Logo dsCH 

1 Korinthe 4

PREEK GEHOUDEN DOOR DS. CEES HUISMAN IN DE OECUMENISCHE WIJKGEMEENTE „HET ERFDEEL” TE MEPPEL (OOSTERBOER) OP DE 7e ZONDAG NA EPIFANIE 20 FEBRUARI 2011 N.A.V. 1 KORINTHE 4: 6-16 EN MATTHEUS 5 (SLOTVERZEN).

Paulus constateert een twee-deling, in de gemeente van Korinthe of tussen hemzelf en de gemeente. En dan komt hij met een paar typeringen op de proppen, die ook ons te denken geven. Want het gaat ons vanmorgen niet om wat daar nou precies in Korinthe aan de hand was, maar om wat wij horen met het oog op onszelf.
Paulus heeft het over mensen, die rijk zijn en alles bezitten. Over mensen, die zichzelf als koningen zien en zich ook zo gedragen: onafhankelijk en soeverein. Zij zijn van niemand afhankelijk en leggen aan niemand verantwoording af. Ook zijn de mensen verzadigd en hebben nergens behoefte aan.
Of deze typeringen nu alleen betrekking hebben op het religieuze of spirituele vlak of ook in materiele zin bepalend zijn, maakt misschien niet eens zoveel uit. We proberen het in brede zin te verstaan en gebruiken het als een kijkwijzer: kijk om je heen, kijk naar jezelf en zie of je iets herkent. Iets van opgeblazenheid en zelfgenoegzaamheid, iets van verzadigd-zijn en er genoeg van hebben.
Een paar jaar geleden verscheen een studie over de Nederlandse samenleving, hoe de mensen zich doorsnee opstellen en zichzelf en de ander zien en de auteur gaf het de titel mee: “Voorbij het dikke-ik”. Dat boek gaat niet over obesitas en overgewicht – dat is natuurlijk ook een probleem in onze maatschappij, dat m.n kinderen veel te dik worden. Nee, het gaat meer over het opgeblazen en zelfgenoegzame van mensen, die zichzelf overschatten en met niemand rekening houden. Alles draait om hen en o wee, als er hun iets in de weg wordt gelegd, dan ontploft het korte lontje. Het dikke ik cultiveert ook een dikke huid, waardoor men geen oog heeft voor de ander, voor zijn noden en behoeften, want men is alleen met zichzelf bezig. Als het dikke ik zich zou doorzetten zou de samenleving naar de vernieling gaan, want dan wordt het steeds meer: ikke, ikke, ikke, de rest kan stikke... Het gaat bij het dikke ik vooral om het hebben van dingen. Er is nooit sprake van genoeg, het moet altijd meer, nieuwer en anders. En toch laat het dikke ik- gedrag en -mentaliteit ook een gat achter: er zijn toch ook andere waarden, meer waarden dan de waren uit het warenhuis? Maar het denken daarover komt pas op gang, als men de beperkingen van het dikke ik onder ogen begint te zien. Waarden als vriendschap, hulpvaardigheid, trouw en verbondenheid komen dan om de hoek kijken en die zorgen voor een vermageringskuur van het dikke ik. Paulus ziet het oprukken van het dikke ik ook in de gemeente van Korinthe. Ook in spiritueel opzicht blaast men zichzelf op. Ze zijn gered en voelen zich onkwetsbaar. Ze misbruiken de boodschap van het heil in Christus Jezus om zichzelf ermee te verheffen en zich verheven te voelen boven anderen.
Dat was niet alleen iets wat in Korinthe voorkwam, dat komt overal en altijd weer voor. Dat gebeurt wanneer mensen elkaar de maat nemen over hun geloof. Geloof je wel echt en goed genoeg? De een denkt de ander daarover wel te kunnen beoordelen. Of wanneer men zo hoog wegzweeft in zijn of haar geloofsvreugde dat men de anderen verbijsterd nastarend achter laat. We zien het gebeuren wanneer mensen het geloof zelf tot een bezit gaan maken, dat je bij de hand hebt, vooral op momenten dat je het nodig denkt te hebben. Paulus houdt er niet van, als mensen zo hoog van de geloofstoren blazen. Je schept zo een twee-deling die funest is voor de gemeente, maar vooral ook: men verliest de ware aard van het geloof uit het oog. Want geloof is geen bezit of verworvenheid, niet iets wat je zelf moet kunnen of doen, maar het is een geschenk, van begin tot eind...een geschenk dat nooit een bezit wordt. En dat geldt in feite voor alles: alles is u geschonken! Als we daar eens wat meer bij zouden stilstaan dan was het snel afgelopen met zelfverheffing, opgeblazenheid en de geloofsheld uithangen.
Ons hele bestaan is ons gegeven. Ons bestaan is een gegeven, ja zo zou ik het ook kunnen zeggen. “Mag ik uw gegevens even?” kan men van achter een loket vragen...en inderdaad, zo is dat! Mijn gegevens zijn precies alles wat mij gegeven is. Alles, wie je bent, wat je kan en wat je bereikt hebt, heb je ontvangen, het zijn je gaven...dat is een gegeven. Dus, houd ermee op om er zo mee weg te lopen, erover op te scheppen en er anderen mee te kleineren. En als Paulus dan aan zichzelf denkt dan begint hij toch een beetje sarcastisch te worden: Nou, zegt hij, ik kan anders niet aan jullie tippen, hoor. Moet je mij zien...ik heb het niet verder gebracht dan als een dakloze behandeld te worden. Jullie zijn dan misschien wijs, ik ben maar een dwaas, hoor. Jullie zijn sterk en krachtig, maar ik voel me rot en zwak. Ja, ik zal jullie eens wat vertellen: uitschot ben ik, uitvaagsel van de mensheid. Ik moet mijn eigen kostje bij elkaar scharrelen, terwijl echte filosofen en predikers dat helemaal niet hoeven. Ik sta werkelijk te kijk voor een ieder die mij ziet en hoort. Wat een verschil met jullie, he?! Terwijl alles wat jullie zijn, geworden zijn dankzij mij. Ik ben eigenlijk jullie vader in het geloof....en kijk eens, hoe het geworden is: jullie verheffen je boven mij; jullie lijken veel verder dan ik. Ik sta hier met mijn voeten in de modder en jullie fietsen in de lucht! Zijn jullie nou gek of ben ik het? Ik denk – en ik het weet het eigenlijk zeker – ik denk dat Paulus zich dicht in de buurt van zijn Meester bevindt. Wat Paulus beschrijft over zijn eigen ervaringen, het veracht-zijn, het onbegrepen-zijn, hoe hij dakloos en weerloos over de wegen en door de straten gaat, dat lijkt wel erg veel op de weg van zijn Heer. Ook Jezus werd niet begrepen en werd uiteindelijk onbegrepen en bespot aan een hout gehecht: koning der joden werd hij genoemd. Ah, wat een koning is dat, zeg?! Paulus‟ leven en werken vertoont veel gelijkenis met dat van Jezus, is er gelijkvormig aan, zoals hij ergens in een van zijn brieven schrijft.
Maar er is nog iets en nu kom ik even bij de lezing uit het evangelie. In de bergrede spreekt Jezus over de reikwijdte en de diepte van de Thora en dat het niet gaat om een plichtmatig vervullen en uitvoeren van de letter van de Wet. Dat is eigenlijk zinloos en druist in tegen de bedoeling van God, de gever van alle goede richtlijnen. Als navolgers van Christus wordt van ons meer dan het gewone en vanzelfsprekende verwacht. Het is normaal dat je je vrienden liefhebt en je vijanden haat – daar is geen kunst aan – maar ik vraag van jullie: heb je vijanden lief, zodat er geen onderscheid meer is tussen je vrienden en je vijanden. Zodat alle mensen je vrienden zijn, dat vijandschap eigenlijk niet meer bestaat. En dat je bidt voor wie je vervolgen, zoals Jezus ook zelf deed, toen hij naar het kruis werd geleid: Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat zij doen. Paulus probeert dat ook in zijn leven waar te maken: hij zegent wie hem vervloeken en vervolgen en hij probeert een goed gesprek aan te knopen als hij uitgescholden wordt.
Als we gaan leven als kinderen van onze hemelse Vader dan is het afgelopen met het dikke ik, dan is er geen twee-deling meer, geen opgeblazenheid en jezelf beter of hoger achten, maar dan gaan we goed zijn voor iedereen, zoals God ook regent over goede en slechte mensen. Zo worden wij volmaakt, zoals onze hemelse Vader volmaakt is. Dat lijkt ons natuurlijk flink te hoog gegrepen, maar Jezus denkt daar zelf kennelijk anders over. Volmaakt – geen mens is volmaakt, zeggen we dan. Maar misschien vatten we dit woord dan te veel op als „perfect‟, zonder fouten of missers. Het gaat volgens mij om het inzicht, dat die eenheid en all-round betrokkenheid van God op alle mensen, dat wij daar ook iets van moeten hebben. Dat we ophouden de mensen in te delen in groepen en vakjes, maar dat we de universele mensheid op het oog hebben. De eenheid van God, d.i. zijn volmaaktheid, nodigt ons uit, ja spoort ons aan om ook zo naar elkaar en naar de volheid van de mensheid te kijken en
daaruit te handelen. Jezus heeft dat gedaan, Paulus is hem daarin nagevolgd en samen zeggen zij vandaag tegen ons: wie volgt? Tenslotte, over het liefhebben van de vijand is nog een aardige midrasj uit de joodse wereld bekend. Die gaat zo: Als koning David sterft komt hij aan de hemelpoort bij God en Abraham en Mozes en hij kijkt een eindje de hemel in en ziet daar tot zijn ontsteltenis en verbazing ook Goliath rondstappen. En geïrriteerd vraagt hij aan God: Wat doet hij hier? En dan antwoordt God, geprezen zij zijn Naam: Ik wil dat jullie vrienden worden!

J

K

L

M