Logo dsCH 

Mattheüs 18: 1-5

Preek gehouden op de 12e zondag van de zomer 7 september 2014 in de Oude Kerk n.a.v. Mattheüs 18: 1-5 (tevens bevestiging van Anet Dunnink tot jeugdouderling en afscheid van vier ambtsdragers)

Het kind in het midden

Het leesrooster van deze zondag brengt ons juist vandaag bij het woord van Jezus: “Als je je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het Koninkrijk Gods niet zien of binnengaan”. Deze woorden hebben hun zeggingskracht op ieder moment van ons leven, maar misschien vandaag nog iets meer, omdat we vanmorgen een nieuwe jeugdouderling mogen verwelkomen: Anet Dunnink heeft gehoor gegeven aan de vraag om mee te werken in en leiding te geven aan het jeugd- en jongerenwerk in onze gemeente en wij zijn heel blij, dat zij dat doen wil. En ik hoop, dat haar bereidheid navolging vindt, zodat ook anderen denken: O ja, ik kan en wil ook wel mijn steentje bijdragen.

Het bijbelgedeelte van vanmorgen zet ons wel aan het denken en kan ons als gids dienen. Het begint met een vreemde vraag van de leerlingen van Jezus: wie is eigenlijk de grootste in het Koninkrijk Gods? Wie mag in die nieuwe leeforde de lakens uitdelen? Wie hebben daar de hoogste en beste posities?

Uit de vraag zelf al blijkt, dat zij niet in de gaten hebben, dat het Koninkrijk Gods van een geheel andere orde is dan wat wij nu aan werkelijkheid zien en beleven. ‘Koninkrijk Gods’ is precies de uitdrukking van het tegendeel van wat wij doen, denken en zien. Het is de omgekeerde wereld, de wereld op z’n kop! En precies in die geest ligt ook het antwoord van Jezus Hij zegt: een kind. Zie je dat kind daar, kijk, ik zet hem of haar hier even midden in de groep – een beetje verlegen en timide staat dat kind daar, een beetje frunnikend aan zijn

jasje en zijn lappenpop in z’n hand – “kijk”, zegt Jezus, “hij of zij is de grootste in het Koninkrijk Gods”.

Als je dus eens wat meer aandacht schenkt aan zo’n kind en er niet als een dolleman aan voorbijrent, want er zijn zogenaamd belangrijker zaken te doen dan spelen en dromen, dan blijft het Koninkrijk Gods nog vèr weg. Als je ook zelf niet wordt als een kind en weer onbevangen en argeloos in de wereld staat, als je niet ontvankelijk, blij en vrij kunt zijn, dan blijft het Koninkrijk Gods op grote, verre afstand. Maar als je wordt als een kind, dan is het rakelings nabij, dan kun je het aanraken, ...haast (bijna) en stap je binnen in een nieuwe werkelijkheid.

Soms denken mensen wel, dat deze oproep van Jezus ons aanspoort om vooral kinderlijk te blijven denken, spreken en geloven. Dat het een oproep tot naïviteit is. Maar dat is niet aan de orde. Jezus zegt niet, dat we moeten blijven geloven als een kind of zoals toen we kind waren, maar dat we moeten veranderen en worden als een kind. Je moet je een totaal nieuwe manier van kijken, denken en zijn zien eigen te maken. Probeer nog eens naar de wereld te kijken met de ogen van een kind. Stel nog weer eens van die onbevangen vragen. Ga nog weer eens helemaal op in je spel en vergeet jezelf en de tijd. Leef zonder rechten en zonder plichten, in volstrekte vrijheid en argeloosheid en laat het Koninkrijk Gods bij je binnenkomen als een ongedacht Godsgeschenk.

Jezus nodigt ons uit om daar ons best voor te doen – zo komt het Rijk van God dichterbij. Dat betekent ook, dat we goed naar kinderen moeten kijken en luisteren. Dat het een kind is, die de eredienst opent met de woorden: “wij vormen een open kring in het licht van Gods goedheid”, is al veelzeggend! Dat we de kinderen uitnodigen om vragen te stellen, zoals in de Joodse traditie dat enigszins geformaliseerd gebeurt in de Paasnacht: ‘waarom zijn wij vanavond

bijeen; waarom is deze nacht anders dan alle andere? waarom eten we deze matzes en eten we bittere kruiden?’ en dan kan de vader het verhaal van de Uittocht (Exodus) vertellen.

Maar dat zijn nog wat catechismus-achtige vragen, dat zijn vragen, waarop het antwoord al vaststaat of gegeven is, maar kinderen kunnen juist ook heel levensechte en uit verwondering voortkomende vragen stellen.

Onze zoon vertelde onlangs, dat zij tijdens hun vakantie in Frankrijk op een hoge plek stonden en een prachtig uitzicht hadden over het landschap en dat toen hun oudste dochtertje – ons eerste kleinkind – van 4,5 jaar ‘out the blue’ zei: “Pap, wie heeft dit allemaal bedacht?”

Als je dan alleen maar een zogenaamd pasklaar antwoord geeft en daarmee ook de vraag voorgoed wegspoelt dan sla je de plank mis, denk ik. Je kunt hier alleen maar stotterend en verwijzend op antwoorden en wel zó, dat de verwondering blijft! Zoals de Israëlieten in de woestijn bij het zien van het manna uitriepen “mannah?” d.i. (lett.)” wat is dit?” Ja, brood uit de hemel, Godsgeschenk etc., zeiden ze toen, maar wie dan wegloopt en zegt: “O, zit het zo. Bedankt voor de informatie”, die heeft het toch niet begrepen. Want de vraag èn het antwoord moeten in elkaar verweven blijven zitten als een kluwen verwondering: ‘wat is dit?’ ‘Wie heeft dit allemaal bedacht?’

De jeugdouderling en allen, die werken met jongeren, moeten deze en dergelijke vragen horen en de ruimte geven. Op latere leeftijd komen er weer andere vragen – dat zijn vaak weer vragen over de (reeds) gegeven antwoorden. Als zij in hun jonge jaren de verhalen van de schepping gehoord hebben, dan komen ze later op school in aanraking met de evolutie-theorie en dan stellen zij vragen. En daar moeten we op antwoorden en dan gaat het over het verstaan van de Bijbel en de verhouding tussen geloof en wetenschap. In mijn 20+ groep komen dergelijke vragen ter sprake.

Een andere invulling kan zijn, dat de werkgroep Jeugd en kerk zich bezint op de vragen, die opgeworpen worden door het onderzoek van het Sociaal Cultureel Plan Bureau, waar collega Wiert Sarolea vorige week over meldde op de voorpagina van GW. Een onderzoek dat de ontwikkelingen binnen en buiten de kerken in beeld probeert te krijgen door in de loop van jaren dezelfde vragen voor te leggen over wat men gelooft en welke religieuze plichten men nakomt of niet. De tendens is dat er een grote uittocht van jongeren uit de kerk is, maar dat degenen, die blijven strenger in de leer zijn dan hun leeftijdgenoten 10 of 20 jaar geleden. Er is sprake van een ‘her-traditionalisering’. Maar het probleem met dit soort onderzoeken is wel, dat men iets probeert te meten wat niet te meten is. Geloof is immers iets wat je hele leven omvat en doortrekt en niet het voor waar houden van een aantal onwaarschijnlijkheden of onbewijsbare stellngen. Geloven is een leef-woord, een werk-woord, hoewel het zelf geen werk is. Geloof is ook niet iets wat je toevoegt aan je rijtje verlangens, zo van: ik heb graag een goed inkomen, een leuk gezin, goede gezondheid, veel vrije tijd, fijn werk, een uitgebreide vriendenkring op FB en daarbuiten – en dan als laatste ook nog ‘een sterk geloof’. Ik denk dat geloof dan teveel wordt gezien als iets wat je kunt bezitten of als iets dat toegevoegd wordt aan je reeks bestaande goederen. Maar je geloof is geen toevoeging, maar je ‘alles’. Het is als die schat in de akker: de man verkocht alles wat hij had en kocht die schat. Hij had niets meer, alleen die schat. Het geloof voegt niet iets toe, maar verándert álles: je werk, je gezin, je vriendenkring, je vrije tijd. Het geloof maakt het mogelijk ‘alles te bezitten, maar dan ook alsof je het niet bezat’. Omdat het Planbureau daar geen weet van heeft en dit ook niet kan meten, daarom is het eigenlijk ook zo’n jammerlijk onderzoek, waaruit we dan ook niet teveel conclusies moeten trekken.

Ja, laten we er ook eens over nadenken, wat we met onze jeugd willen – of kun je dat eigenlijk helemaal zo niet zeggen? – liever: wat wil de jeugd zelf eigenlijk en hoe beleven zij hun geloof? Ook ‘onze’ jeugd – en ik heb het tussen aanhalingstekens gezet – is besmet met het ‘YOLO-virus’: You only live once! (Je leeft maar één keer) en hoe kom je daarover met hen – en met jezelf – in gesprek?

En dan over de zin en de inhoud van de kerkdienst. Wat is het eigene en eigenlijke van een kerkdienst? Moet het mooi en verantwoord zijn of moet het vooral leuk en gezellig zijn? Is een kerkdienst een evenement, waar je uit je dak gaat of is het een moment van inkeer en bezinning, waar een grote concentratie van mij verlangd wordt en waar je als jongere misschien niet zo’n behoefte aan hebt? ‘Toen ik een kind was sprak en dacht ik als een kind’, zegt de grote apostel Paulus, ‘maar nu ik volwassen ben kijk ik er anders naar en zelfs nu zie ik alles nog in nevelen en raadsels gehuld, maar één ding is zeker: ik zal eenmaal kennen, zoals ik zelf gekend ben!’ (1 Korinthe 13)

Anet en Rein en Sjoerd e.a., heel veel wijsheid en creativiteit, maar vooral veel geloof, hoop en liefde toegewenst in het nieuwe seizoen in het gesprek met de jongeren en hun ouders!

O ja, maar behalve dat we een nieuwe jeugdouderling krijgen vandaag, gaan er ook vier ambtsdragers weg uit de kerkenraad. Heel hartelijk dank namens de gemeente voor jullie werk en inzet en de voorzitter van de kerkenraad zal jullie straks nog even in het bijzonder bedanken.

Maar dat gaan én komen doet mij, tenslotte, denken aan een kleine anecdote uit mijn jeugd en het werpt volgens mij een ander en nieuw licht op onze manier van kijken en denken: iemand zei tegen mij: luister goed, jij bent vandaag buschauffeur. Hier zijn de sleutels en we vertrekken vanaf het station, waar meteen al 26 mensen instappen. Naar de eerste halte: er gaan er 9 uit en

er komen er 33 bij. Volgende halte: 28 stappen uit, 16 komen erin; volgende halte: 23 stappen er in en 19 gaan eruit. Vogende halte: 12 stappen uit en 27 stappen in. Pfffff...nou, zei hij toen: hoe heet de chauffeur?

Ik had niets anders dan zitten rekenen, maar hoe heet de chauffeur? Geen idee, zei ik. “Cees!” zei die man toen, “ik zei toch: jij bent de chauffeur vandaag!”

Zo zie je maar: we kunnen wel veel rekenen en tellen, maar het gaat vooral om de vraag: wat doe je zelf! Neem ook eens plaats achter het stuur!

J

K

L

M