Logo dsCH 

Mattheus 5: 1-10

Preek gehouden op de 4e zondag na Epifanie, 2 februari 2014, in de Oude Kerk te Meppel n.a.v. Mattheüs 5: 1-10

God (ge)zien?

We zijn allemaal gelukzoekers, maar we vinden het niet. Maar vanmorgen komt ons het geluk vanuit een heel andere hoek aanwaaien, ja, het wordt ons toegefluisterd: gelukkig ben je! Misschien voel je je helemaal niet gelukkig, maar je wordt gelukkig geprezen!
We moeten leren zien met de ogen van Hem, die deze woorden uitspreekt. Dat is Jezus vanaf de berg. Het is a.h.w. de blik van God, die ons treft. Het is zijn visie; het is zoals Hij ons ziet. Onze eigen blik is vertroebeld vaak; we zijn kortzichtig; we zitten onszelf te dicht op de huid…maar Hij ziet ons, zoals wij werkelijk zijn…op een afstand, vanuit de hoogte zou je denken…maar dat is ook een misverstand: Hij ziet ons van nabij, van binnenuit en prijst ons gelukkig en spreekt ons zalig. Is dat niet wonderlijk?
Zo kan hij goed zien, hoe de mensen er aan toe zijn: hij ziet hun sloven en zwoegen, hun falen en hun verlangen, hun dromen en idealen, hun inzet en hun afzijdigheid…kortom, ons menselijk bestaan in al zijn fasen en facetten ziet hij voor zich…en hij is met innerlijke ontferming bewogen…het raakt hem diep in zijn hart, als hij de mensen zo ziet, als hij ook ons ziet – mensen, die hunkeren naar echtheid en diepte, mensen die uitzien naar geluk en warmte, mensen, die gebukt gaan onder vernedering en kleinering, mensen, die wakker liggen van de zorgen en verbijsterd zijn vanwege het lijden in de wereld en in eigen leven. Mensen, die zich bewust zijn, dat het leven meer is dan eten en drinken, maar tegelijkertijd bemerken, dat het ‘meer’ onbestemd blijft en slechts bestaat uit heimwee en hoop. Mensen, die zich inzetten voor een goede zaak, warm lopen voor recht en vrede, warmte uitstralen naar mensen die niemand meer hebben, ziek zijn of uitgeteld…mensen, die hun best doen om deze wereld leefbaar te maken, die opkomen tegen onrecht en verdoezeling…Jezus ziet die bonte stoet van mensen, Hij ziet ons…en Hij roept ons toe: Zalig zijn jullie, begenadigd zul je zijn…Ik zie jullie niet over het hoofd…wat jullie doen is de moeite waard…en al voel je je misschien miskend of al voel je je iemand die dweilt met de kraan open: zalig ben je. Jullie laten al iets oplichten van het Koninkrijk Gods!
Zalig de reinen van hart of die zuiver van hart zijn, horen we dan ineens...die zullen God zien. Sommige mensen zeggen: we zien God pas als we sterven. Anderen zeggen: het is onmogelijk God te zien. Hoe zou dat kunnen?
Pas na de dood is er de ultieme ontmoeting en ook deze gedachte heeft oude papieren. Ik kwam het onlangs nog tegen bij de lezing van de Belijdenissen van Augustinus, u weet wel, die kerkvader uit de vroege kerk, (4e eeuw) die tot bekering gekomen was en bisschop werd in Hippo in N-Afrika en die zo’n bijzondere band had met zijn moeder Monica, die altijd voor hem gebeden had, dat hij zou terugkeren tot de kerk. Voorbeeld van zovele moeders, die bidden voor hun kinderen.
Wel, aangrijpend en ontroerend beschrijft Augustinus het afscheid van zijn moeder, die naar hem toegekomen was in Ostia, bij Rome, waar zij zou gaan sterven en begraven zou worden, ver weg van haar man, die in N-Afrika begraven was en bij wie zij eigenlijk zou begraven worden. Maar dat kon nu niet doorgaan, die afstand was te groot.
Maar nu lees ik even letterlijk voor uit de Belijdenissen: boek IX, hfdst 10:
Toen nu de dag aanstaande was, waarop zij uit dit leven zou scheiden, stonden wij samen geleund aan een venster, met uitzicht op de binnentuin van het huis, waarin wij vertoefden, daar te Ostia aan de Tiber, ver van het gewoel der wereld. Wij spraken dan samen zeer lieflijk en vergetende hetgeen achter was en strekkende ons tot hetgeen voor was en wij vroegen ons af, in tegenwoordigheid van U, hoe het eeuwige leven der heiligen zou zijn, hetgeen het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord.
Toen nu ons gesprek zo ver gekomen was, dat het ons toescheen dat geen enkele genieting der vleselijke zinnen, hoe groot die ook hier konden zijn, waardig was om vergeleken te worden met de heerlijkheid van dat leven, zo verhieven wij ons hart in klimmende vervoering tot het Zijn zelf en doorliepen trapsgewijs alle lichamelijke dingen en de hemel zelf, vanwaar de zon en de maan en de sterren lichten over de aarde. En wij stegen nog hoger en zo kwamen wij tot onze zielen en stegen ook daar boven uit om het land van de onuitputtelijke vruchtbaarheid te bereiken, waar Gij Israël weidt tot in eeuwigheid met het voedsel der waarheid en waar het leven de wijsheid is, waardoor dat alles wordt, zowel wat geweest is als wat zijn zal, maar zijzelf wordt niet, maar is zoals zij geweest is en zal altijd zo zijn. Ja veeleer: in haar is niet een geweest-zijn en een zullen-zijn, maar alleen het zijn, daar ze eeuwig is.
En dit overdenkende zwegen wij op den duur, opdat wij Hem konden horen spreken, die ons gemaakt heeft. Zou dit ene ogenblik van begrijpen het eeuwige leven zijn?
Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.
Maar wie is zuiver van hart en wie zal God zien en nog leven? Een rein hart is een onschuldig hart, dat geen bijbedoelingen kent en gericht is op één zaak: zoals een spelend kind verdiept is in zijn spel. Niet om lief gevonden te worden door zijn vader of moeder, maar gewoon, zonder enig ander oogmerk dan het spel zelf, waarin hij opgaat.
De reine van hart is de rechtvaardige, zoals die in de Bijbel voorkomt, de zaddiq, zoals Abraham, die oprecht is en wandelt voor Gods aangezicht. De reine van hart is ook zuiver van handen, d.w.z. die handelt rechtvaardig, die doet de verdrukte recht en richt de gebogene op. Die is integer en sticht vrede, is barmhartig en lijdt liever onrecht dan dat hij of zij het zelf doet.
Zoals Jezus rein van hart is. In Hem zien wij Gods aangezicht oplichten, zoals Hijzelf zegt: Niemand heeft ooit God gezien, maar wie Mij ziet ziet Hem die Mij gezonden heeft.
Wie rein van hart is en zuiver van handen ziet in het aangezicht van de ander het gelaat van God oplichten. Ze zijn er niet naar op zoek, maar argeloos en zonder enige pretentie doen zij aan anderen goed en zo ontmoeten zij God, want wie God doet God ontmoet. Zoals Jacob, toen hij na lange tijd Ezau kon ontmoeten en in zijn aangezicht zag hij het gelaat van God oplichten! Er was verzoening tussen die twee, de ander was een vriend geworden: ze zagen God in elkaars ogen!
Ook kan de armoede van de ander ons heilig worden, als die ons aan het hart gaat. Wij treuren erover en willen er iets aan doen. Als gemeente van Christus is ons dat op het hart geschreven, dat wij zullen omzien naar de mensen in nood, zoals wij vandaag ook bijzondere aandacht geven aan twee projecten. Hoe zuiverder ons hart is hoe beter wij de ander zien, in zijn kwetsbaarheid en bijzonderheid: ook hij is een kind van God, een arme drommel wellicht op deze wereld, maar rijk in God. Zien wij zulke mensen? En zien we ook onszelf zo?
Met al onze rijkdom zijn wij bezitters geworden en waarom zou God ons dan gelukkig prijzen? Hij vindt ons maar armoedzaaiers.
Wij zijn mensen geworden die alles bezitten en alles in de hand willen hebben en onszelf maken wij tot centrum van de wereld. Zal God ons dan gelukkig prijzen? Ik denk dat Hij zegt: Gij dwaas, nog deze nacht zal ik alles van je opeisen en waar blijf je dan met al je bezit?
Als het uur U daar is zal gevraagd worden: wat heb je aan Mij gedaan, toen ik honger leed en dorst had, toen Ik gevangen was en geslagen werd, toen ik uitriep: mijn God, mijn God, waarom hebt U mij in de steek gelaten? Dan staat de mensheid met een mond vol tanden en iedereen roept tegen iedereen: ik heb het niet geweten; ik wist niet, dat…
Maar wie weet, dat iemand zegt: voorzover je de minste broeder en zuster van je bezocht hebt en goed gedaan hebt, hem of haar lijden verzacht hebt en met haar meegeschreeuwd hebt: o God, doe toch uw aangezicht over ons lichten…in zoverre heb je dat aan Mij gedaan. Kom verder en be-erf het Koninkrijk dat al voor de grondlegging der wereld voor jou bereid is.
Zalig die reinen van hart, zij zullen God zien en zij zullen zich verheugen in zijn werken.
En zoek het niet in grote dingen of hoogdravende woorden en bergen verzettende daden. De reine van hart is eenvoudig en blijft dicht bij de werkelijkheid van alledag. Tenslotte vertel ik u het verhaal over  de bekende of misschien minder bekende prediker en toneelschrijver Kaj Munk uit Denemarken, omgekomen in de 2e WO, – maar dan vooral eigenlijk over zijn moeder, zijn pleegmoeder. Kaj Munk kwam een keer thuis van de universiteit en hij zat vol ongeloof: “waar is God en hoe kan het dan dat…etc.” en hij ging er zijn ouders ook meteen mee lastig vallen. En zijn moeder zei toen: “Jongen, ga rustig zitten, laten we samen nog maar eens een kop thee drinken”.
Gelukkiggeprezen wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien.

J

K

L

M