Logo dsCH 

Ezechiël 18: 1-4

Preek gehouden op de 2e zondag van de herfst 28 september 2014 in de Grote- of Mariakerk n.a.v. Ezechiël 18: 1-4 (tevens viering van de Maaltijd van de Heer).

Wees wie je bent!

Spreekwoorden zijn vaak samenvattingen van ervaringen. Iedereen kent en gebruikt ze. Van de pot verwijt de ketel tot en met de appel, die niet ver van de boom valt. Soms kan een spreekwoord een dooddoener of een excuus worden. Dan kun je er eigenlijk zelfs door gevangen worden, bijv. als iemand wordt vastgeprikt op zijn verleden en men zegt: eens gestolen, altijd een dief. Dan heb je kennelijk alle vertrouwen verspeeld en kun je het nooit meer goed doen. Dan moet je je natuurlijk gaan afvragen of het wel een goed spreekwoord is. Klopt het eigenlijk wel en wordt het niet tijd dit spreekwoord weg te schrijven in het archief van tijdelijke en misplaatste spreekwoorden en gezegden?

Ezechiel gaat vanmorgen ook een gesprek aan met zijn volksgenoten over de vraag of het spreekwoord dat men zo gemakkelijk in de mond neemt nog wel klopt en waarheid bevat. Het spreekwoord, dat hij kritisch wil bespreken is: als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden.

De bedoeling van dit spreekwoord is wel duidelijk: de kinderen draaien op voor het wangedrag van de ouders. De kinderen zitten met de scherven en de gebakken peren, omdat de ouders zich misdroegen.

De vraag is natuurlijk niet alleen, of dit waar is…maar hoe zo’n spreekwoord functioneert. En welke gevolgen het heeft, als je zo denkt en redeneert.

Kijk, de mensen, die dit spreekwoord vaak in de mond namen, waren de mensen van Juda en Jeruzalem, die waren weggevoerd naar Babel. Ze zitten in ballingschap, ver van huis en haard, van tempel en eredienst. Ze voelen zich

ontheemd en van God verlaten. En als ze gaan nadenken over de vraag, hoe het zo ver heeft kunnen komen, dan wordt al gauw gezegd: ja, onze ouders deden de dingen verkeerd en verkeerde dingen en daarom had Juda uiteindelijk geen toekomst. Het was eigenlijk de schuld van onze ouders, zij hadden niet geluisterd naar de profeten en hadden niet tijdig hun levensweg veranderd. Zij aten onrijpe druiven…en nu zitten wij hier. Het is niet onze schuld, maar wij dragen wel de gevolgen van hun wangedrag.

Zo leidt dit spreekwoord tot zelfbeklag en fatalisme.

Maar daar komt Ezechiël en hij zegt: Luister nu eens goed…dat is wel een aardige spreuk, die jullie telkens in de mond nemen, maar vanaf vandaag gaat ‘ie de prullenbak in. Weg ermee!

Het klopt niet en het heeft eigenlijk nooit geklopt – vanaf nu is het afgelopen met je te verschuilen achter je ouders of achter je voorgeslacht. Ieder mens is uniek en heeft zijn of haar eigen verantwoordelijkheid. Jullie zijn nu wel in deze situatie terechtgekomen, maar ga niet zitten jammeren over mogelijke oorzaken en verwijten maken richting je ouders…maar “herpak u” zoals de Vlamingen zo mooi kunnen zeggen en maak er wat van. Leef!

In onze westerse samenleving lijkt dat niet zo’n nieuw idee, maar toch zijn mensen vaak de dupe van generaliseringen op basis van afkomst. In een wat verder verleden denk ik aan kinderen van ouders, die bij de NSB waren geweest. Of mensen, die vanuit een andere cultuur hier zijn komen wonen. We geven hen vaak het stempel van hun herkomst en we scheren vaak hele groepen over één kam. O, hij of zij is er één van die, kun je wel zien of horen...maar Ezechiel blijft herhalen: iedereen is verantwoordelijk voor zijn/haar eigen daden.

Dat betekent allereerst dat je opgericht wordt uit de rol van het slachtofferschap. Ook al is het zo, dat je vaak de gevolgen ondervindt van het

gedrag van je ouders – hoe bepalend is niet het gezin waarin je opgroeit, het milieu, de kerk, de beroepsgroep, de school , noem maar op – toch zul je zelf keuzes moeten maken en je vrij moeten maken van wat je als last of ballast hebt meegekregen. Hoe moeilijk dat ook is – zwaar soms en onmogelijk bijna – toch is het bevrijdend je eigen leven te ontwerpen en je achtergrond niet als excuus aan te voeren, maar als kans.

Zo wil Ezechiël in Godsnaam de onvrije en wegkruipende mens te voorschijn halen. Kom aan het licht, jij mens! Wees wie je bent.

Ik weet zelf wel uit ervaring, dat dat niet zo gemakkelijk is. Je losmaken van tradities en verbanden, die je gevormd hebben en waarvan je toch wilt loskomen, omdat ze niet passen bij jou. Hoe vaak gebeurt het niet, dat ouders hun kinderen op een spoor zetten van een bepaald beroep en dat later pas blijkt dat het niet klopt. Ik zag eens op TV een man, die huisarts was geworden, omdat zijn vader dat ook was. Het was vanzelfsprekend dat hij het ook werd en zo deed hij dan ook. Maar eigenlijk was het niet zijn eigen keus. Hij had altijd liever stucadoor willen zijn en nu heeft hij zijn praktijk opgedoekt en nu zit ‘ie in de bouw: je zag hem bezig als stucadoor en je kon zien hoeveel plezier hij daaraan beleefde.

“Weet dat alle mensenlevens Mij toebehoren”, zegt God. In bepaalde kerken en gemeenten wordt nogal eens onderstreept dat men een persoonlijke relatie met de Heer moet hebben. Anders zit het niet goed. Niet iedereen kan of wil daar zo vrijmoedig over spreken en sommige mensen voelen zich opgelaten als zo’n rechtstreekse vraag gesteld wordt. Vaak denken mensen, dat ze een bijzondere ervaring moeten hebben gehad, een religieuze belevenis. Dan is het bevrijdend en ontspannend te horen uit de mond van God zelf: “Weet dat alle mensenlevens Mij toebehoren”. Hij kent ieder mens, niemand uitgezonderd en

vanuit die kennis, die voor alles liefde is, ontstaat de mogelijkheid tot de ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid en individualiteit.

Tenslotte nog iets over die onrijpe druiven. De vaderen hebben onrijpe druiven gegeten. Dat zijn druiven, die men te vroeg oogst. Er blijkt ongeduld uit om te wachten. Misschien ook wel angst. Stel dat de wijngaard verwoest wordt door de vijand of door een storm. Dan hebben we niks. Maar wie onrijpe druiven gaat eten – geeft zijn of haar leven niet de kans om te rijpen. En wijn wordt het al helemaal nooit.

Zo zegt dit spreekwoord iets over een bepaalde mentaliteit, die ook in onze tijd zich sterk maakt: de gejaagdheid, het ongeduld om iets te laten groeien, het korte termijn-denken dat overheersend is en ook in de kerk ingang vindt. Terwijl het God begonnen is om de uiteindelijke oogst, die je in geloof en met geduld moet leren afwachten. En de druiven, die dan geoogst worden zorgen voor een fonkelende wijn, die verwijst naar de bruiloft van het Lam. Zalig zijn zij, die genodigd zijn – zalig zijn wij die genodigd zijn. Amen.

J

K

L

M