Logo dsCH 

1 Petrus 2: 10-11a

Preek gehouden op de 4e zondag van Pasen, zondag Jubilate/de Goede Herder 11 mei 2014 in de Grote of Mariakerk n.a.v. 1 Petrus 2: 10-11a

Vreemdeling en ver van huis

In deze weken van Pasen verbazen en verwonderen wij ons wekelijks en dagelijks over wie wij geworden zijn: opstandingsmensen, toekomstmensen, gedoopten in de dood van Christus en met Hem opgestaan tot een nieuw leven.
Dat klinkt allemaal nogal verheven en ver weg – en in zekere zin is dat ook zo – en daarom is het goed om eens te horen – liefst uit de eerste hand – wat dit alles nu concreet betekent voor ons leven. Hoe heeft Pasen ons leven veranderd? Hoe staan wij in de wereld sinds Pasen?
Ik wil vanmorgen samen met u even aandachtig proberen te luisteren naar de apostel Petrus, die m.i. in een paar rake typeringen schetst, hoe wij als mensen van Christus in de wereld staan.
Hij spreekt uiteraard eerst tot zijn tijdgenoten en dat zijn de christenen in de verstrooiing, vreemdelingen verspreid over Pontus, Galatië, Azië en Bythinië, zeg maar grofweg het huidige Turkije – daar hadden zich de eerste groepjes christenen gevestigd, afkomstig uit de gemeenschap van Joden, maar ook afkomstig uit de wereld van de heidenen – de mensen, die zogenaamd nergens aan deden, zoals wij dan zo gemakkelijk kunnen zeggen. Maar dat is natuurlijk een onzinnige benaming, want ze deden wel degelijk ergens aan: zij vereerden de goden van hun tijd, zij geloofden in het Lot en de sterren en de keizer was hun idool en zij leefden een burgerlijk of ook wel een meer losbandig leven. Maar toen het licht van het Evangelie over hen opging, hetzij door de prediking van Paulus of van Petrus of van wie dan ook, toen ontdekten zij, dat zij in de duisternis leefden en dat zij vervreemd waren van God – en zo kwamen zij tot inkeer en geloof en vormden zij met elkaar die kleine, verstrooide gemeenten in die wereld van toen. Het evangelie had die eerste oren bereikt als een oproep tot ‘vreemd-gaan’: zij deden hartgrondig afstand van hun eerste liefde en bekeerden zich tot hun enige echte Minnaar!
Immers, het eerste wat Petrus hun nu zegt is, dat zij ‘geliefden’ zijn. Ik had het pas in GW over dat boek van Willem Barnard, getiteld “Lieve gemeente” – weet u nog? – en dat ik u ook vandaag zou aanspreken als “Lieve gemeente”, - bij deze, lieve gemeente! – maar ik denk, dat het dan teveel een kenmerk van onszelf wordt. En ook wat te zoetsappig: dat we allemaal zulke lieve en aardige mensen zijn en zo goed met elkaar omgaan enzo... “Lief” is dan een eigenschap van onszelf. Maar Petrus spreekt zijn gemeenten aan als “geliefden” en dat is net iets anders. Hij bedoelt: jullie wórden geliefd of bemind. Er is een hart, dat naar jullie uitgaat, er is Iemand, die jullie bemint. Wij zijn door God en Christus geliefden. Zijn liefde is allereerst naar ons uitgegaan en zo worden wij aangesproken. Dat is het eerste, dat ons bepaalt. Niet wij hebben Hem liefgehad, niet wijzelf zijn zulke religieuze mensen en zoekers en vinders, niet wij komen op het idee om een gemeente van Christus te vormen – nee, alles is begonnen bij die (op)zoekende liefde van God. Hij is begonnen! “Geliefden” zijn wij, d.w.z. door Hem beminden, daarin ligt ons eerste kenmerk verankerd.
Vervolgens typeert hij ons als ‘vreemdelingen, die ver van huis’ zijn. Omdat ik de NBV nooit zo helemaal vertrouw en ook nooit klakkeloos wil volgen, wil ik ook nu precies weten, wat Petrus hier nou schrijft en welke woorden hij gebruikt. En als u even meekijkt dan lees ik daar twee vreemde woorden, maar ook woorden, die  in het Nederlands terecht gekomen zijn en daardoor ook weer wat herkenbaarder zijn. Er staat te horen: jullie zijn “par-oikoi” en “par-epidèmoi”. In ons woord ‘parochie’ is dat eerste woord ‘paroikoi’ terug te horen en in ons woord ‘epidemie’ herkennen wij ‘par-epidèmoi’.
Wij vormen met elkaar een ‘epidemische parochie’ zouden we kunnen zeggen: een groep, die bij elkaar woont, maar wel een beetje apart, ernaast, zoals dat voorvoegsel ‘par’ wil aangeven en ook epidemisch d.w.z. verspreid, verstrooid, overal heengaand, niet op één plaats blijvend, maar zich zoals een epidemische ziekte – want vooral in dat verband kennen wij het woord – verspreidt.
De eerste christenen voelden zich niet thuis in de wereld: zij voelden zich misplaatst, outcasts, uitgekotst ook door de rest. Men keek op hen neer. Zij werden beschouwd als het uitschot van de samenleving, waar je met een boog om heen loopt. En waarom dan eigenlijk? Wat was er zo vreemd aan de christen? Wel, hij of zij deed niet meer mee met de offerfeesten, de verering van de keizer – en dat werd hun kwalijk genomen. Hij of zij was vreemdgegaan, afgeweken van de mainstream-weg. Men vond die eerste christenen eigenlijk ook wel staatsgevaarlijke lieden, die meer ontzag toonden voor de Christus dan voor de keizer.
Vreemdelingen, bijwoners, verstrooiden – een epidemische parochie in deze wereld vormden zij. We kunnen zeggen: ach ja, dat was toen, in die eerste tijd. Of hebben we het hier toch over een wezenskenmerk van de christen? dat hij vreemd is, vreemd in deze wereld, dat hij/zij een randfiguur is, iemand die vreemd wordt aangekeken, iemand die zich misplaatst voelt, niet thuis, ver van huis, niet op zijn gemak... Iemand ook die met wantrouwen wordt bejegend, want hij of zij ondermijnt eigenlijk de vaste orde en structuur van deze wereld.
Tussen toen en nu is er natuurlijk veel gebeurd en de kerk heeft zich steeds meer aangepast en zij werd zelfs een begeerde partner voor het keizerlijk bewind en zo raakte de kerk veel van haar vreemdheid kwijt. Ja, kleine groepjes deelden nog wel eens speldeprikjes uit naar de gevestigde kerk door zich als vreemden te gedragen, door nergens aan te willen meedoen, door zich te isoleren en zich te retireren uit de maatschappij (door nooit naar het theater te gaan, geen TV te willen hebben, zoals ook de Amish-people in Amerika) .
Wij vinden mensen, die niet geloven, niet naar de kerk gaan, nergens aan doen, zoals wij dan vaak zeggen, - die vinden wij vreemd en wij denken, dat zij een uitzondering zijn, die nog wat bijgepraat en bijgebracht moet worden. Maar, lieve gemeente, wíj zijn de vreemden: “Wonen overal nergens thuis, aarde, mijn aarde, mijn moeders huis”.
Verwondert u niet, als de wereld u haat, zegt Jezus. Verwonder je ook niet, als je vreemd wordt aangekeken, wanneer je zegt, dat je gelooft, bij die verstrooide kudde hoort. Dat hoort er bij, ja, dat hoort er wezenlijk bij.
Vreemd sta je er bij te kijken en als vreemde doe je mee...ja, je doet met alles mee, maar anders, want je weet: wij zijn wel in de wereld, maar niet van de wereld. Omdat we opstandingsmensen zijn, toekomstmensen, voelen wij ons als een kat in een vreemd pakhuis – dat pakhuis van de dood en het bederf, dat pakhuis van het oude-zijn, de oude wereld van voorbij, maar ook nog wel steeds springlevend...
Wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zijn op weg naar de toekomende, waarvan God zelf de Architect en Bouwheer is: pelgrims zijn we, altijd onderweg. Ja ook, als we altijd op dezelfde plaats blijven wonen, hetzelfde beroep blijven uitoefenen en naar dezelfde kerk zijn gegaan – maar vanmorgen staat Petrus – die vreemde apostel - ineens voor ons en schudt ons wakker en zegt: “hé, heb je je niet al te vast genesteld en zit je niet al te vastgeplakt aan je ingeburgerde bestaan, je vaste overtuigingen en voorkeuren, je leefpatroon en je geloof als hobby of als plakplaatje in je levensalbum?”
Weet, dat je vreemdeling en bijwoner bent geworden – en als je dat vergeten bent, word het dan opnieuw! Wees anders, wees vreemd!

J

K

L

M