Logo dsCH 

Hemelvaart

Hemelvaartsdag nodigt ons niet uit om te gaan zweven en met ons hoofd in de wolken te gaan lopen, maar integendeel om ons met beide benen op de grond te houden. En bovendien moeten wij bereid zijn om enkele stappen te zetten!
Stappen ergens vandaan en ergens heen. Hoezo dan?
Wel, dat lees ik af uit dat eerste zinnetje, dat Lucas schrijft aan het einde van zijn evangelie, als hij opheldering gaat geven over het afscheid van Jezus van zijn leerlingen.
Hij schrijft dan: “...en Hij leidde hen uit in de richting van Bethanië”. Dat lijkt op het eerste gehoor misschien alleen maar een geografische mededeling, iets waar we de landkaart bij nodig hebben. Wie dat interessant vindt moet dat dan vooral doen, maar blijf daar niet staan. Want het gaat er om, dat je in beweging komt en door Hem ‘uitgeleid’ wordt. Zoals ook het grote verhaal van God en zijn volk begonnen is met de Exodus of de uitleiding uit het slavenhuis van Egypte, zo is het ook hier: zijn leerlingen moeten uitgeleid worden, naar buiten, verder komen dan waar zij nu zijn.
Dat geldt ook voor ons, die eveneens leerlingen van Christus willen zijn. We moeten weggeleid worden bij allerlei misverstanden vandaan. Weggeleid van de gedachte, dat hemelvaart een soort ruimtevaart is. Wie alleen maar de blik op oneindig richt zet ook vaak het verstand op nul. Wie hemelvaart probeert te begrijpen in termen van melkwegen, universum of multiversum, astronomische afstanden en duizelingwekkende lichtjaren komt niet veel verder dan waar hij is: alleen op deze planeet en vol vragen in zijn of haar botte hoofd.
Dat is het eerste waar Jezus ons bij wegleidt. Maar wij moeten ook uit onszelf weggeleid worden: uit onze ik-gerichtheid en egocentrisme, uit ons denken, dat wij het middelpunt van de wereld zijn en dat alles om onszelf draait. Ook dat soort denken vertroebelt de blik op wat de hemelvaart betekent.
We komen pas verder, als we ons begeven in de richting (van) Bethanië. Daar gaat ons pas het licht op. En dat is vreemd en wonderlijk, omdat Bethanië de plek is die we zouden kunnen typeren als het ‘armenhuis’. Het is ook de plaats, waar de arme Lazarus op zijn uiterste ligt en van daaruit naar zijn graf wordt gedragen, wat niet zijn laatste huis zal blijken te zijn. Bethanië, huis van de armen, ja ook van de armen van geest, die door Jezus worden zalig gesproken. Als we daar zijn aangekomen gaat ons een licht op. Als we leeg zijn geworden en een open plek, als we onszelf beginnen los te laten en totaal zijn aangewezen op de hulp van de Ene en Enige, dan beginnen we te doorgronden wat hemelvaart betekent.
Dan beginnen we te zien, dat Hij het is die ons zegent. Die goede woorden over ons uitspreekt, die ons waardevol vindt en omarmt. Ja, Hij neemt ons op in zijn armen en draagt ons. Dat wordt over Hem verteld, dat Hij zegent en al zegenend van ons heengaat. Al zegenend ontstaat er een afstand, een verwijdering tussen Hem en ons, maar die afstand is niet ruimtelijk, ook niet gevoelsmatig, ook niet persoonlijk, maar die afstand is ‘tijdelijk’.
Laat ik het met klassieke termen proberen te verhelderen: wij zouden kunnen zeggen, dat Jezus met zijn hemelvaart de eeuwigheid ingaat. Maar dat betekent niet een soort oneindige tijdelijkheid, maar het is een manier van zijn, die alle tijden in zich bergt en omvat. In de eeuwigheid is geen voor en na, geen later en eerder en daarom is de hemelvaart van Jezus geen afstand van ons nemen, maar eerder een ons altijd nabij zijn. Zijn hemelvaart betekent, dat Hij alle tijden omvat en in iedere tijd present is als de Verborgene en als de Nabije.
En daarom is Hemelvaart iets paradoxaals: het is enerzijds verwijdering en afstand, maar die betekenen tegelijkertijd juist nabijheid en aanwezigheid.
Misschien begrijpen we dat niet op de hoogtepunten van ons leven; misschien staan we er niet bij stil in de kracht van ons leven en temidden van onze momenten van krachtpatserij en wanneer we vol zelfvertrouwen zijn...maar als het leven ons aan de grenzen van het zijn brengt, als we arm en berooid langs de weg liggen, zonder uitzicht onze dagen doorstrompelen op hoop van zegen; als ziekte ons lijf begint te tarten; als ouderdom ons levenshuis afbreekt, als de dagen grijze leegten worden...dan blijkt de Opgestane en Verhevene ons meer nabij dan wij wisten of konden bedenken. Dan komt de zegen van de handen van Hem, die ons verlaten heeft en zijn doorgang wordt ook voor ons een doortocht, een uitgeleide uit het slavenhuis van vervreemding, teloorgang en eenzaamheid en hemelvaart begint ook voor onszelf in zicht te komen. Jeruzalem, mijn vaderstad, mijn moederhuis, wanneer zal ik u zien? In u wil ik wonen en dat zal mij verheugen, vandaag en alle dagen van mijn korstondige leven, dat niettemin ons geschonken is voor eeuwig en niet verloren zal gaan, omdat het gezegend is door Hem, die ons is voorgegaan.

Gebeden
Wij danken U, o God, voor deze feestdag, waarvan wij de diepte en hoogte maar moeilijk kunnen bevatten. Maar laat één ding ons mogen verheugen, dat wij gezegend zijn en dat Jezus de Christus, die ons in het vlees nabij geweest is, ons nu in de Geest nabij is en dat Hij ons vertegenwoordigt bij U.
Maak ons stil en verwachtingsvol en vervul ons met uw Geest van verlangen en hoop, van uitzien naar uw toekomst, waarin U alles in allen zult zijn.
Voor de wereld in nood bidden wij U: waar rampen en onheilen zich voordoen en mensen vaak ten einde raad zijn: ontferm U over deze wereld en laat niet los het werk van uw handen. Laat uw kerk over de hele wereld een licht in de duisternis mogen zijn en laat haar handen de handen van U zijn en haar woorden de woorden van U.
In stilte vertrouwen wij U toe wat op ons hart ligt....

J

K

L

M