Logo dsCH 

Wachten op God

Wachten op God
Advent is een tijd van wachten. Wachten op de geboorte van het Kerstkind, wachten op een nieuwe tijd, een nieuwe toekomst. M.n. de periode van het Oude Testament zouden we ook kunnen typeren als een tijd van wachten. De kerk van alle eeuwen heeft zich willen inleven in die voorbije periode van dat wachten door Advent te vieren. Ook al wisten wij, dat het Kind in het midden van de tijd was gekomen, ook al wisten we dat de nieuwe tijd al was aangebroken – toch wilde de kerk het wachten samen delen met Israël. Als Israël zegt: wij wachten op de Messias, die komen zal, dan zegt de kerk: ook wij wachten op de Messias, maar wij geloven, dat Hij reeds gekomen is. Maar wij verwachten Hem ook: wij zien hem liggen in de kribbe, ingewikkeld in doeken, maar wij verwachten Hem ook op de wolken des hemels, lichtend als de dageraad om recht te zetten wat scheef en krom is geworden en om overeind te tillen, wat onder ligt en te gronde dreigt te gaan. Zo is ons Adventswachten enerzijds een ‘gespeeld’ of liturgisch wachten, ieder jaar opnieuw, vier weken voor het Kerstfeest, maar het brengt ons ook te binnen een reëel wachten, een wachten op het komen van Hem, die reeds gekomen is, want we zien ook uit naar zijn komst. Dat is de hoop, waarover Paulus schreef in zijn brief aan de Romeinen.
Wachten is moeilijk. De meeste mensen wachten niet graag. Want dan gaan ze onrustig worden, geprikkeld of gejaagd. Wachten in een lange rij voor de kassa bij de supermarkt is een opgave. Wachten op een jurk, die je besteld hebt, is lastig. Wachten tot je huis verkocht is, is moeilijk. Wachten op betere tijden, is een hele opgave. Wachten op de uitslag van een onderzoek in het ziekenhuis is zenuwslopend. Wachten tot het onweer voorbij is, kost moeite. Het ongeduld en de bezorgdheid komen in je naar boven. Tijdens het wachten word je onzeker: zal het wel gebeuren? Zal de dag ooit aanbreken, dat mijn wachten beloond wordt? De wachters van Psalm 130 staan op de stadsmuur midden in de nacht elkaar moed in te spreken. Wanneer zal het eindelijk eens licht worden? Wij wachten op de morgen, de morgen, ach wanneer?
Onze tijd kenmerkt zich door ongeduld en heeft het eigenlijk verleerd om te wachten. Om te voorkomen, dat men lang moet wachten, haalt men het verwachte al naar voren. Rond de jaarwisseling trakteren we elkaar op oliebollen, maar we worden er al een maand mee om de oren gegooid. En u zult het zien en beleven, dat in de loop van februari of nog eerder de eerste paaseieren en paashazen al gesignaleerd worden. Men kan niet meer wachten. We leven in een instant-maatschappij: ik wil dit of dat en ik wil het nu! Dat heeft natuurlijk allerlei achtergronden en oorzaken, maar daar wil ik het nu niet over hebben. De kerk is een plek, waar het wachten nog in ere wordt gehouden. Uiteindelijk is het zo, dat we in de kerk leren om op God te wachten.
Op God wachten betekent, dat wij verlangen naar de volheid van ons leven. Op God wachten betekent, dat wij ons leven als leeg, angstig en onvervuld ervaren en dat we vandaaruit hopen op vervulling, bevrediging en aanvaarding. Zoals de ene geliefde op de andere kan wachten en soms in dagen of jaren van gemis alleen maar verlangt naar de ander, zo is het ook met ons wachten op God en Gods wachten op ons. Misschien herkennen we ons verlangen niet altijd als wachten op God, maar in de kerk hebben wij onze leegte en ons gemis zo leren verstaan. Het is God zelf, die het wachten op Hem bij ons teweeg brengt. We zouden God niet missen, als Hij er niet was en als wij geen idee van God hadden. Wachten op God is God hebben en Hem niet hebben.
Wie denkt God te hebben mist Hem en wie Hem mist heeft Hem. In die vreemde spanning vindt ons wachten plaats en zo zien wij uit naar zijn komst, naar de vervulling van onze dromen en naar de voltooiing van ons geloof en onze hoop.
“Kom tot ons, de wereld wacht”, zo zingen we in één van de adventsliederen. In dat ene zinnetje wordt duidelijk, dat wij het zijn, die Hem erbij roepen, zoals de wachters a.h.w. de morgen oproepen om te verschijnen, zodat het licht wordt...maar dat het de wereld is, die wacht. De grote wijde wereld in ons en om ons heen, die ongeduldige wereld, die wereld vol vervreemding en gejaagdheid, ongeleid en stuurloos, voortjagend en zonder het te weten hopend op licht en vrede, ja, het is die wereld, die wacht, wacht op God. Begint het al te dagen? Jazeker, in het Oosten, het licht gaat al overal schijnen. Hij komt de volken troosten, ...wie dan? Wel, Hij die gekomen is en die komt, Hij, die eeuwig heersen zal.

J

K

L

M