Logo dsCH 

Judith 13

Voor vandaag is mij (ons) H. 13 van het boekje Judith in de schoot geworpen en ik moet u eerlijk bekennen, dat ik er wel een beetje mee in mijn maag zit. Het was sowieso voor mij ongewoon om Judith als lees- en preekstof aangereikt te krijgen, omdat binnen de protestantse traditie de apocriefe of deuterocanonieke boeken eigenlijk niet tot de Heilige Schrift gerekend worden, - de rooms-katholieke traditie doet dat wel en binnen een oecumenische gemeente als deze is het dan natuurlijk te begrijpen, dat ook uit die boeken wordt gelezen. Trouwens, zij zijn wel als een soort wormvormig aanhangsel toegevoegd zijn aan de Statenbijbel met een toelichting, dat deze boeken wel naast de H. Schrift gelezen kunnen en mogen worden en zelfs ook heel stichtend kunnen zijn. Maar of en hoe dat dan vanmorgen zou kunnen, dat moet nog blijken. Deze keuze van de Reformatie heeft te maken met het willen volgen van de joodse canon, d.w.z. dat men die boeken als canoniek aanvaardt, die oorspronkelijk in het Hebreeuws zijn geschreven. Dat is natuurlijk ook weer een aanvechtbaar criterium, want dan verbind je het Woord van God ook weer al te nadrukkelijk aan een taal en zeg je eigenlijk, dat God alleen maar Hebreeuws spreekt en dat alleen die hebreeuwse teksten geïnspireerde teksten zijn. En dat kan niet waar zijn, dacht ik.
Nee, de vraag moeten we, denk ik, iets anders benaderen. De vraag is niet of Judith geïnspireerde literatuur is, maar of het inspirerende lectuur is. Dat vermoed ik wel, want u hebt het al 8 weken volgehouden en vandaag bereikt de lezing een hoogtepunt, zo is u vorige week al beloofd, en nu vraag ik mezelf en u af, wat ook Maria zich afvroeg, toen het woord van de engel Gabriël tot haar was gekomen, “wat dit alles toch te betekenen heeft”.
Het is u inmiddels ook wel duidelijk geworden, dat we hier te maken hebben met een sage, een beeldverhaal, een metafoor of een sprookje. Als deze benamingen u niet aanstaan, zou ik ook kunnen zeggen, dat het  bemoedigings- of verzetsliteratuur genoemd kan worden. Er wordt een verhaal verteld om elkaar een hart onder de riem te steken. Judith is dan de personificatie van het Joodse volk en het Joodse geloof. Immers, juist in die Griekse tijd loopt het Joodse volk en het jodendom gevaar van de kaart geveegd te worden. Hoe kan dit kleine volk in de verdrukking overleven? Hoe kan het geloof in de ene God, de Hoge en Verhevene, die zich inlaat met een slavenvolkje en die als een vreemde eend in de bijt van het pantheon van de grootmachten beleden wordt als Heer der heerscharen en Heerser der wereld, temidden van de supermachten en supergoden staande blijven? Een God (godje), die maar alleen vereerd wordt door dat Joodse volkje aan de oever van de Grote Zee, al gedecimeerd door wegvoeringen en uitzettingen en ook nu – in het verhaal van Judith – weer aan de rand van de ondergang gebracht. Hoelang kan dat nog duren?
Als je je als volk zo nietig voelt, zo in het nauw gedreven, maar tegelijkertijd ook zo overtuigd bent van je bestaansrecht en roeping, zo gedreven bent om te overleven, vooral omdat je de Naam van de Ene hebt hoog te houden, dan ontstaan dit soort verhalen. Sterke verhalen, waarin de machtigen het onderspit delven en de kleinen overwinnen. Het is een vertelfiguur, die ook in andere delen van de Bijbel voorkomt. Denk maar aan David en Goliath, of de kleine Jozef in Egypte of de knappe Esther aan het hof van Ahasveros. In de verhalen zijn het vaak de vrouwen, die de stoere mannen te slim af zijn. En het zijn de sterke mannen, die zwak blijken in de armen van een vrouw, zoals ook Simson als was smolt in de schoot van Delila. Het is een kant van het verhaal, dat ook vanmorgen even onze aandacht moet krijgen, namelijk dat de schoonheid van de vrouw een verpletterende schoonheid is. In dit verhaal worden de rollen van de seksen omgedraaid. De sterke, potente man heeft niets in te brengen, - nee, inderdaad, ook letterlijk niet! – en de ontvankelijke vrouw, die geacht wordt alles over zich heen te laten komen, staat hier ineens haar mannetje en slaat haar slag. Misschien zit er ook nog wel een erotische lading in, als we het zo verstaan, dat het zwaard ook het symbool is van de fallus, die de man uiteindelijk fataal wordt. U begrijpt mij vast, als ik zeg, dat de man zijn hoofd verliest, zodra de vrouw zich meester maakt van het zwaard. Tot zover even de dubbelzinnige kant van deze vertelling en m.n. van dit hoofdstuk.
Maar nu wil ik graag nog even met u stilstaan bij een ander opvallend aspect en dat is het geweldsaspect in dit verhaal. Ook al nemen we het niet letterlijk als een historisch gebeuren, in de vertelling speelt dan toch geweld een centrale rol.  Zoals trouwens ook in veel stripverhalen, films, sagen en mythen, sprookjes en Roald Dahl-verhalen. En laten we de barre alledaagse werkelijkheid ook niet vergeten en andere bijbelse vertellingen, die geweld niet schuwen. Zo bezorgt de lezing en het aanhoren van dit verhaal ons een wat ongemakkelijk gevoel. Moet dat nou echt? zo is onze eerste reactie. We hebben tot op zekere hoogte misschien zelfs medelijden met Holofernes. En ook al hebben wij bewondering voor de moed en durf van Judith, we hebben ook de behoefte om haar af te houden van haar gruwelijke daad. Niet doen! Waarom moeten er altijd weer koppen rollen?
Maar we moeten wellicht één spade dieper graven: uiteindelijk gaat het – ook in dit verhaal – om de overwinning van en op het kwaad! Het gaat niet om de persoon Holofernes, maar het gaat om waar hij voor staat. Als ik die naam hoor, Holofernes, dan zie ik namelijk een monster opdoemen, een beest uit de afgrond,…en hij krijgt kosmische afmetingen en een apocalyptische uitmonstering: Holofernes! Ik weet niet of het etymologisch klopt, maar dat is nu even niet interessant, maar als ik zijn naam Holofernes hoor zie ik de “hele Inferno” opdoemen, als een schrikbeeld, als een totaalbeeld van alles wat kwaad, gevaarlijk, levenbedreigend, verwoestend, stampend en schuimbekkend de aarde onleefbaar maakt. En precies zo gaat het in de Openbaring aan Johannes, waar uiteindelijk afgerekend wordt met Babylon, symbool van grootmacht en waanzin ten top, weggedonderd in een poel van verderf…en aan de overkant horen we een lied weerklinken: Hoera! De overwnning is daar. Het kwaad en de dood zijn voorbij. Lang leve het leven!
Zo maakt ook Judith het kwaad en de bedreiging een kopje kleiner! Afgelopen nu, weg ermee. Nu is het over en uit!
Zo lees ik Judith vooral als een verlangen naar de ultieme bevrijding, als een uitzien naar een wereld, waar geen dreiging meer is van kwade grootmachten, waar vrede zal zijn en goedheid en geen gevaar.
Zowel in de Apocalyps als ook hier hebben wij te maken met symbolen. De overwinning van het kwaad kan alleen maar voorgesteld en verteld worden als een teniet-doen van het kwaad. En het zal dus niet gebeuren zonder slag of stoot. Maak je geen illusies. Anders kan ik het me niet voorstellen. Wil de wereld leefbaar worden, dan moet het kwaad eerst opgeruimd worden, hoe dan ook!
Toch hoor ik ook andere geluiden: er was eens een rabbi, die zei: Wie het zwaard opneemt, die zal door het zwaard vergaan. En er was eens een profeet, een ziener van jewelste, die zei: Niet door kracht en en ook niet door geweld, zal het geschieden, maar door mijn Geest.
En als we nog preciezer in dit verhaal blikken en aandachtig lezen, dan horen we ook hier dat er sprake is van deze andere weg. Hier verteld en aangewezen als de weg van het gebed. De plek om te bidden en het moment van bidden worden met een zekere regelmaat in dit verhaal genoemd. Het lijkt wel of de verteller wil zeggen: hier, in de verborgenheid, vindt het eigenlijke plaats. In het gebed zet je de grootmachten eigenlijk al te kijk en ontneem je hen hun macht, want je belijdt telkens weer: Laat komen, Heer, uw Rijk, want van U is het Koninkrijk en de macht en kracht en de heerlijkheid!
Door te bidden stel je je onder het gezag van de Ene en weet je: alles en iedereen is ondergeschikt aan Hem, die alle macht gegeven is in hemel en op aarde.
Weg met dat zwaard! zegt Jezus tegen Petrus – ja, dat is de kerk van alle tijden – want het gaat er niet om dat de mensen hun hoofd en hun oren verliezen. Immers, het is belangrijk dat ze blijven horen en daarom zet hij ons oor weer op de juiste plaats, zodat we kunnen horen: Hoor, Israël, de Heer onze God is de enige en je zult de Heer je God liefhebben met alles wat in je is en je naaste als jezelf. Heb je dat goed gehoord? Wie oren heeft, die hore! Amen.

God, die hoort en spreekt, ons aanspreekt en aanhoort, als wij tot U roepen vanuit ons gemis en verdriet, vanuit onze zoektocht naar zin en samenhang, bedoeling en bestemming: maak ons stil en fluister in ons oor lieve woordjes en kleine en grote geheimpjes. Als we de grote verhalen horen, de stoere mannen en slimme vrouwen ook vanochtend weer langskomen, dan kunnen we daardoor gauw van slag raken en het spoor bijster: neem ons daarom bij de hand en bij ons oor en laat uw Geest, de Geest van Jezus Messias, ons leiden, dan kunnen we niet verdwalen, Heer, hoor ons gebed.

Wij danken U, o God, voor uw meeslepend woord: moedgevend en toekomst scheppend, richting wijzend… Laat ons bidden ons bepalen bij wat wij geloven en waarheen wij op weg zijn en van waaruit wij handelen. Soms denken wij, dat wij uw toekomst wel met geweld kunnen forceren, dat de wereldvrede of het samenleven van buren en staten wel bereikt kan worden met bommen en granaten. Vervul ons en de politieke leiders van Israel, de Palestijnse staat, van de VS en andere landen met wijsheid en geduld en laat hem dromen van vrede en laat hen vredestichters zijn, ook al zal de vrede op aarde alleen maar fragmentarisch en voorlopig tot stand kunnen komen. Maar laat het een teken van uw toekomst zijn!
 Wij weten dat veel mensen verlangen en het niet te zien krijgen: de uitkomst van een langverwachte wens, de realisering van een lang gekoesterde droom. Wij weten, dat er mensen uitzien naar genezing en naar leniging van pijn en gemis, maar hun leven sleept zich nog voort in pijn en onvervuldheid: o God, hoor ons gebed, als wij een beroep doen op uw oneindige mogelijkheden, ook als de onze zijn uitgeput.
Wij bidden voor mensen in situaties, die uitzichtloos en pijnlijk zijn: mensen in armoede, mensen die lijden aan depressies en eenzaamheid, oude en jonge mensen, die gebukt gaan onder verliezen van vrienden, dierbaren of goede bekenden. – vandaag in het bijzonder voor de fam. van Theo Ramaker  en ook voor het personeel en de bewoners van de Argusvlinder- O Heer, hoor ons gebed.
Voor de overheden bidden wij U, in deze stad en in ons land. Dat zij dienstbaar mogen zijn aan het welzijn van allen, in het bijzonder van hen, die zelf geen kracht hebben om voor zichzelf op te komen, die hun leven niet zo goed kunnen leiden als vele anderen en daarom een beroep doen op de overheid. Dat zij niet vergeefs aankloppen en geen onverschilligheid maar betrokkenheid ondervinden, zo bidden wij U voor hen.
Laat de liefde ons leven regeren en maak ons vrij voor en tot elkaar, dat wij elkaar dienen in liefde en tegemoet treden met een open blik en een open hart. Laat de gezindheid van Christus Jezus onze harten en zinnen vervullen, opdat we waarlijk leven als kinderen van U, voor uw aangzicht, met vallen en weer opstaan, in de richting van uw Rijk, dat in Jezus verschenen en komt. Zegen de gaven die wij afzonderen voor diverse doelen en laat het bijdragen tot gerechtigheid, vrede en barmhartigheid in deze wereld, dat bidden wij U in Jezus’ Naam:
Hoor ons, als wij in stilte ons hart openen voor U:

J

K

L

M