Logo dsCH 

Romeinen 8

PREEK N.A.V. ROMEINEN 8

Vandaag maken we een begin met de lezing uit de Romeinenbrief. Afzender de apostel Paulus, gezondene van Jezus Christus. Aan de gemeente te Rome, maar evengoed aan de gemeente van Meppel. We springen er zo maar in. Ik net zo goed als u. We staan ineens op de hoge duikplank en zonder aanloop springen we in het diepe. Wat we voelen is, dat het nat is en de temperatuur van het water is weldadig – en als we weer boven water komen en onze haren – voorzover aanwezig – hebben uitgeschud, zeggen we tegen elkaar: waar zijn we? Waar zijn we in beland?
Nou, we zijn terecht gekomen in een zee van gedachten en voorstellingen, ontsproten aan het hoofd en hart van iemand, die helemaal bezeten was van de figuur van Jezus Christus. De ontmoeting met die persoon had hem radicaal veranderd en hem tot een apostel gemaakt, een man altijd onderweg om mensen te inspireren, gemeenten te stichten, te bemoedigen, te vermanen. Kortom, iemand die het op het lijf geschreven was om uit te zoeken welke betekenis Jezus Christus had en heeft voor alle mensen, Joden en heidenen.
En dat deed hij door brieven te schrijven, aan gemeenten, aan vrienden. Brieven hebben altijd iets persoonlijks en hebben een adres en gaan in op een situatie. Een brief is natuurlijk iets anders dan een verhandeling of een betoog. Toch lijken de brieven van Paulus daar ook wel op: daarom vinden wij ze ook wel moeilijk en zwaar. Die moeilijke Paulus toch, mag het een ietsje minder en ook wat lichter graag. Paulus light! Kan dat?
Er zijn dus eigenlijk twee benaderingen mogelijk. Je kunt zeggen: let er op, het zijn brieven, geschreven in een concrete situatie. Dus daar moet je rekening mee houden. Denk niet, dat Paulus hier een uitgewerkte dogmatiek aan het schrijven is. Het is gelegenheidsliteratuur, dus probeer er niet meer van te maken dan er staat.
Dat inzicht is vooral de laatste decennia gegroeid. Want voordien werden de brieven van Paulus vooral gelezen als kant-en-klare geloofsartikelen, die je stuk voor stuk moest overnemen en beamen. Daarom heeft het ook zo lang geduurd, voordat vrouwen een erkende status in de gemeente kregen, omdat Paulus iets had geschreven in zijn brieven over de positie van de vrouw. De brieven van Paulus werden gezien als fundamenten voor een theologisch bouwwerk, dat voor eeuwen kon bestaan.
Nu denk ik, dat wij er goed aan doen om een soort middenkoers te gaan varen. De brieven van Paulus zijn meer dan gelegenheidsliteratuur, maar zij zijn ook weer minder dan onveranderlijke waarheid voor altijd. Ik zie het zelf zo, dat wij dankbaar mogen zijn, dat de kerk zijn brieven heeft bewaard en ze gevoegd heeft bij de geschriften van de canon – en ze dus als Heilige Schrift erkent. Maar al erkennen we Paulus hiermee als een leraar der kerk, wij hoeven ook weer niet alles van hem te slikken en te pikken. We hebben van hem zelf geleerd, dat ook wij door de Geest geleid worden en dat wij allen kinderen Gods zijn, dus mogen ook wij onze visie hebben en mogen wij op z’n minst vragen stellen.
En zo wil ik hem vanmorgen als gids en gesprekspartner opvoeren. We zullen goed naar hem luisteren, ja hem proberen uit te horen. Maar we moeten ons niet door hem laten intimideren; er moet ruimte zijn voor eigen inbreng en verwerking. Zoals dat ook eigenlijk altijd is gegaan. Of we nu Augustinus lezen of Maarten Luther of de Heidelberger Catechismus of Karl Barth of Willem Barnard – ze hebben zich allemaal laten inspireren door de grote Paulus, maar ieder weer op een eigen manier en ieder ook in zijn of haar eigen tijd.
En weet u, je zou het niet verwachten, maar de brieven van Paulus hebben mensen ook geïnspireerd tot dichten en zingen. Ja, misschien is dat wel de meest sprekende en persoonlijke vorm, die ook ons kan raken. Laten wij eens kijken naar Gezang 90 in ons Liedboek, een lied van Paul Gerhardt, een piëtistisch luthers predikant uit de 17e eeuw. Hij heeft dat gedeelte dat wij vanmorgen lazen en hoorden, het slot van Romeinen 8, ook gelezen en het raakte hem en hij heeft het verbonden met zijn eigen leven en geloven en zo heeft hij er wel 11 coupletten over vol gezongen. Laten wij de eerste 3 coupletten nu samen zingen, waarna ik nog een paar gedachten wil los- en oplaten over Romeinen 8.
Als we nu nog even willen verwijlen bij dat prachtige slot van Romeinen 8 dan valt het allereerst op, dat het begint met een vraag, een soort vertwijfelde vraag: Wat moeten wij hier verder over zeggen? Ik denk dat Paulus bedoelt: ik heb nu een heleboel geschreven. Het zijn nu al heel wat kantjes en ik heb ook heel wat kanten belicht, maar waar komt het nu uiteindelijk op neer. Of nog anders gezegd: waar leidt het toe en waar brengt het ons?
Kun je dat in één zin samenvatten? Dat zou mooi zijn, nietwaar? Maar dat gaat niet lukken, maar in één alinea en met een uitbundige uitsmijter komen we toch wel in de buurt. Ik zoek, samen met u, naar een samenvattende gedachte. Waar komt het nu eigenlijk op neer en op aan? En dat zou je er dan boven kunnen zetten. De nieuwe bijbelvertalers zijn niet zo kwistig meer met kopjes – ze zijn bang geworden voor verkeerde kopjes. Dan maar geen, hebben ze toen gedacht. In de oude Nieuwe vertaling stond er boven: de zekerheids des geloofs. Maar de vraag is of dat trefzeker is gezegd...en vooral: wat bedoel je er precies mee? De zekerheid van mìjn geloof? Nee, we zetten er niks boven. Dat roept maar misverstanden op en het drukt ook te veel op de eigenlijke tekst. En als dat gewicht te zwaar is dan komt zo’n tekst nooit meer in beweging en van de grond. Want, weet u, weet u waar ik eigenlijk aan zit te denken? Om dit laatste gedeelte van Romeinen 8 vooral te zien als een vlieger, die opgaat. Het moet niet zwaar op de grond staan; wij moeten er ook vooral niet op staan. Zo van: hier sta ik, ik kan niet anders. Dit is mijn standpunt! Nee, dit woord begint boven ons te zweven – we kunnen er eigenlijk niet bij, maar het heeft wel alles met mij en mijn toekomst te maken. Met een dun touwtje als een navelstreng ben ik er mee verbonden – noem dat uw geloof – maar het meest wezenlijke en eigenlijke ligt buiten mij, staat daar hoog in de lucht! Hoe zo dan? Waardoor dan? Is er dan geen reden om bezorgd te zijn, over je leven, wat er van terecht komt. En wat als ik sterf? Waar vind ik uiteindelijk mijn houvast in, waar kan ik van op aan? Er zijn zoveel dingen, die mij beangstigen en mij onzeker maken. Ja, ik weet het wel, zegt Paulus: als ik er even een paar opnoem, moet je maar zeggen of je daar ook onder gebukt gaat of bang voor bent. Bij voorbeeld: heb je er ook moeite mee, als je merkt dat je tegengewerkt wordt? Dat je tegenstanders hebt? Mensen die jou wel kunnen schieten? Of ben je bang, dat je aangeklaagd wordt? Mensen kunnen zomaar een aanklacht tegen je indienen, maar misschien denk je ook wel, dat God dat zou kunnen doen. Hoe kun je tegenover Hem je staande houden?
Maar dan noem ik ook nog andere dingen, die je voortdurend dwars kunnen zitten: tegenspoed, ellende, vervolging, honger of armoede – je bent je leven niet zeker; ziekte kan je zomaar overkomen en een ongeluk op de weg. En dan ben je ook nog overgeleverd aan het lot, de machten, die ons kunnen maken en breken: de dood die als een zwaard van Damokles boven ons hoofd hangt en een toekomst, zo onzeker als maar zijn kan. Kijk eens wat er in de wereld allemaal gebeurt en in je eigen leven en in hoeverre heb je er vat op? Zo is ons menselijk bestaan toch wel aardig getypeerd, vind je niet, zegt Paulus. Maar hoe houd je je nu staande? Moet ik iets doen? Moet ik iets geloven, moet ik er bepaalde opvattingen op na houden? Kom, vertel... En dan zegt Paulus: kijk naar de vlieger, hoog in de lucht. Er is iets dat aan ons leven voorafgaat en ons leven overstijgt en dat is de liefde van God...ja, die liefde is reëel en concreet, want die hebben we gezien in de persoon van Jezus Christus, ons zeer nabij gekomen. Niets en niemand kan daar tussen komen of ook maar iets aan veranderen. Laat dat je houvast zijn: dat je vastgehouden bent!
Toen ik in Italië op de dansvloer stond – u weet wel van die trouwerij daar, toch? - en in gesprek kwam met een jongedame, die in Florence studeerde en zij haar respect en waardering uitsprak over wat er die middag tijdens de huwelijksinzegening was gezegd en gedaan, toen ontwikkelde ons gesprek zich over de vraag, wat geloven nu eigenlijk is. Ik vind het allemaal mooi, zei het meisje, maar ik kan het allemaal niet geloven. Toen zei ik in navolging van Paulus: die zekerheid ligt ook niet in jou, maar buiten jou, in God zelf! Het is de shock en de verbazing, wanneer je merkt dat iemand verliefd op je is. En daar dan op durven ingaan. Er is niets zo excentriek als ons geloof! En daar kan dan niets en niemand meer tussen komen. Een prachtig gesprek was dat, bij een goed glas wijn..zo helder als glas. En dat te geloven wordt ons niet opgelegd of voorgeschreven, maar aangereikt, als een geschenk uit de hemel. Is dat niet mooi! Ja, vond zij ook...en zo scheiden zich onze wegen weer. Als u Paulus zwaar en moeilijk vindt, denk dan aan de vlieger hoog in de lucht. Als u het allemaal niet meer weet, als u onzeker bent over uw geloof en besprongen wordt door vragen en twijfels; als het leven u tegenzit en de dood u op de hielen zit, ga dan niet geloven tegen beter weten in of pochen op uw geloof en hard roepen: ik heb de vast grond gevonden of iets dergelijks. Nee, er is eigenlijk maar één begaanbare weg, temidden van alle doodlopende wegen, en dat is, dat je tegen jezelf zegt, - maar jij bent het niet die het zegt, maar God zelf, die zegt -: Ik heb je lief en niets en niemand kan dat van je afpakken! Dat kun je de zekerheid van dit excentrieke geloof noemen. Zo eindigt Paulus zijn hoofdstuk 8...en ik mijn preek. Nou, nog niet helemaal...want ik kan ook zeggen: hier begìnt het mee. Van hieruit leven wij, denken wij, hopen wij, hebben wij lief, ja handelen en wandelen wij. Daar ben ik zeker van! Amen.

J

K

L

M