Logo dsCH 

Hebreeën 1: 1-9 (2013, Meppel)

Preek gehouden op de Eerste Zondag van de Veertigdagentijd – 17 februari 2013 – (zondag Invocabit) – in de Grote- of Mariakerk n.a.v. Hebreeën 1: 1-9 (naast Lukas 4: 1-13)

Het eerste college van Prof. ‘Hebrew’

Vanmorgen, op deze eerste zondag van de 40-dagentijd, krijgen we onverwachts een nogal hoogdravende tekst uit het begin van de Hebreeënbrief op ons bord. Luister nog even hoe het klinkt: “Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten, maar nu de tijd ten einde loopt heeft Hij tot ons gesproken door de Zoon etc., door wie Hij de wereld heeft geschapen en die plaatsgenomen heeft aan de rechterhand van God”.
De Hebreeënbrief heeft wel iets weg van een college, een academische uiteenzetting over een moeilijk onderwerp, maar een onderwerp dat ons wel aangaat.
Op zichzelf is dat eigenlijk al een mooie gedachte, dat we in de Bijbel zoveel verschillende soorten teksten tegenkomen: er zijn telkens weer andere geadresseerden en zo komt het dat er zo veelkleurig in de Schrift wordt gesproken over God, de wereld en de mens en zijn bestemming.
Wie dit college van Hebreeën geeft is niet bekend. Een anonieme professor in de godgeleerdheid heeft zijn college nagelaten aan de kerk en vanmorgen bereikt het ons.
Het heeft inderdaad alle kenmerken van een betoog en hij zoekt ook naar bewijzen om zijn stellingen te onderbouwen. Zo verwijst hij – of zou het een vrouw geweest zijn? - telkens naar woorden uit het Oude Testament, zoals wij dat nu noemen. In de NBV kun je dat heel mooi zien: de tekst springt dan een beetje in. Je zou die woorden ook cursief kunnen drukken of je zou ze kunnen beschouwen als voetnoten, zoals je ook zo vaak tegenkomt in wetenschappelijke verhandelingen.
Maar waar gaat dit college eigenlijk over? Wel, ik zou denken, dat de geleerde Hebreeënbriefschrijver er boven gezet zou kunnen hebben: plaatsbepaling van de Zoon van God. Als wij iemand nog niet zo goed kennen of voor het eerst ontmoeten, dan vragen wij ons ook vaak af: ja, hij is een toffe vent of een leuke meid, maar ik kan hem nog niet zo goed plaatsen. Waar staat hij of zij precies, hoe kan ik hem plaatsen in mijn wereld. Je wilt hem een plaats geven in jouw wereld. Je hebt een bepaald beeld van de wereld en daarbinnen moet hij dan geplaatst worden.
Zo doet onze professor van de Hebreeën ook: hij heeft een bepaald wereldbeeld. Dat heeft hij niet zelf ontwikkeld: dat is er al. Het is een hellenistisch wereldbeeld, waarbij de kosmos is opgedeeld in sferen. Er bestaat een hiërarchie van wezens van hoog naar laag: bovenaan staat God en onderaan de mens, maar daartussen is het een drukte van belang. Dat alles wordt ruimtelijk gedacht: er is een boven- en een benedenwereld en de opbouw van de wereld, van de gehele kosmos, wordt in verticale termen begrepen en beschreven. En dan kan de vraag gesteld worden: waar plaats ik nu de Zoon, die wonderlijke verschijning in het midden der tijden, die man uit Nazareth, die wij belijden als de Christus en die Zoon van God genoemd wordt?!
En dan komt prof. Hebrew met een idee: hij zegt dit: de Zoon heeft een plaats gekregen boven de engelen en dat is al heel dichtbij God, ja zo dichtbij God, dat Hij zelfs aan zijn rechterhand zit, een soort secondant of troonpretendent, zoiets als Wilem Alexander naast Beatrix. Wow...Jezus heeft het ver geschopt, zouden we dan kunnen zeggen of denken! Hij is de erfgenaam, d.w.z. hij neemt de soevereiniteit op zich.
Nu komen natuurlijk allerlei gedachten op...bijv. treedt God dan zelf af? En neemt de Zoon zijn plaats in? Of zijn dit ongehoorde gedachten en geven die alleen maar blijk van onze onnozelheid en onbegrip? Misschien moeten we eerder zo denken: door deze beschouwing zal ons beeld van God voortaan anders zijn. Bij het woord of begrip ‘God’ denken wij – en alle mensen van alle tijden – vaak in de eerste plaats aan macht en majesteit, aan schepping en leiding, aan onnavolgbare heerschappij en soms boze tirannie. God als een dobbelsteen of God als het noodlot, God als krachtpatser of God als donderende bliksemschichten, God als eerste oorzaak en tegelijk de grote onbekende. God die zich soms laat horen via profeten of priesters, maar voor de meeste mensen onhoorbaar en onzichtbaar blijft. God? Is het een soortnaam of een eigennaaam? Is God dezelfde als Zeus en Wodan, als Jupiter en Donar, als Allah en Vishnu?
Is God een macht om bang voor te zijn? Een macht die je kan maken of breken? Of is God eigenlijk geen serieus te nemen grootheid meer? In onze tijd leven veel mensen liever zonder God. Ze kunnen hem niet plaatsen in hun wereldbeeld. Hij is te ver weg, onbegrijpelijk en onverstaanbaar. Ja, natuurlijk, er is wel Iets, maar wat? God mag het weten! We kunnen God niet meer plaatsen in het heelal en daarom is wat prof. Hebrew doceert voor ons en onze tijdgenoten abacadabra. Wij leven niet meer met een werelbeeld, waarbij God bovenaan staat en wij denken niet meer in verticale en hiërarchische lijnen. Als we ons de omvang van het heelal indenken en de afstanden van miljoenen lichtjaren en de onmogelijkheid om daarboven of daarachter iets te denken, dat voor ons bereikbaar zou zijn, dan is het heel goed te begrijpen, dat de verpakking van prof. Hebro’s college niet meer werkt. Zijn wereldbeeld is het onze niet meer.
Maar kunnen we wat hij bedoelt ook anders zeggen? Kunnen we de verborgen schat lospellen uit waar het ‘in-gewikkeld’ is?
Laat ik het zo zeggen: als wij het over God hebben kunnen wij niet om Jezus heen. Maar dan moet je wel leren om verder te kijken dan die historische gestalte. Het is bijv. opvallend, dat in Hebr. 1 de naam Jezus zelfs niet eens voorkomt: het gaat steeds over de Zoon, precies zoals Johannes het in zijn eerste hoofdstuk over het Woord heeft. Maar nogmaals: als we over God willen spreken kunnen we niet om de Zoon heen, die gestalte rond het jaar 0, maar hij was niet zo maar iemand – en toch eigenlijk ook weer wel – maar in Hem zagen wij het beeld van God. Hij liet zien wie God is en altijd al geweest is en altijd zal zijn. God is zoals Jezus. Jezus laat zien wie God is: de Vader is sprekend de Zoon. Jezus stelt het oude beeld van God op een enorm ingrijpende manier bij...want we dachten, dat God een ongenaakbaar vuur was, een onberekenbare despoot, die maar deed wat hem goeddacht en zich niet bekommerde om wat de mensen overkwam. Maar wacht even: Jezus laat zien wie God in wezen is: barmhartig en genadig, begaan met mensen, uit op hun heil, genezend en zegenend, medelijdend, niet zichzelf zoekend, maar de ander.
Als prof. Hebrew nu schrijft, dat de Zoon mag zitten aan de rechterhand van God, dan zegt hij eigenlijk: vanaf nu zal alles wat de Zoon gedaan heeft bepalend zijn voor wie God is en wat Hij doet. En niet alleen vanaf nu, maar dat was eigenlijk altijd al zo en het geldt dus ook met terugwerkende kracht. Dus ook die schepping, waar alles mee begonnen is, dat was geen boze gril van God, geen toevalligheid van uit de hand gelopen microben, geen uiteenspatten van een eeuwige vaas , geen donderslag bij heldere hemel – hoewel het als oerknal dat ook was, feitelijk misschien – maar: deze werkelijkheid en ons bestaan – ja, dat u en ik er zijn – dat alles is een gedachte ten goede, is te herleiden tot op de liefde van God, zoals die zichtbaar verscheen in Christus Jezus.
God is als Jezus. En zo geloven wij ook, dat Hij ons het kwaad niet aanrekent. Want Hij overwint het kwade door het goede. Hij wederstaat de duivel, d.w.z. dat Hij de tweespalt in onszelf overwint. Wij hinken vaak op twee gedachten, maar Jezus heeft in de woestijn van zijn leven éénduidig gekozen voor het goede, voor de mensen, voor de wereld, voor God.
Kunnen we Jezus en God plaatsen in onze wereld? In ons beeld van de wereld?  In het wereldbeeld van de wetenschap zijn wij in razende snelheid als wegschietende moleculen in een oneindig heelal, zonder oorsprong of doel, gedoemd te pletter te slaan als onze energie ophoudt te bestaan. Daarboven of daarachter een ruimte vermoeden, waar God en zijn Zoon zetelen mag rekenen op hoongelach. En dat is ook niet wat wij zouden moeten volhouden.
Wat we wel tegen elkaar mogen zeggen is dit: deze duizelingwekkende werkelijkheid, waar wij nog minder dan een stipje van uitmaken en van begrijpen, is gegrond in de liefde van God. De Zoon van God, in wie God zijn ware gezicht en hart toont, gaat aan de oerknal vooraf! En dat is niet zozeer een kwestie van orde in de tijd, maar in orde van betekenis, in orde van doel en zin. Ook al komt het leven nog zo grillig tot stand en verloopt het volgens patronen en lijnen, die bepaald worden door genetica en evolutie, daarbovenuit geldt en staat a.h.w. in krulletters geschreven: God heeft jou gewild, ook al ben je biologisch en wetenschappelijk gezien een onberekenbaar toeval – en als mensen daarover nadenken kunnen ze ongelofelijk depressief worden – maar vanmorgen en hier mogen wij horen: jij bent gewild en bedoeld:  want de Zoon gaat aan alles en iedereen vooraf! Hij is de grond van mijn bestaan! Ik kom terecht in Zijn wereld!
Ik weet niet of ik het vanmorgen allemaal goed genoeg gezegd heb en of u het allemaal even goed gehoord en begrepen hebt. Als het u enigszins heeft opgewekt en blij gemaakt heeft – en als het u als muziek in de oren heeft geklonken, zoals de muziek van David in het boze oor van Saul-  als diep in uw hart een snaar geraakt is en als daardoor uw mogelijke depressie enigszins geweken is, dan mag u weten en neuriën: God heeft mij gezien - en aangesproken  - en onverwachts ben ik opnieuw geboren en getogen! (Gez. 487: 1)

J

K

L

M