Logo dsCH 

Openbaring 3: 11-13

Preek gehouden op de ‘laatste zondag van het kerkelijk jaar’:  Zondag ‘Christus Koning’ 24 november 2013 in de Grote- of Mariakerk n.a.v. Openbaring 3: 11-13 en Lucas 21: 5-19.

Wanneer dan einde-lijk?

Op deze laatste zondag van het kerkelijk jaar staan we er een beetje bedremmeld en onthutst bij. Als we de woorden van Jezus op ons laten inwerken, dan vergaat ons het lachen en staan we met een mond vol tanden te staren in een diepe afgrond, die misschien ver weg lijkt, maar o zo dichtbij kan zijn. Ja, dit is wel passende lectuur voor de laatste zondag: alles loopt op zijn einde, alles gaat op een einde aan en de enige vraag, die gesteld wordt is: wanneer zal dat zijn?
Maar al dreigen we misschien nu al weg te zakken in moedeloosheid en treurigheid, laten we vooral niet uit het oog verliezen, dat we deze berichten in het Evangelie te lezen en te horen krijgen en dat deze zondag niet alleen ‘laatste zondag van het kerkelijk jaar’ heet, maar ook ‘Christus Koning’. Dat wijst er op, dat er blijkbaar Iemand is, die er boven staat. Dat er Iemand is, die alles in de hand heeft en houdt, ook al lijkt het allemaal chaos te zijn en vinden wij, dat alles uit de hand loopt. Dan is het goed om dwars door alle verdrukking, angst en verlorenheid te horen: Christus is Koning. ‘Laatste zondag van het kerkelijk jaar’ brengt ons in een sfeer van eindigheid en teloorgang, terwijl ‘Christus Koning’ ons wijst op voleinding, op ‘dit is het laatste niet’, heft uw hoofden op:  Zie, Hij komt om de aarde te richten in gerechtigheid. “Wie is het, die daar komt in de Naam van de Heer?” Het is Christus, de Koning, de Koning der ere!
Nu ga ik geen donderpreek houden over de wederkomst des Heren en het einde der tijden, want dan zou ik al meteen de eerste waarschuwing van Jezus in de wind slaan. Want het wijzen op de kalender, het aanwijzen op de kaart van de wereld en de geschiedenis, dat is maar al te vaak gedaan en telkens weer liep het uit op een teleurstelling. Doe dat niet, heeft Jezus gezegd, maar let wel op je eigen tijd. Houd er altijd rekening mee, dat je leeft in het laatst der dagen. Weet, dat deze wereld een voorbijgaande wereld is.
Dat is een radicale gedachte! Als gezegd wordt, dat de wereld voorbijgaat, kun je misschien net zo goed zeggen, dat jij zelf voorbijgaat. Dat je een passant bent. Je bent een tijdje op de wereld, je maakt de wereld tot je huis, maar het is je thuis niet. Kijk maar wat er om je heen gebeurt. Kijk maar wat er met jezelf gebeurt. Ons leven op deze planeet is als een schaduw. We denken een vaste plek te hebben, maar in werkelijkheid reizen we in een duizelingwekkende vaart door het heelal – en je weet nooit waar en wanneer het einde er is: het einde van je eigen leven of dat van de wereld. In beide gevallen wordt pijnlijk duidelijk, dat er sprake is van een ‘voorbijgaan’.
Zo kunnen wij de aankondigingen van al die rampspoed op de lijn van de geschiedenis plaatsen en ons afvragen: wanneer zal de geschiedenis ten einde gaan? Maar wat wordt eigenlijk met ‘einde’ bedoeld? Stellen we ons dat einde voor als de opheffing van de wereld en haar geschiedenis: dat de aarde ophoudt te bestaan en dat alles vergeefs is geweest en voorbij? Of denken we bij dat einde eerder aan een einddoel, een voltooiing van hemel en aarde? In de vraag ‘wanneer zal het einde zijn?’ klinkt dan ook iets door van verwachting en hoop. Wanneer zal het eindelijk eens zover zijn? Het is een uitzien naar de geboorte van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid zal wonen. Nee, daar is de gerechtigheid niet ver te zoeken, maar die is daar thuis. En zo kan de apostel Paulus een vergelijking maken met de geboorte van een kind, de geboorteweeën zijn niet prettig en het is pijnlijk allemaal, maar uiteindelijk zal er vreugde zijn om de mens, die ter wereld komt. En daarom is het ook zo veelbetekenend, dat de laatste zondag van het kerkelijk jaar a.h.w. geruisloos – of toch niet geruisloos? – overgaat in de periode van Advent, waarin we uitzien naar de geboorte van het Kind van het Kerstfeest. Einde en einddoel vallen zo samen: het einde van de zwangerschap betekent tevens het bereiken van het einddoel ervan.
Maar nu staan we dan vandaag samen met de leerlingen van Jezus – en ook zelf als leerlingen van Hem – naar de tempel te staren: wat een schitterend gebouw! En dat Jezus dan zegt: er zal geen steen op de andere blijven en dit Godsgebouw zal met de grond gelijk gemaakt worden. En hij beschouwt dat als een teken van het naderende einde. En het is opvallend, dat in plaats van de eeuwige ‘Waarom-vraag’ vandaag ineens de ‘wanneer-vraag’ klinkt. Wanneer zal dat gebeuren dan? En uit de geschiedenis weten we dan, dat dat helemaal niet lang geduurd heeft: in het jaar 70 na Chr. is de tempel in Jeruzalem verwoest door de legers van keizer Titus en op een triomfboog in Rome is nog te zien, hoe dat overwinningsfeit is uitgebeeld en je ziet de gouden kandelaar meegevoerd worden. Is dat het einde niet? Nee, nog niet.
Wij kunnen misschien denken: ach, wat is daar nou zo erg aan? Er gaan zoveel gebouwen tegen de vlakte, eentje meer of minder maakt toch niet uit? Ik denk, dat we iets verder dan het gebouw op zich moeten kijken. Dit gebouw was sinds jaar en dag een verbeelding en bergplaats van het heilige, een vindplaats van God. Hoewel we wel kunnen zingen “Op bergen en dalen, ja overal is God” weet toch iedereen, dat er op deze wereld en in de gedachten van mensen bijzondere plaatsen zijn, waar God zich manifesteert. Sommige plaatsen zijn daarvoor bestemd en geschikt gemaakt. Alle plaatsen van eredienst en retraite kunnen dat zijn en wanneer zo’n plaats tegen de vlakte gaat of omgebouwd wordt tot supermarkt dan doet dat pijn in ons hart. Het heilige wordt dan weer profaan – het lijkt alsof God verdwijnt vanaf een plaats, waarvan ik dacht dat Hij daar woonde en nabij was. Hoewel we daarbij altijd moeten bedenken, dat – bij wijze van spreken – het heelal zijn tempel is...
De tempel in Jeruzalem was zo’n plaats, waar nu alleen nog een Klaagmuur van over is. Maar het is niet alleen erg, dat die plaats nu gemist wordt...het is een smet op de mensheid, die het op zijn geweten heeft gehad, toen...en telkens weer. Het zijn mensenhanden, die het heiligdom, het heilige afbreken en met voeten treden. Kijk, het gaat natuurlijk niet alleen en niet zozeer om het gebouw, maar om de minachting voor en de vertreding van het heilige. Wat is ‘het heilige’ dan? Voor het heilige bestaat een zekere schroom, een gepaste afstand, eerbied en ontzag: daar blijf je met je handen af! Want – en nu probeer ik het vervolg ermee in samenhang te zien – want als je het heilige niet meer respecteert betekent dat het einde van de wereld. Als niets meer heilig is is op den duur geen mens meer veilig, dan is de wereld een oord van verniksing en vernietiging. Eerbied voor God betekent eerbied voor mens en dier, voor de schepping, voor de geschiedenis, voor de toekomst.
Dat zien we duidelijk geïllustreerd aan Jezus zelf, dat Hij er ook zelf onderdoor gaat. Wat ze met Mij doen zullen ze met de tempel doen en wat ze met de tempel doen zullen ze met Mij doen, zei Hij. Als niets meer heilig is dan valt de wereld in duigen.
Zien we dat niet in iedere tijd gebeuren, ook in de onze? Vraag het aan de mensen op straat: wat is heilig voor u? Waar hebt u ontzag en eerbied voor? En zij zullen antwoorden: mijn vrije dag, mijn sigaar of mijn vrouw – en dat is al beter... Laten we het onszelf afvragen. Er zijn dingen waar we van af moeten blijven – Mozes doet zijn sandalen uit, als hij de Hoogheilige vermoedt in de brandende braamstruik, Elia omwindt zijn hoofd, als hij in de stilte de aanwezigheid van God bespeurt. Hebben wij die huiver nog voor bijv. beginnend leven en voor eindigend leven? Of denken we alles zelf ter hand te kunnen nemen? Waar is de eerbied voor de intimiteit tussen twee mensen en waarom wordt het geheim daarvan op straat gegooid?
Dat gebeurt - en ik bespeur dat deze interpretatie al gauw iets klagerigs en veroordelends kan krijgen. Maar dat is niet mijn bedoeling, want ik spreek u nu aan als nieuwe mensen, aangeraakt door de boodschap van het Evangelie, die niemand anders als hun Leidsman en Koning hebben dan Christus – tegen u en mijzelf zeg ik: Verlies de moed niet! Houd wat u hebt ontvangen als een schat in uw hoofd en op uw hoofd, ja gedraag u koninklijk en laat u niet in de war brengen door wat u om u heen ziet gebeuren. Want al is uw geloof nog zo klein en uw moed zo dun als de wind, de tijden razen aan u voorbij en de werldgebeurtenissen tuimelen over elkaar heen, maar zó manifesteert Christus zijn koningschap. Vreemd. Ja, dat klopt, want Hij is een vreemde Koning: hij heerst onder de schijn van het tegendeel, paradoxaal. Niets wijst er op, dat Hij de touwtjes in handen heeft: zijn heerschappij is die van het Lam, dat daar staat als geslacht. Zijn bewind heeft geen luister en geen franje, maar is één en al zachtmoedigheid en geduld.
En al wordt de tempel in Jeruzalem afgebroken en al wordt het heilige de tijden door met voeten getreden, ondertussen en daar dwars doorheen bouwt Hij een nieuwe tempel, d.i. het nieuwe Jeruzalem. Ik kom spoedig, zegt de Alfa en de Omega, en ik zal jullie maken tot een pijler in het huis van mijn God. Ja, u hoort het goed, als u het goed hoort...wij mogen steunpilaren zijn in dat nieuwe bouwwerk. En dat is een heel verantwoordelijke positie, want als je de pijlers weghaalt dan zakt het dak in en dan zijn we weer terug bij af. Standhouden dus, standvastig zijn...ja, op je plaats blijven, niet weglopen en je niet laten intimideren door wie of wat dan ook.
Wanneer zal dat zijn? God mag het weten...en Hij weet het ook!

J

K

L

M