Logo dsCH 

Tooi je feestelijk!

Overdenking als korte inleiding op de Cantate “Schmücke dich, o liebe Seele” van J.S. Bach (BWV 180) op zondag 12 november 2017 in de Grote of Mariakerk te Meppel n.a.v. Hooglied 5: 2-6a en Mattheüs 22: 9-12

Tooi je feestelijk!

“Schmücke dich, o liebe Seele”. Met deze vreemde, wonderlijke oproep begint deze cantate van Bach. In de aangereikte vertaling klinkt het als “Tooi je feestelijk, o dierbare ziel”. Maak je op, maak je mooi, doe je zondagse pak aan, want er staat iets bijzonders te gebeuren.
Maar wie zegt dat tegen mij? Nou, dat ben ik zelf! Of ‘mijn ziel’, ‘mijn lieve ziel’. Ik ben het zelf die mijzelf aanspoor om mij gereed te maken voor de ontmoeting met mijn Heer, die tevens mijn Geliefde is en die ik zal ontmoeten bij de viering van het Heilig Avondmaal. Niemand anders, anders niemand!
Van tijd tot tijd viert de gemeente het Avondmaal en in verschillende tijden is dat verschillend gevierd en beleefd. Bach had in zijn tijd te maken met het opkomende lutherse piëtisme, waarin alle aandacht uitging naar de wijze, waarop de gelovige deelnam aan de maaltijd. Deze cantate roept a.h.w. te binnen, waar je aan moet denken, als je deelneemt aan de viering van het Avondmaal. Realiseer je je wel voldoende, dat er een ontmoeting plaatsvindt met Jezus, die je niet alleen belijdt als je Heer, maar ook als je Geliefde? In de eerste aria wordt dat n.a.v. een passage uit het Hooglied naar voren gebracht. Het is een prachtig voorbeeld van de piëtistische bruidsmystiek, waarbij de gelovige ziel en Christus zich verhouden als en met elkaar omgaan als twee geliefden, die naar elkaar verlangen, lieve woordjes uitwisselen en uiteindelijk in een soort mystieke eenheid in elkaar zullen verzinken. En al is de teneur van de tekst soms ernstig en aansporend, Bach laat de muziek eromheen dansen en springen, want hij componeert zijn cantate a.h.w. op het ritme van de kloppende harten van de geliefden.
Het mooie van het piëtisme is, dat het de gelovigen probeert alert te maken op het bijzondere van het Heilig Avondmaal en het probeert hen aan te sporen zich daarop voor te bereiden en er jezelf voor klaar te maken.
Maar deze goed bedoelde aansporingen kunnen er ook toe leiden, dat teveel aandacht uitgaat naar de deelnemers en dat het geschenk-karakter van de Maaltijd uit het oog verloren wordt. De gelovige deelnemer wordt een vrome deelnemer, de arme tollenaar wordt een rijke jongeling of vrome farizeeër, die zichzelf heeft opgewerkt tot een waardige deelnemer.
Daarom krijgt ook de gelijkenis van het koninklijke feestmaal nog even alle aandacht. Daarin gaat alle aandacht uit naar de mensen, die je niet zou verwachten aan de Tafel van de Heer: de randfiguren en de zelfkant van de samenleving, de echte zondaars en tollenaars, het tuig van de richel en de mensen, die niet in tel zijn: zij mogen allemaal meedoen en krijgen een ereplaats aan de Tafel.
Vaste en gereserveerde plaatsen zijn er niet. Het Koninkrijk Gods is één en al dynamiek. Wie denkt: ik ga me zus en zo voorbereiden en mezelf verzekeren van een goed plekje, die komt bedrogen uit, want zijn eigen opsmuk wordt doorzien als een al te doorzichtig bruiloftskleed.
Wat werkelijk telt is niet mijn geloof, mijn mijzelf opgelegde verplichtingen en bij mijzelf opgewekte gemoedstoestanden, maar de eigen existentiële armoede, de lege hand, die gevuld wordt met de goedheid van God, die zichtbaar en tastbaar wordt in de gaven van brood en wijn.

J

K

L

M