Logo dsCH 

“Was Gott tut...”

Preek gehouden op de 9e zondag van de herfst 13 november 2016 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Genesis 45: 1-15

 

“Was Gott tut...”

 

Daar zijn ze weer. In de kraag gegrepen door de douane. “Hebben jullie nog iets aan te geven?” “Nee, hoor...we hebben alleen wat graan gekocht en dat nemen we mee naar huis”. “Toch maar even controleren, steekproefsgewijs...” In de bagage van Benjamin wordt de zilveren paleisbeker gevonden. ‘Verduistering, smokkelwaar, diefstal. Kom maar mee naar het bureau, jij!’
Maar de broers zijn solidair met elkaar. Ze laten Benjamin niet alleen achter. “Eén voor allen en allen voor één” is de band om hun broederschap en vooral Juda voelt zich verantwoordelijk. Want als die vreemde onderkoning voorstelt om Benjamin in Egypte achter te laten begint hij een lang verhaal op te hangen, waarin hij de hele voorgeschiedenis ophaalt, hoe het allemaal zo gekomen was en dat zij nog een oude vader thuis hebben en dat die al een zoon heeft moeten missen aan de wilde dieren en dat vader het niet zou overleven, als ze zonder Benjamin zouden terugkomen. Nee, laat mij maar hier, zegt Juda. Ik wil uw slaaf wel zijn.
Als Juda zijn pleidooi gehouden heeft is Jozef niet meer te houden. De tranen wellen op in zijn ogen – hij stuurt zijn hofhouding en tolken weg en onder luid geween maakt hij zich aan zijn broeders bekend: ‘Ik ben Jozef’, roept hij uit. ‘Leeft mijn vader nog?’
De broers zijn sprakeloos. Ineens staan zij onverwacht oog in oog met hem, die zij als slaaf verkocht hebben, die zij dood hadden gewenst, die zij niet hadden kunnen uitstaan. Daar staan zij bedremmeld tegenover de meesterdromer, die zij veracht hadden en niet voor vol hadden aangezien. Oog in oog met hem, die zij uitgespuugd en uitgeworpen hadden. Weg met die dromer!
Als in een flits zien zij ineens in, dat zijn dromen op een heel vreemde manier toch waar zijn geworden. Hier staan zij, met het hoofd naar beneden, tegenover hun broertje, die nu onderkoning is en voor wie zij nu buigen als een knipmes. Zal hij zich nu wreken? Zal hij het ons betaald zetten? Die vraag spookt wel door hun hoofd. Zij zitten als ratten in de val, in het hol van de leeuw.
Er is één ding, dat hun moed en hoop geeft...en dat zijn de tranen van Jozef. De tranen in de ogen van Jozef zijn tekenen van verzoening en van vergeving. Het zijn tranen van blijdschap, van vriendschap en vrede. Ze hoeven niet bang te zijn, ze hoeven niet op hun knieën om hem gunstig te stemmen, want hij is hun al genadig en groot in ontferming. Hij zegt niet: ik wil, dat jullie eerst sorry zeggen om wat jullie mij hebben aangedaan. Hij zegt niet, ik kan jullie pas vergeven, als je berouw hebt getoond.
Nee, niks van dat alles. De situatie zoals die zich nu voordoet is een moment van verzoening en vergeving. Precies als wanneer de vader op de uitkijk staat om zijn verloren gewaande zoon in de armen te sluiten. ...vader, ik ben niet waard en vergeef me...enz...maar vader hoort het niet eens. Kom, laten we feest vieren en vrolijk zijn, want die zoon van mij, die dood was, zie hij leeft!
En zo begint de messiaanse zon te schijnen over dit dramatische verhaal, over deze ontmoeting en openbaring: kijk, in de onderwereld, op dit diepste punt van ‘einde verhaal’ doet zich het wonder voor van tranen en omhelzing, van verbroedering en verzoening. En zij kusten elkaar!
En God keek ernaar en zag dat het goed was...
God komt overigens in het hele verhaal niet voor. Het is één doorlopende ‘innerweltliche Geschichte’: God is er niet, als Jozef in de put zit, wanneer hij als slaaf verkocht wordt, als hij door mevrouw Potifar verleid wordt – o ja, hij had pas nog een openhartige brief van haar gekregen en die bewaarde hij zorgvuldig in zijn nachtkastje - , God is er niet, als hij in de gevangenis zit en uiteindelijk hogerop komt. Het zijn gebeurtenissen, die elkaar opvolgen, die min of meer logisch op elkaar volgen, soms onverwachts, dan weer vanzelfsprekend en zoals te verwachten was. Maar God grijpt nergens in. Hij is de grote Afwezige...of toch niet?
Is zijn Presentie wellicht verborgen, is Hij onzichtbaar aanwezig, verborgen sturend en leidt zijn hand alles tot een goed einde?
Als we de tekst van Genesis 45 wat preciezer lezen komen we deze opmerkingen tegen, die door Jozef worden uitgesproken tegenover zijn broers: ‘wees niet verdrietig of bang, omdat jullie mij hierheen verkocht hebben, want om jullie in leven te behouden heeft God mij voor jullie uit gezonden’ Ja, ik zal het nog sterker vertellen, zegt Jozef: ‘niet jullie hebben mij hierheen gezonden, maar God!’
En nog weer even verder zegt Jozef: het kwaad dat jullie hebben beraamd heeft God ten goede gedacht, ten goede gekeerd.
We moeten van deze diepe gedachten geen tegeltjeswijsheden gaan maken, zoals “eind goed, al goed” of “alles komt altijd op zijn pootjes terecht” of “God maakt er altijd wel iets goeds van, hoe rottig het ook is” – da’s trouwens wel een flinke tegel ☺
Waar we vooral op moeten letten is: wanneer wordt dit gezegd en door wie?!
Het wordt gezegd aan het einde van de rit, niet aan het begin en ook niet halverwege. Toen Jozef door zijn broers werd verkocht en met touwen aan de karavaan werd vastgemaakt, riep hij niet achterom naar zijn broeders: niet jullie voeren mij weg, maar het is God, die het doet. Nee, toen zei hij dat niet!
Pas achteraf, als er iets zichtbaar is geworden van een wending ten goede, pas dan durft Jozef de naam van God erbij te betrekken, als er iets goeds tot stand is gebracht, als duidelijk is, dat die hele vermaledijde geschiedenis toch nog ergens goed voor was. Dan is het mogelijk de naam van God te noemen, want Hij is de Bron van alle goeds!
En laten we vooral erop letten wie het zegt: niet de omstanders, niet de broers, maar het is Jozef, die het zegt. En hij is eigenlijk ook de enige, die het mag zeggen. Hij was het slachtoffer, hij was het lijdend voorwerp, hij had de striemen van lijden en vernedering nog op zijn lijf zitten. Alleen hij mag de naam van God noemen als bron van troost en hoop. In de mond van de omstanders had het geklonken als een redelijke verklaring. In de mond van de broeders had het geklonken als een vergoeilijking van hun daden. Maar in de mond van Jozef klinkt het als een oprechte belijdenis, als een erkenning van verwonderd-zijn over de sturing van deze geschiedenis a.h.w. door een onzichtbare hand van God.
Wij proberen vaak de geschiedenis te duiden of gebeurtenissen in het leven van anderen te begrijpen en soms wordt daarbij te pas en te onpas de naam van God gebruikt. Of het hele wereldgebeuren wordt gezien als plan van God, zijn voorzienigheid. Alles wordt teruggebracht op de wil van God, van Auschwitz tot aan de verkiezing van Trump. ‘Was Gott tut das ist wohlgetan’. Een prachtig lied, maar o zo gemakkelijk misverstaan. Alsof alles wat gebeurt wel goed is en Gods wil is.
Nee, wat God doet...het goede, de goede afloop, onverwacht en ongedacht, dat mogen we aan God toeschrijven. Als we het echt ook zien en ervaren als goed, zoals Jozef aan het einde van zijn verhaal.
Alleen de slachtoffers van de geschiedenis, die onder de voet gelopen zijn en bekneld zijn geraakt tussen de raderen van de voortrazende tijd, die roepen om recht en gerechtigheid en uitzien naar vrede, die kunnen misschien met Jozef belijden: jullie hebben al dit kwaad ons aangedaan, maar God heeft het ten goede gekeerd, want wij zijn niet uit zijn hand gevallen, maar mogen leven, voorgoed.
Nu heb ik het kleine verhaal van Jozef uitvergroot tot op kosmisch en wereldhistorisch niveau en misschien is dat wel iets teveel van het goede. Maar laat ik het dan zo zeggen en daarmee eindigen: het is in ieder geval een hoopvol verhaal en een verhaal dat laat zien, dat ‘hoe dan ook’ en ‘waar dan ook’ (somehow and somewhere) dromen waar kunnen worden, al gebeurt het vaak op een andere manier dan we dachten, langs kronkelige paden en door diepe dalen. ‘Was Gott tut das ist wohlgetan’.

J

K

L

M