Logo dsCH 

Johannes 2: 1-11

Overdenking gehouden op de 2e zondag na Epifanie “Kanazondag” in de avonddienst onder verantwoordelijkheid van de Raad van Kerken bij de viering van het oecumenisch avondmaal – 19 januari 2014 - in de Oude Kerk  n.a.v. Johannes 2: 1-11

De vertelling is tamelijk recht toe recht aan, een beetje in de kinderstijl van ‘en toen en toen’, wat misschien ook nog wel enigszins versterkt wordt door de wat alledaagse vertaling. Niets wijst er op het eerste gezicht op, dat dit verhaal meer is dan een vertelling uit het leven van Jezus. Het is veel meer dan dat.
Het is precies als het verschil tussen geometrie en stereometrie: het eerste heeft alleen lengte en breedte en vindt plaats op het platte vlak, het andere heeft ook diepte of hoogte, waardoor ruimte ontstaat en waardoor wij er ook zelf in kunnen bewegen.  Bij het eerste kun je de oppervlakte berekenen, bij het tweede de inhoud. Het eerste is ‘oppervlakkig’, het tweede heeft ‘diepgang’. Om dat laatste gaat het, dacht ik.
Anders blijven we hangen in het uitvoerig aandacht besteden aan  allerlei opmerkelijke facetten uit het leven van Jezus, waardoor wij de inhoud eerder verduisteren dan verlichten!
Zo kunnen we bijv. uitvoerig stilstaan bij het aanwezig-zijn van Jezus op een bruiloft en onderstrepen, dat hij ook graag feest vierde. Zie je wel, we hoeven helemaal niet zo benepen te leven en te denken - zet de bloemetjes maar gerust buiten en blijf ook zelf niet alleen maar binnen! Of: kijk eens wat een wonderdoener Jezus was: hij veranderde water in wijn, doe hem dat maar eens na! En zo moraliseren en fantaseren we langs de kern van het verhaal heen. En zo werpen wij ook een schaduw over het vertelde, onze eigen schaduw, waardoor het licht niet meer kan doorbreken.
Voor de diepzinnige evangelist Johannes is het historische gebeuren slechts aanleiding tot het onthullen van het eigenlijke, het diepere geheim van de persoon van Jezus de Christus. Het gaat hem er niet om om Jezus als een vreemde wonderdoener neer te zetten, maar om Hem te typeren als het Licht der wereld, de aankondiger en vervuller van de nieuwe toekomst, de nieuwe werkelijkheid.
Het is één en al vooruitlopen op het Koninkrijk Gods, wat hier de klok slaat. En in de tekst zelf vinden we daar ook allerlei aanwijzingen voor: het vindt plaats op de 3e dag, dat is de dag van de opstanding: Pasen! Ook de weg daarheen wordt aangestipt, als Jezus zegt, dat zijn ure nog niet gekomen is. Dat betekent niet: ‘even wachten, moeder, ik moet eerst nog even mijn soep opeten’, nee, die ure verwijst naar het uur van zijn lijden en sterven, naar het ogenblik van overgeleverd worden in de handen der mensen, het verwijst naar zijn sterven, dat Johannes tevens het uur van zijn verheerlijking noemt.
Een ander aspect is zijn koninklijke soevereiniteit, die hij uitstraalt: willen we daarin betrokken raken, dan zullen we moeten doen, wat Hij zegt. Indirect krijgen wij dat te horen, via zijn moeder Maria, zeg maar via moeder de kerk: dat zij zegt: “en wat Hij u zegt, doe dat!” In dit geval is dat de vaten vullen met water, d.w.z. leg je niet neer bij leegte en gemis, maar laat het leven vol worden van levensvreugde en aanstekelijke vitaliteit. Vullen en vervullen, vol maken en voltooien, dat zijn woorden, die horen bij de voleinding van de wereld.
En zo is dit verhaal vol van hoop en verwachting, van heenwijzing naar de toekomst van het Rijk van God, dat ook wel als een bruiloftsfeest wordt voorgesteld. Dat is de vurige hoop van de gemeente van Christus, dat God zal zijn alles in allen en dat de wereldgeschiedenis uitloopt op het Koninkrijk Gods, waar we allen zullen mogen aanzitten aan de Tafel van samen, waar Hij, Jezus de Christus, de Gastheer en schenker is: de schenker van leven, verbeeld in de bloedrode wijn, die nooit ophoudt te stromen.
En als wij straks mondjesmaat eten van het brood en drinken van de wijn, dan denken wij terug aan Kana, maar wij denken en zien ook vooruit naar de voleinding – en verleden en toekomst komen samen in dit ene ondeelbare eeuwige ogenblik: “Zie, hier ben Ik” en: “Ik ben met u tot aan de voleinding van de wereld”.

J

K

L

M