Logo dsCH 

Bidden - waarom?

Woorden van uitleg en verkondiging op de ‘Bidstond voor gewas en arbeid’ op woensdag 8 maart 2017 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Prediker 2: 20-26 en Mattheüs 6: 19-21; 24-26.

Bidden – waarom?

Voor veel mensen in onze tijd – en daar horen we zelf ook bij – is het houden van een bidstond iets wat eigenlijk niet van deze tijd is. Kijk, vroeger, toen de mensen nog niet beter wisten en konden, was het begrijpelijk, dat men een biddag of bidstond uitschreef, want de oogsten waren onzeker en oorlogen lagen op de loer en stormen konden alles in één klap ongedaan maken.
Maar wij, wij leven in een andere tijd. Wij zijn meer mans en wij hebben vrijwel alles zelf in de hand. Waarom zouden we nog bidden? En trouwens, zo voegen kritische geesten er aan toe, wat heeft dat bidden ooit opgeleverd? Bidden helpt niet, dus waarom zou je er mee doorgaan.
Toch zijn wij vanavond hier gekomen om gehoor te geven aan de oproep te bidden, te bidden voor gewas en arbeid. Niet omdat wij doof zijn voor de soort opmerkingen en bedenkingen, die ik zojuist noemde. Niet omdat wij een soort koppige eigenwijsheid of bonkigheid willen uitstralen, die de indruk van onverzettelijkheid moet verbeelden. Nee, wij doen dit en wij houden de bidstond vol, omdat wij onder bidden iets anders verstaan dan de mensen, die tegen ons roepen dat bidden onnodig en overbodig is, omdat het toch niet helpt.
Twee bijbellezingen zullen ons daarbij tot gids zijn.
Het zijn twee tekeningen van ons leven, hoe het beleefd wordt en te verduren is. Allereerst is daar de Prediker, die zichzelf en zijn medemensen vooral ziet als zwoegers en zweters. De mens is buiten het paradijs beland in een oord van kommer en kwel. Daardoor ontstaat zelfs een afkeer van het leven: wat een getob, wat een idiote vertoning: ik werk me kapot om alles in orde te krijgen en dan denk ik ervan te gaan genieten dan vliegt alles in de fik of ik word zelf doodziek. Wat een waanzin eigenlijk. Is dat leven? Of ik kom te overlijden en al mijn bezit en alles waar ik voor gezwoegd heb moet ik nalaten aan mijn kinderen of aan anderen. Zelf heb ik er niks meer aan.
Ik denk dat veel mensen zich wel herkennen in deze Prediker: het leven van veel mensen is een opeenstapeling van geploeter en gezwoeg. Vooral wanneer mensen geen werk kunnen vinden of vroegtijdig ziek worden of gevoelige verliezen lijden dan is het leven een last geworden in plaats van een lust. Soms zijn mensen zo radeloos, dat zij de dood verkiezen boven het leven. Prediker begrijpt dat. Hij is even cynisch en zwartgallig als vele van onze tijdgenoten: het leven is leegte en gemis. Toch doet hij nog wel een oproep om er iets van te maken: Ga eens lekker uit je dak en maak er een feestje van, zoek wat vertier met een wijntje en een trijntje – misschien is het dan vol te houden. Het is als dansen op de rand van de vulkaan.
Hoe herkenbaar ook, toch niet echt bevredigend. Als we nu ons oor wenden naar de woorden van Jezus in de Bergrede, dan klinkt ons iets heel anders toe. Het gaat over hetzelfde leven, maar alles staat ineens in een ander licht. Er is nog steeds het zware werk, het gezwoeg en de teleurstellingen, maar Jezus zegt: maak je geen zorgen, wees onbevreesd t.a.v. de toekomst en leef in het heden. Wat zullen we eten en wat zullen we drinken en waarmee ons kleden?: het zijn de vragen naar de basisbehoeften. Kijk eens naar de vogels in de lucht, hoe ze zwieren en fladderen, zij vliegen flierefuitend langs de wolken  en zij hebben alles wat ze nodig hebben.
Deze woorden van Jezus zijn dikwijls misverstaan, alsof hij ons aanspoort om zorgeloos en voor het vaderland weg te leven. Of dat men denkt: nou, da’s lekker makkelijk gezegd, maar kom er maar eens om om dat in de praktijk te brengen. Ons leven is wel een tikkie zwaarder dan van die vogeltjes in de lucht. Het lijkt wat teveel op luchtfietserij...
Ik denk dat Jezus niet oproept om zorgeloos te leven, maar wel om onbezorgd te leven. Wij moeten zorgen, dat er brood op de plank komt, we moeten zorgen voor ons gezin en voor de samenleving, we hebben onze plichten en verantwoordelijkheden, maar uiteindelijk moet je dat alles ook kunnen loslaten en relativeren en erkennen: alles wat ik heb, heb ik ontvangen. Ja, ik heb er voor gewerkt, maar uiteindelijk is het een ‘gift’.
En nu kom ik nog even terug op het bidden. Bidden is niet allerlei dingen bij God gedaan zien te krijgen, maar het is het ontvangen van het leven uit de hand van God. Wij bidden niet om het dagelijks brood met een lege broodtrommel, maar met een volle. Terwijl wij gewerkt hebben voor ons brood en bij de bakker zijn langsgeweest en alles op tafel staat...dan bidden wij: “Geef ons heden ons dagelijks brood”. Het is het uitspreken van een dank, het is het articuleren van het besef, dat ons leven en ons brood een ‘gift’ zijn. Door te bidden geven wij er uitdrukking aan, dat wij het leven en alles wat ons toevalt, niet als willekeur of als ‘self-made products’ zien, maar als geschenk uit Gods hand, waardoor alles in een ander licht en perspectief komt te staan!
Dat is m.i. de zin en de bedoeling van een bidstond om ons dat te binnen te brengen: “Zing maar en bid, en ga Gods wegen. Doe wat uw hand vindt om te doen. Weet dat de hemel zelf u zegent. Wie zich op God alleen verlaat, weet dat Hij altijd met ons gaat”. (LB 905: 4).

J

K

L

M