Logo dsCH 

2 Samuel 12 (2013, Meppel)

Preek gehouden op de 3e Zondag van de Veertigdagentijd (Zondag Oculi = Ogen) in een dienst van Schrift en Tafel in de Grote- of Mariakerk (3 maart 2013) n.a.v. 2 Samuël 12: 16-25

STEEDS WEER ZOEKEN MIJN OGEN NAAR U

Steeds weer zoeken mijn ogen naar U. Deze woorden kleuren a.h.w. deze zondag en deze dienst. Om de klassieke benaming van deze 3e zondag in de 40-dagentijd nog even te noemen: het is zondag Oculi...en dat betekent “Ogen”, de ogen die voorkomen in Psalm 25. Het zijn de ogen, die gericht zijn op God. Het zijn dezelfde ogen, die David in de problemen hadden gebracht, want hij kon zijn ogen niet afhouden van de schoonheid van Bathseba. Het zijn de ogen, die zijn minnares zwanger ziet worden. Het zijn de ogen, die listig en gemeen loeren op Uria, de man van Bethseba, zodat hij sneuvelt in de strijd. Het zijn de ogen, die nu een onbekommerde toekomst voor zich zien: samen met zijn schoonheid en een kind: wat ziet de toekomst er rooskleurig uit! Het zijn de ogen, die het kindje geboren zien worden, maar het is niet levensvatbaar. Het zijn de ogen, die zich vullen met tranen en alles ziet er somber en troosteloos uit. Wat nu? Is er misschien nog een dokter, die helpen kan? Het blijft ijzig stil en David wendt zich tot God: Steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
Dat zoeken naar God, dat kunnen we bidden noemen. David bidt met zijn hele persoonlijkheid: hij doet niet anders dan zichzelf wegcijferen, zichzelf vernederen, in ootmoed bukken en knielen, ja languit  op de grond liggen en kruipen. Zou hij gedacht hebben God zo op andere gedachten te kunnen brengen? Dat God zou denken: nou, die David bidt nu zo serieus tot Mij en hij vernedert zich zo voorbeeldig, nu zal ik Mijn hand maar eens over mijn hart strijken en hem geven wat hij graag wil.
Bidden is moeilijk, vooral omdat we vaak wat scheve ideeën bij het bidden hebben. We denken vaak, dat we God op andere gedachten moeten brengen, maar misschien moeten we vooral zélf op andere gedachten komen.
Bidden is iets van de ogen: steeds weer zoeken mijn ogen naar U, zo klinkt het als een echo door deze dag. Bidden is kijken naar de werkelijkheid met een andere blik, een andere blikrichting. Bidden is niet een middel om dingen voor elkaar te krijgen, die anders niet gebeurd zouden zijn. Soms zeggen mensen wel eens: bidden is effectief...het helpt echt ...of anderen zeggen: bidden helpt niet. Ik ben er maar mee opgehouden. Zo maken we van het gebed een instrument naast andere middelen, die we gebruiken om een bepaalde situatie te verkrijgen. Maar zo verlagen we het gebed tot magie.
Bidden is iets van de ogen: steeds weer zoeken mijn ogen naar U. Als ik bid sluit ik mijn ogen om beter te kunnen zien waar het op aan komt. In ons dagelijks leven worden we door van alles en nog wat afgeleid: we zien de problemen waar we midden in zitten, we zien leeuwen en beren op de weg, die we misschien moeten inslaan, we zien een hoop, dat ons afleidt van onze roeping. Onze ogen stuiteren in ons hoofd vanwege alles in en om ons heen...we worden er dol en scheel van...en dan is het gebed een verademing en een rustpunt voor de ogen. Mijn ogen draaien weg van wat mij in beslag neemt, wat mij zorgen baart en wat mij verontrust...en ze zoeken naar God, naar het centrum van mijn bestaan, naar Hem, die mij kent en bemint, naar Hem, die weet wat het beste voor mij is.
Bidden is jezelf leren zien met de ogen van God.
David wilde natuurlijk graag dat zijn pasgeboren zoontje zou blijven leven. Maar God had blijkbaar andere gedachten met dit kind. Het is toch alleen maar vol te houden om in God te geloven, wanneer we ervan uitgaan, dat God het beste, het allerbeste met dit kind en met iedereen voorheeft. Er is een prachtige cantate van Bach, waarvan de titel luidt: “Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit”. Ik weet ook wel, dat deze gedachte weerstanden kan oproepen en vlak naast berusting in het lot kan liggen. Maar als we die bijwerkingen even links  laten liggen, dan is het troostrijk te weten, dat het kind niet beter werd. Niet beter? Het beste wat een mens ten deel kan vallen is geborgen te zijn in God, opgenomen in zijn tijd en bestaanswijze. Hoe vaak stamelen mensen niet de woorden: ja, het is toch goed zo...beter voor hem of haar. Ja, ik mis hem zielsveel, ik zou de wereld wel zevenmaal willen rondgaan om hem weer te zien...maar toch, mijn ogen zijn bestendig op U, o God en ik probeer te zien, al is het maar één ogenblik, in een oogwenk, dat niet wat ik wil het belangrijkste is, maar wat U wilt.
Dat heeft niets met gezapigheid en slaafse onderdanigheid te maken, maar met wijsheid. Jezus straalde precies hetzelfde uit, toen het lijden naderbij kwam en Hij zich geen raad wist. Hij zoekt zichzelf niet te bevestigen en in stand te houden, maar Hij wil zich voegen naar het plan van God. Niet dat hij daar een blauwdruk van had – en dat hebben we geen van allen – maar het gaat om het ten einde toe gaan van jouw leven, geen verraad te plegen aan jezelf, dichtbij wat je diepste drijfveren zijn blijven en daarin volharden: je weet diep van binnen dat dat de wil van God is en dat – wat er ook gebeurt – Hij daarin altijd bij je zal zijn!
En dan zien mijn ogen nog iets en dat is wat Paulus in Romeinen 4 schrijft: welgelukzalig is de mens, wiens onrecht is vergeven: de scheve schaatsen en het vreemd gaan, de ontwrichting van je leven en de balans, die een tekort laat zien – en dat die toch niet het laatste woord zullen hebben. Dat is de boodschap van genade, die ons onverwachts en onverdiend in de schoot valt.
Als wij straks met elkaar de Maaltijd vieren dan wordt het ook zichtbaar gemaakt: dat we allen delen in de liefde van God. We zien het gebroken brood en de wijn, die vergoten wordt, symbolen van de zelfovergave van Christus. Steeds weer zoeken mijn ogen naar U, want tot wie zouden wij anders heengaan? Gij hebt immers woorden van eeuwig leven!

J

K

L

M