Logo dsCH 

Jozua 2: 1-21

Preek gehouden op de 2e zondag van Advent in de Grote- of Mariakerk in een dienst van Schrift en Tafel n.a.v. Jozua 2: 1-21 (en Mattheüs 1: 1-6).

Een rode draad

“Geachte heer Huisman, uit de sollicitanten voor de functie van brugwachter bij de Hellevoetsluis – nou ja, ik verzin maar wat, hoor - bent u als de meest geschikte en bekwame kandidaat naar voren gekomen. Alvorens tot benoeming over te gaan moet nog één formaliteit afgehandeld worden en dat betreft het zgn. antecedentenonderzoek. Ervan uitgaande dat...” Ik legde de brief terzijde, want het woord ‘antecedentenonderzoek’ bleef maar in mijn hoofd rondtollen. Wat was dat precies en waarom? En ik begon er met sommige mensen over te praten en die zeiden: ze willen weten of je geen strafblad hebt en als ze het heel grondig aanpakken willen ze ook zeker weten of je vader geen lid is geweest van de NSB en of hij sowieso niet ‘fout’ is geweest in de oorlog en soms gaan ze nog veel verder terug en proberen alles te weten te komen van je familie en van vroeger en zo... Ik was er niet echt gerust op, want wie weet wat mijn voorouders allemaal uitgespookt hadden, zonder dat ik er iets van wist...of aan kon doen, trouwens. In de beste kringen komt het voor, dat voorouders scheve schaatsen hadden gereden. Ook aan de voorvaderen van onze koning, de drie koningen van Oranje, over wie zojuist  prachtige biografieën zijn verschenen, kleven allerlei smetjes. Moeten we dat wegstoppen of juist niet? Met die vraag worstelde misschien de evangelist Mattheüs ook wel, toen hij begon aan het antecedentenonderzoek van Jezus. Daarbij kwam hij ook van alles op het spoor, dat hij misschien liever had verdoezeld...maar nee, beter open kaart spelen.
Mattheüs vindt het helemaal niet erg om allerlei mensen – met en zonder smetjes -  op te nemen in de lijst van voorouders van Jezus. Jezus zelf schaamt zich er ook niet voor om allerlei randfiguren en vreemde snuiters, scheve schaatsrijders en mislukkelingen tot zijn familie te rekenen. Hij voelt zich verwant met hen en als hij later de nadering van het Godsrijk gaat verkondigen, dan rekent hij dat soort figuren juist tot zijn vrienden en vriendinnen. Jezus wist heel goed, dat je de mensen niet kon indelen in ‘goed’ en ‘fout’. Hij zag het eerder zo, dat hij zei: Iedereen is eigenlijk ‘fout’, maar desalniettemin houdt God van alle mensen. Op zichzelf beschouwd is niemand ‘acceptabel’, maar God aanvaardt ons en ziet ons aan als zijn kinderen.
In de lange rij van voor-familie komt ook een figuur als Rachab voor. Zij beoefende het oudste beroep van de wereld en tegenwoordig noemen we zo iemand een prostituee, maar de NBV gebruikt nog klip en klaar de oude benaming ‘hoer’. Nou, dat vind ik – eerlijk gezegd – een rotwoord en ik zal het niet meer gebruiken. Zij was een dame van lichte zeden,  zo kunnen we haar ook noemen, ze verdiende wat bij in haar peeskamertje, terwijl ze misschien ook nog wel een bar of herberg runde. Zij woonde op de wallen van Jericho en zij had altijd klandizie, want het was daar aan de grens een komen en gaan. En wie er nu gekomen waren, dat waren de toekomstige land-bewoners. Ze had al van hen gehoord, hoe ze uit Egypte waren gevlucht en hoe zij onder leiding van een bijzondere God de Jordaan waren overgetrokken en hoe zij op het punt stonden het land Kanaän in te nemen. Ook Jericho, de sleutelstad. Hier lag immers de toegang tot het hele land. En Rachab wist diep in haar hart, dat dat nieuwe volk de macht zou overnemen en al voelde zij zich misschien een verrader van haar eigen volk, ze wilde niets liever dan de toekomst delen met die nieuwe machthebbers onder leiding van die vreemde God!
Rachab is iemand die er niet bij hoort en er toch wèl bij hoort. Rachab is iemand die geen goede reputatie heeft, maar Jezus schaamt zich niet haar tot zijn moeders te rekenen. Rachab is iemand die zich helemaal bloot geeft en volledig open kaart speelt en ze wordt beloond voor haar gastvrijheid en moed. Rachab is iemand die zich gewonnen geeft en als was is in de handen van de verspieders en zo is zij geworden tot een onvergetelijk standbeeld in de galerie van God en mensen. Rachab is iemand, die het scharlaken koord uit haar venster laat hangen, zodat wanneer de engel van het verderf zou langsgaan  haar huis dan zou blijven staan op de wallen van Jericho. Rood, de kleur van de liefde, de kleur van het leven, de kleur van het bloed, de kleur van de wijn! Zo mogen Adamsmensen, de mens van de rode aarde genomen, leven op deze aarde – en zo zijn ook wij op weg naar het groene land van belofte.
Wat ons natuurlijk – al lezende in het boek Jozua -  altijd weer dwarszit in al deze verhalen, dat is het onstuimige wapengekletter en het overvloedige bloedvergieten. Ik ga er geen doekjes om winden – ook niet voor het bloeden – want historisch gezien was dat er allemaal. Het land van belofte is niet zonder slag of stoot in bezit genomen.  Maar door al die schunnige en wrede gebeurtenissen heen, dwars door alle vernielingen en slagvelden heen – dat is inderdaad de werkelijkheid, zoals die zich heeft voorgedaan en zich altijd weer voordoet – dwars daar doorheen of misschien wel als een boventoon erboven uit, - en ook als tegenstem - klinkt daar een zachte fluistering, de stem van de Geest, die inspireert en vertelt op een geheimzinnige manier – zij vertelt het grotere verhaal van de mensheid op weg naar de stad die fundamenten heeft en waarvan de architect en bouwheer God zelf is. Die stem horen we door de Schrift heen en ook in ons hart resoneren en die zegt: zoals Rachab viel voor de verspieders (spionnen) en zich zonder verzet aan hen overgaf, zo viel Jericho uiteindelijk ook als een rijpe appel in de schoot van de nieuwkomers. Hebben ze het met geweld genomen? Is Rachab met geweld genomen?....welnee: zoals Jericho viel voor de ramshoorn, zo viel Rachab voor de verspieders en zo viel het land in de handen van de Eeuwige om proeftuin te zijn voor het Koninkrijk Gods. De geschiedenis is bar en boos, maar de profetische vertelling is een openbaring. Die laat zien, dat het Koninkrijk Gods alleen maar ontvangen kan worden, niet veroverd. Dat het geloof een gave is, geen bezit. Dat God ons niet overrompelt, maar ons wil winnen, ja werven als zijn bruid. Dat Hij ons zo nabij wil komen, dat hij alle soorten van mensen: grote en kleine, opscheppers en ‘losers’, mensen die het allemaal zo goed weten en die er niks van snappen, mensen die het niet zo nauw nemen met de moraal en de moraalridders in optima forma, mensen als Rachab en mensen, die roepen, dat zij gestenigd moet worden – dat Jezus al die mensen in zijn hart sluit en zegt: jullie zijn allemaal familie van mij: jullie zijn mijn broeders en zusters en Ik ga graag met jullie aan Tafel. Iemand moppert misschien en oppert voorzichtig of luidruchtig: “Ja, maar zij daar, die met die rode sjaal om haar taille toch niet? die paaldanseres, die alle mannen zit te verslinden...zij toch zeker niet?!” “Ja, zij ook...wat zeg Ik...juíst zij, want dames van lichte zeden en tollenaars gaan u voor in het Koninkrijk Gods. Rachab gaat voorop!  Zij opent de reidans! Wie volgt?!”

J

K

L

M