Logo dsCH 

Mattheüs 25: 31

Overdenking gehouden ter inleiding op de viering van de Maaltijd van de Heer op de 9e zondag van de herfst 16 november 2014 in de Oude Kerk n.a.v. Mattheüs 25: 31 e.v.

Onvoorwaardelijk en belangeloos

Ik ben wel bij mensen op bezoek geweest, die mij vertelden, hoe bang zij waren voor het (laatste) oordeel. Vanaf hun vroege jeugd was hun ingeprent, dat er een scheiding tussen schapen en bokken zou plaatsvinden...en o, waar zou mijn plaats zijn? Waar kom ik terecht en welke plaats zou mij gewezen worden?

De vertelling van de komst van de Mensenzoon heeft dan geleid tot angst en verstarring, passiviteit en afwachten.

Maar het gaat er m.i. veeleer om, dat Jezus het leven van de mensen, van ieder mens afzonderlijk, maar ook in samenhang met anderen, het leven van de volken (!), dat Hij dat aan het ultieme oordeel onderwerpt om te laten zien waar het in het leven uiteinde-lijk (!) op aankomt. De vraag is dan ook niet: waar kom ik later terecht of: hoe kom ik in de hemel? wat moet ik doen om aan de goede kant van de streep te komen? Al dat soort vragen zijn eigenlijk vragen, die het eigenbelang, het eigen hachie voorop stellen, die ook de zorg voor de ander oppakt als een middel om dat doel, het eigen doel te bereiken, namelijk aan de goede kant van de streep uit te komen.

Maar ook dan heb je het verhaal niet verstaan. Het gaat er Jezus om om te laten zien, dat het leven van de ánder eeuwige waarde heeft. Het je belangeloos en argeloos inzetten voor de ander, die niet in tel is, van wie je niets kunt terug verwachten, dát is bepalend en beslissend voor wie je bent in Gods oog. Alleen zo’n leven heeft toekomst, omdat je het leven van de ander eeuwigheidswaarde hebt toegekend.

Dat de zorg voor en het omzien naar de ander het beslissende criterium is, ja de norm is aan de hand waarvan hij ons leven (be-)oordeelt, dat is zowel voor de schapen als voor de bokken een verrassing. Voor de schapen een aangename verrassing en voor de bokken een onaangename verrassing. Zij roepen allemaal in verwarring en verbijstering uit: Waar hebben we U dan naakt of hongerig gezien, in de gevangenis of op het ziekbed? Maar het verschil is, dat de schapen niet in de gaten hadden, dat zij hun goede werk aan de Mensenzoon gedaan hadden. Ze deden gewoon wat zij normaal vonden: een hongerige eten geven en een zieke helpen. De anderen riepen verwijtend: waar hebben wij U dan gezien, lijdend en hulp behoevend? Ja, we zagen misschien wel medemensen in nood, maar we wisten niet dat U zich hun lot aantrok en zich met hen identificeerde. Als we dat geweten hadden, dan... O ja? Maar als je het leven van een mede-mens niet acht, waarom zou je je wel voor hem uitsloven, als je wist, dat Ik het was?

Abraham begint zich uit de naad te rennen om het zijn drie gasten naar de zin te maken, niet omdat hij wist dat hij hoog bezoek had gekregen, maar omdat hij vreemd bezoek hoog achtte. De Hebreëenbriefschrijver heeft gezegd, dat velen ‘onwetend’ – d.w.z. zonder het te weten, zonder het nadrukkelijk te beseffen, ja in volstrekte argeloosheid – dat zij engelen hebben geherbergd.

Nog niet zo lang geleden heb ik n.a.v. dit Evangeliebericht een verhaal verteld, dat weerspiegelt wat hier aan de orde is. En ik herhaal dat verhaal nog eens, omdat niet iedereen het gehoord heeft en om het u nogmaals in herinnering te brengen. En ook om u er nog langer bij te laten verwijlen, waar het nu eigenlijk om gaat. Want dit verhaal is grimmiger en bokkiger dan u wellicht denkt. Als het verhaal uit is, zou ik opnieuw mijn inleidende opmerkingen moeten herhalen, maar dat doe ik niet. Daarna gaan wij aan Tafel: en na zo’n verhaal (gehoord te hebben) zeker niet vol eigendunk en met een hoog hart, maar

eerder vol zelfverwijt en erkennend wat er donker is in mij, in ons. Daar zullen we ook inleidend een lied over zingen (LB 400), niet om onszelf op die manier weer op te werken tot geschikte en ‘heilige’ avondmaalgangers, maar om des te meer te beseffen, dat het brood, dat wij ontvangen genadebrood is en de wijn, die ons geschonken wordt, vrucht is van de Wijnstok zelf, die voor ons gebloeid heeft en waar wij als ranken ook zelf mee verbonden mogen zijn. Maar nu dan naar het verhaal, dat ik u al eerder vertelde:

Het is afkomstig uit de geschiedenis van de 2e WO, waarin Joodse mensen werden opgepakt, weggevoerd en gedood. Soms moesten zij hun eigen graf delven en werden zij in grote groepen bijeengedreven...kinderen ook. Er was ook een jongetje bij, Joshua heette hij, en die wist wat er ging gebeuren en hij verzon een ontsnappingslist: hij viel vlak voor de kogels afgevuurd werden en hield zich als dood: En hij kruipt ’s nachts uit de greppel van de dood en hij ziet er niet uit: van boven tot onder besmeurd met bloed, maar dat heeft hij zelf niet eens in de gaten. Hij probeert ergens onderdak te vinden, zodat hij verder kan leven.

Hij denkt: ik probeer het gewoon en ik bel ergens aan, in het donker en iemand doet open en schrikt zo hevig, dat hij meteen de deur dicht doet. Even verder belt hij weer aan...hij weet, dat hier een christenmens woont, dus hij geeft zichzelf een grote kans van slagen. Maar zodra die persoon hem ziet begint hij te schelden: Ga weg jij, vies Jodenjoch, hoe durf je hier te komen. Wegwezen jij!

Nergens wordt hij binnengelaten en hij is ten einde raad. Het begint al licht te worden en dan waagt hij zijn laatste meesterzet. Hij belt aan bij een vrouw, die als een vrome christin bekend stond, en zij doet open en schrikt als zij dit gehavende kind ziet. En zij ziet, dat het een jodenkind is en zij staat op het punt om hem weg te sturen, maar dan zegt de jongen: Maar, mevrouw, luister, ik

ben Joshua, ik ben de Messias. En de vrouw is zo verbouwereerd, dat ze op haar knieën valt, een kruis slaat en de jongen binnenlaat. En ze geeft hem te eten en te drinken en warme kleding en zij biedt hem onderdak, een veilig huis.

Als de Mensenzoon komt met de wolken des hemels, zal hij dan nog het geloof vinden op aarde?

J

K

L

M