een beetje op een topprestatie of een huzarenstukje om zo te geloven zoals Habakuk en Jezus deden. Maar dan zien we het geloof nog teveel als iets van onszelf. Het gaat er meer om, dat we inzien, dat God onze kracht is, dat Jezus de Christus het fundament van ons bestaan is geworden en dat we daarom met Paulus kunnen zeggen: er is niets, nee werkelijk niets in mijn leven of het nu ziekte is of tegenslag, of het nu een economische crisis of een financiele tegenvaller is, of het nu gaat om leegloop of achteruitgang op welke terreinen ook, ja al dreigt zelfs de dood of het einde van alles…er is inderdaad niets van dat alles, dat mij zal kunnen scheiden van de liefde van Christus.
Daarom en alleen daarom kunnen wij het nieuwe jaar in geloof en met hoop tegemoet gaan. En daar is ons een prachtig teken van gegeven – en dat wordt ons telkens gegeven – weet u nog wat mijn laatste beeld van het jaar 2012 was? Nou, kijk nog maar even mee: deze kleine babyvoetjes zouden van onze pasgeboren kleindochter kunnen zijn, maar zij passen evengoed bij het kerstkind in de stal van Betlehem, of van willekeurig welk kind: want ieder nieuw leven brengt ons te binnen: God wil “God met ons” zijn en Hij laat niet los de werken van zijn handen! Durven wij zo het nieuwe jaar in te gaan?

J

K

L

M