Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Ook plaats ik hier korte inleidingen of publicaties (in het kerkblad), een vertaalde preek van Paul Tillich en andere beschouwingen. U wordt uitgenodigd om ook daarop te reageren.

Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

zondag, 11 augustus 2019 15:13

Preek gehouden op de 8e zondag van de zomer 11 augustus 2019 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Lukas 16: 19-31

 

Het smalle Lazaruspoortje

 

Daar is hij weer. Twee weken geleden kwam Lazarus ook langs en vanmorgen weer. Is het dezelfde of een andere? Die van vandaag komt voor in een vertelling, een gelijkenis van Jezus en daarin gaat het altijd over figuren, die een type voorstellen, bijv. een farizeeër, een tollenaar, een man onderweg, een rijke man, een arme man. De arme man heeft een naam, alle andere figuren in de gelijkenissen niet. Lazarus heet de arme man: God is mijn hulp, precies zoals wij nog zondag aan zondag de kerkdienst beginnen: Onze hulp is van Heer! Zo staan wij daar als arme bedelaars voor Gods aangezicht.

We kunnen ook denken, dat Lazarus een soort collectivum is, een aanduiding van alle armen, die je Lazarus kunt noemen. Het lijkt dan een eigennaam, maar is het eigenlijk niet, zoals Jan Rap, Jan Splinter e.d. Het zijn meer typeringen. En zo is Lazarus niet zozeer een individu, maar staat hij voor alle armen en voor allen, die naamloos en roemloos gestorven zijn.

De Jezus van Lukas heeft een zwak voor de armen en de zieken. Lukas hoort Jezus de armen zalig spreken en zo is dit verhaal van vanmorgen daar a.h.w. een illustratie bij.

Maar begrijpen we het plaatje goed? Dat is altijd weer een spannende vraag. Waar letten we vooral op en welke accenten brengen we aan?

Er is bijv. een moralistische benadering, die vooral wil weten: wat is de moraal van dit verhaal? Er is een piëtistische benadering, die vooral de nadruk legt op een innerlijke bekering en Lazarus als toonbeeld van de ware vrome ziet. Ik kwam zo’n interpretatie onverwachts tegen, toen ik geschiedenis studeerde en in die periode ook oude handschriften moest leren lezen. Een docent schotelde ons een middeleeuwse tekst voor en we probeerden de zinnen te ontcijferen: het bleek een preek te zijn, die over Lazarus ging en een zin die mij altijd is bijgebleven was deze, dat de prediker tot zijn toehoorders had gezegd: wij zijn allen Lazarus!

Anderen zullen vooral aandacht vragen voor de vraag wat er na de dood met een ieder van ons gebeurt. Deze gelijkenis beschouwt men dan als een soort topografie van het hiernamaals.

Ook kan vooral gelet worden op het slot van het verhaal, dat men genoeg zou moeten hebben aan Mozes en de profeten en dat wanneer iemand uit de doden zou opstaan, dat dat geen enkel effect zou hebben op het leven van mensen.

Dat zou dan weer verbonden kunnen worden met wat de evangelist Johannes vertelt, wanneer hij als enige de opwekking van Lazarus verhaalt – en daarmee a.h.w. voortborduurt op het slot van deze gelijkenis - Zo zijn er vele manieren om dit verhaal te benaderen en alle invalshoeken hebben op zichzelf een bepaalde waarde en zeggingskracht.

Ik kies vanmorgen voor een andere, eigen invalshoek en dat is deze: ik zie het verhaal vooral als een poort. Ik kom daar op, omdat er in Gouda, mijn geboortestad, een poort staat, die het Lazaruspoortje heet.

Het poortje, ja inderdaad, het is maar een klein poortje, een smalle poort, staat nu achter de St. Jan en geeft toegang tot het Catharina Gasthuis, het stedelijk museum. Maar vroeger stond het ergens anders in de stad en was het de ingang naar het leprozenhuis. 400 jaar geleden leden veel mensen aan die ziekte, vooral armen en zwervers en die moesten eigenlijk geïsoleerd worden en zo leefden zij vaak buiten de gemeenschap, in een lazaret. Als ze op straat kwamen moesten ze met een klepper geluid maken en ze waren ook herkenbaar aan een bepaalde kleding. De twee figuren aan de zijkant zijn leprozen.

Als je het poortje nadert dan moet je wel recht omhoog kijken. En wat je dan ziet is een rijk gedekte tafel en de vijf broers van de rijke man. Hij zelf, de hoofdspersoon van het verhaal, komt er ook aanlopen. Hij is net even in de keuken geweest om nieuwe voorraad voedsel op te halen, zo te zien een geurend stokbrood o.i.d.

Ik sta even stil onder de poort en ik kijk nog eens goed naar die tafel en het gezelschap en ik denk: Ja, ik ken die mensen. Het zijn die lui van de grachtengordel, die strak in het pak en met dito dames een leuk leventje leiden, vol glitter en glamour.

Hé, wees niet zo kortzichtig, hoor ik in mijn jaloerse oor, neem een klein beetje afstand en je ziet ook jezelf zitten. Kijk maar, daar..daar zit je zelf!

In het midden…ja precies, dat is de plaats waar iedere rijke zit. Hij of zij plaatst zichzelf in het middelpunt van de wereld. Alles en iedereen wordt benaderd vanuit een egoïstische blik. Wat levert het mij op? Wat heb ik er aan? Hoe kan ik overleven en hoe kom ik aan mijn trekken en hoe heb ik een leuk en aangenaam leven?

Maar er is nog iemand te zien. Het lijkt wel Niemand te zijn: hij heeft geen baan, geen sofinummer, geen paspoort, geen adres, geen verblijfsvergunning…hij ligt aan de deur van het huis van de rijke. Hij wordt niet gezien. Hij is niet gezien. Hij ligt in de weg; hij is vies, hij stinkt. Rijke man, heb je hem wel eens gezien of met hem gesproken? Nee, zegt de rijke man, ik ken die mens niet. Weet u misschien hoe hij heet? Nee, zegt de rijke man, geen idee. Volgens mij heeft hij geen naam: hij is een soort naamloze zwerver.

En, zo vraag ik aan Lazarus, kunt u hier overleven? Blijft er wel eens iets over van de tafel van de rijke? Kruimels of brokjes misschien? Nee, zegt Lazarus, de honden zijn mij voor. Ik kom hier om van de honger en ik sterf van ellende. En als ik doodga, wie zal mij begraven?

Zo sta ik te mijmeren als ik omhoog kijk. En wat ik te zien krijg is onthullend en onthutsend. Ik begin me af te vragen: waar ben ik mee bezig? Wie ben ik en waar sta ik in dit verhaal? Ben ik de rijke man? Of herken ik mijzelf ook in Lazarus?

Misschien moeten we de blik nog verder omhoog richten, want daar zien we, helemaal bovenaan, Lazarus opnieuw… ja, zo kunnen we het wel zeggen: de nieuwe Lazarus in de schoot van Abraham…bij Abraham op schoot. Dat is een prachtig beeld van rust en vrede, van genoegdoening en tevredenheid. Een plek van je aanvaard weten en tot rust komen, tot je uiteindelijke bestemming. Alle ontberingen voorbij, het genegeerd worden voorbij: hier kom ik tot mezelf – hier ben ik wie ik wezen mag, een gekend en door God bemind mensenkind.

Lazarus is gestorven…nee, hij was nog niet oud. Hij is gestorven aan uitputting, van de honger en de dorst, zoals miljoenen mensen op deze aardbodem te vroeg sterven. Nee, een begrafenis of crematie zit er niet in…te duur…hij wordt in de grond gestopt en gauw vergeten. Of in een massagraf gelegd…zo gaat dat met de armen van deze wereld.

Dat is wat we zien…maar wat we niet zien, maar te horen krijgen is, dat Lazarus wordt weggedragen tot in Abrahams schoot. Gods hart gaat uit naar de armen van deze wereld en Hij zal ze geven wat ze nodig hebben.

Veel en veel later…als nooit meer iemand over Lazarus spreekt of hem zelfs maar herinnert, sterft ook de rijke man.

O, wat een gebeurtenis is dat: het staat in de krant en het is op televisie te zien. Een grootse begrafenis: plechtig en indrukwekkend en zijn verdiensten worden breed uitgemeten. Over zijn feesten en partijen en hoe gul hij altijd was voor zijn vrienden en vriendinnen.

Dat is wat wij zien, maar wat we te horen krijgen is, dat de rijke man arm is en zielig. Hij heeft meelij met zichzelf…o, wat ben ik er nu ellendig aan toe…en jij, Lazarus, zie ik dat goed, lig jij daar nu te genieten van rust en vrede? Kom over en help mij!

Nee, dat kan niet, zegt Abraham, die kloof is te diep. Stuur Lazarus dan naar mijn broers, dat ze zich zullen bekeren en niet hier zullen komen.

Nee, dat is ook al geen mogelijkheid en als het al zou kunnen, zou het ook niets opleveren. Ze hebben Mozes en de profeten!

De verleiding is groot om nu te gaan speculeren over hoe het er in het hiernamaals, zoals we dat ongelukkig noemen, aan toe gaat. Over eeuwige straf en beloning en dat dat onherroepelijk is en zo.

Als die realiteit er is – en ik geloof dat die er is – dan wordt daar ons hier over verteld om de ernst van het leven hier en nu te onderstrepen en ons aan te sporen te leven, zoals ons hier wordt voorgehouden, nl. volgens de richtlijnen van Mozes en de profeten, of nieuwtestamentisch gezegd: in navolging van Jezus, de Christus.

In deze gelijkenis maakt Jezus ons duidelijk, dat de dood niet het einde van ons leven is, maar de onthulling ervan. Als in een ogenblik zien we wat ons leven in de kern geweest is – en nog is – egoïstisch, alleen maar oog voor eigen geluk en heil – of …misschien arm in de ogen van de wereld, maar rijk in God.

Waarom is de rijke man in wezen ongelukkig en voelt hij zich uiteindelijk rot en onvoldaan? Omdat hij Lazarus niet ziet en niet kent of wil kennen, zich voor hem afsluit.

Is er nog hoop voor de rijke man? Ja, want Jezus vertelt geen verhalen om mensen aan hun lot over te laten of om mensen vast te pinnen. Integendeel. Iedere gelijkenis en vertelling is bedoeld als ‘eyeopener’ en om anders te gaan leven. Wanneer hij luistert naar Mozes en de profeten en oog krijgt voor Lazarus aan zijn poort, dan zal de rijke man een licht opgaan. Ik ben ervan overtuigds, dat de rijke man nooit zonder Lazarus in de hemel zal kunnen komen. Zolang de rijke man geïsoleerd en op zichzelf blijft leven zal het leven een hel zijn voor mensen als Lazarus en ten diepste ook voor de rijke man zelf.

Zodra het hart van de rijke ontbrandt in liefde en barmhartigheid voor Lazarus zal Abraham tot hem zeggen: kind, ook jij bent een kind van God, kom hogerop en leef en kom tot leven…want het leven dat jij leidde, zo zelfvoldaan, zo egoïstisch, zo los van de werkelijkheid om je heen, dat mag geen leven heten.

Ik kijk nog eens omhoog en zie daar Lazarus in Abraham’s schoot. Is dat Lazarus wel, is dat Abraham wel? Het lijkt wel of ik Maria zie en in haar schoot de gestorven Christus, ja, het lijkt wel een ‘piëta’. Ik denk dat de ontwerper van deze verbeelding die twee taferelen ineen wil laten vloeien om te laten zien, dat Jezus zich identificeert met iedere arme en dat wanneer Jezus ons vraagt wat wij gedaan hebben voor Lazarus, dat hij dan zegt: alles wat je voor hem gedaan hebt, heb je aan Mij gedaan.

 

 

 

 

maandag, 05 augustus 2019 09:06

Themadienst over “Jozef en zijn broers” van Thomas Mann in de middagdienst van de Protestantse Gemeente te Heusden op 4 augustus 2019 n.a.v. Genesis 40.

 

Jozef als droomuitlegger

 

Vanmiddag wil ik graag samen met u stilstaan bij het bekende en mooie verhaal van Jozef. Ik kwam daar op, omdat ik tijdens mijn vakantie de prachtige roman van Thomas Mann hierover in Ned. vertaling herlezen heb. Na een inleiding over de plaats van dit verhaal in Genesis en in de canon van de Schrift wil ik na een orgelmuziek-intermezzo een fragment uit die roman voorlezen.

Wij luisteren nu naar de brontekst uit Genesis 39/40, gelezen door de lector.

 

De plaats en betekenis van het Jozefverhaal in Genesis en in het geheel van de Schrift

Het Jozefverhaal is een veelkleurig en veelbetekenend verhaal. Het laatste gedeelte van het boek Genesis wordt er in ruime mate door in beslag genomen. Als een novelle ontrolt het verhaal zich in de richting van de ontknoping, die meteen het einde uitmaakt van het boek Genesis en tegelijk de opmaat vormt naar het boek Exodus.

Het is merkwaardig en vreemd op te merken, dat het boek Genesis zo kosmisch en globaal begint door de schepping van de hemel en de aarde als een grootse ouverture voorop te plaatsen om de geschiedenis van de mensheid een aanvang te laten nemen – en dat we dan aan het einde van het boek terecht zijn gekomen in een familiedrama, dat uiteindelijk toch een lach en een traan weet te ontlokken en dat zo het begin van Israël in de grondverf wordt gezet, dat zich echter bevindt op vreemde bodem, ver van huis. Of ze daar ooit zullen wegkomen is het thema geworden van het boekje Exodus, zoals u weet.

Maar vanmiddag willen we het hebben over de novelle of de strekenroman van Jozef en zijn broers. En hiermee refereer ik meteen aan de titel van die zeer lijvige roman van Thomas Mann, getiteld ‘Joseph und seine Brüder’, dat in vier delen verschenen is in de jaren 1922-1943 en dat enkele jaren geleden ook in het Nederlands vertaald is onder de titel ‘Jozef en zijn broers’.

Het boek heeft me altijd gefascineerd en geïntrigeerd. Ik heb er voor het eerst mee kennis gemaakt tijdens mijn verblijf in het seminarie als deel van de opleiding tot predikant, waar een van de docenten ons bijeenriep om samen stukken uit ‘Joseph und seine Brüder’ te lezen en te duiden. In de pastorie, hier in de Pelsestraat, heb ik die roman toen helemaal gelezen en het liet een diepe indruk op mij na.

Onlangs heb ik de Nederlandse vertaling nog eens uitgelezen en mijn bewondering voor dit enorme werk, voor deze schitterende roman, is alleen nog maar toegenomen.

Het verhaal van Jozef en zijn broers mag ik hier bekend veronderstellen – ik hoef niet te vertellen, dat Jozef de eerstgeborene was van de meest door Jacob geliefde echtgenote: Rachel. Jacob had eerst al een aantal zonen verwekt bij Lea, van wie Ruben de eerstgeborene was – bovendien hield Jacob er ook nog twee bijvrouwen op na, dus dan is het geen wonder, dat je al snel tot een twaalftal kunt komen.

Maar in de hele geschiedenis speelt mee de vraag: wie zal de zegen van Jacob ontvangen en wie mag als ‘stamvader’ gelden. Het ligt voor de hand, dat dat de oudste zal zijn, Ruben dus. Maar Ruben kwam voor Jacob niet meer in aanmerking, omdat hij had ‘geschertst’ met één van Jacobs bijvrouwen en zo zijn eerstgeboorterecht verspeeld had.

Jacob had al veel langer zijn zinnen er op gezet om Jozef als zegendrager te kiezen, want hij was de eerstgeborene van zijn meest geliefde echtgenote. Dat hij hem op een goede of kwade dag ook Rachels trouwgewaad toevertrouwde, de zgn ‘veelvervige rok’, heeft daar alles mee te maken. Deze voortrekkerij, zoals het door de broers werd gezien en ook het tot vervelens toe vertellen van zijn dromerijen vormden de aanleiding tot de uiteindelijke verwijdering.

Jozef belandde in de put en daarna kwam hij in Egypte terecht en Jacob kreeg zijn geliefde gewaad met bloed besmeerd thuis bezorgd met het verhaal, dat Jozef door een wild beest was verscheurd. Voor de vader was de zoon dood, maar Jozef leefde voort in de onderwereld, zoals Egypte wel genoemd kan worden.

Jozef maakt in Egypte een hele ontwikkeling door, hij stijgt op de sociale ladder en staat in hoog aanzien, maar dan valt hij a.h.w. opnieuw in de put – maar ook deze put-tijd vormt de opmaat tot iets nieuws: hij mag verschijnen aan het hof van de farao om diens dromen te komen uitleggen.

Het is indrukwekkend om te zien, hoe Thomas Mann deze ontwikkelingsgang van Jozef beschrijft als een soort messiaanse weg. Zoals Jezus de weg van de vernedering, smaad en doodsangst is gegaan om daarna op te stijgen tot ongekende hoogten, ja tot bij God, zelfs aan diens rechterhand mag zitten, zo vergaat het ook Jozef.

En hij is daar niet zozeer voor zichzelf, het gaat niet om zijn bliksemcarrière, maar het gaat om zijn dienst aan de mensheid: hij is er voor de anderen, de wereld ten goede. Als er overal op de wereld honger begint te komen dan is daar de graanschuur Egypte en de distributeur Jozef, die uitdeelt van wat in de vette jaren was gespaard, zoals hij de dromen van de farao had geduid.

Hij is de Voorziener, zoals Thomas Mann Jozef graag noemt: hij voorziet in de behoeften van velen, maar hij ziet ook vooruit – en uiteindelijk zou het zover komen, dat zijn broers zouden komen en tenslotte ook zijn jongste broertje en bovenal zijn vader.

Jozef maakt zichzelf niet meteen bekend, maar hij laat zijn broers behoorlijk in de piepzak zitten: zij worden voor spionnen en voor dieven uitgemaakt, maar uiteindelijk is er dan toch sprake van een soort happy end, wanneer Jozef zich aan zijn broers bekend maakt.

Het is een verhaal zonder veel vrome fratsen en invullingen: God wordt nergens sprekend of handelend ingevoerd. Het verhaal ontrolt zich a.h.w. vanzelf en toch, een goede verstaander heeft in de gaten, dat er iets bijzonders gaande is. Is God zelf niet de grote Voorziener, is Hij het niet, die alles zo leidt en stuurt – onopgemerkt, zonder dwang of aanwijzing – dat er toch uiteindelijk iets moois tot stand komt? Jozef heeft een volk in leven gehouden. Levensvorst kun je hem wel noemen en zo is ook dit een messiaans kenmerk van de Jozeffiguur te noemen.

Kijk, Thomas Mann schreef deze roman precies in de tijd, dat in Duitsland het antisemitisme hoogtij vierde en de Joden werden gezien als de oorzaak van alle ellende in Duitsland en in de wereld. Deze roman wil a.h.w. het tegendeel laten zien: Jozef heeft de wereld het leven gegeven: hij is de messias ‘avant la lettre’!

In de vorm van een belijdenis en als een soort samenvatting van al het voorafgaande komt de naam van God uiteindelijk toch ter sprake, als Jozef tegen zijn broers zegt: “Wat jullie ten kwade hebben gedacht heeft God ten goede gedacht” – en dat is ook het moment van vergeving en verzoening. Er hoeft geen bloed te vloeien, er is geen sprake van wraak of genoegdoening: gewoon, de nieuwe situatie, dat waar het op uitgelopen was, het niet-bedoelde en niet-beoogde, dat vormde de grond van de verzoening.

En zo aten en dronken zij tot in de late uurtjes en zij lieten alles nog eens de revue passeren en Jozef zei: dit brood en deze wijn zijn veelbetekenend en telkens wanneer mensen brood en wijn delen zullen zij ook aan deze maaltijd terugdenken, een maaltijd van vergeving en verzoening, van toekomst en hoop!

 

Orgel: Zo vriendelijk en veilig als het licht (LB 221)

 

Fragment uit de roman “Jozef en zijn broers” van Thomas Mann

Ik ga nu een fragment voorlezen uit ‘Jozef en zijn broers’, dat op een speelse en messiaanse manier het verhaal van de schenker en de bakker en hun dromen verhaalt. Jozef is in de gevangenis in Egypte opgeklommen tot een soort cipier en daar ontmoet hij de beide heren. Iedere morgen komt Jozef bij hen langs en vraagt of ze goed geslapen hebben en hij ziet al aan hun gezicht, dat er iets bijzonders aan de hand is. En ik citeer nu:

Zij hadden die nacht gedroomd, allebei tegelijk, ieder zijn eigen droom. Het waren heel erg levendige en sprekende dromen geweest, hoogst indringend, onvergetelijk, dromen die in hun ziel een bijzondere nasmaak hadden achtergelaten, diepzinnige dromen die het teken ‘begrijp me goed’ op het voorhoofd droegen en bijna om uitleg schreeuwden. Thuis hadden ze allebei eigen droomuitleggers gehad, echte deskundigen, doorkneed in alle soorten nachtelijke wangedrochten…maar nu en hier? Hier hadden ze gedroomd, ieder zijn eigen, bijzondere, opvallend echte en eigenaardige gekruide droom, waar ze helemaal vol van waren, terwijl er in dit vervloekte gat niemand was die de droom voor hen duiden kon, niemand die hun van dienst kon zijn, zoals zij gewend waren. Dat was een vreselijk gemis, veel moeilijker te dragen dan het ontbreken van dons, gebraden gans en de vogeljacht, dat hun liet voelen tot welk ondraaglijk miserabele positie hun leven was ineengeschrompeld.

Jozef hoorde hen aan en trok de lippen een beetje op.

Heren, zei hij, als het u voorlopig kan troosten dat er iemand is die met uw verdriet meevoelt, dan vindt u in mij zo iemand. Maar misschien kan ook het gemis dat u zo neerslachtig maakt uit de weg worden geruimd. Ik ben aangesteld als uw dienaar en oppasser en ben zo te zeggen voor alles beschikbaar, dus waarom niet voor dromen? Ik ben niet helemaal onbedreven op dit gebied en kan me op een zekere vertrouwdheid met dromen beroemen, dat moet u mij niet euvel duiden; wat ik zeg is juist: in mijn familie werd altijd al veel en aanstekelijk gedroomd. Mijn vader, de kuddekoning, heeft op een bepaalde plek op reis een eersteklasdroom gehad, die zijn gehele persoonlijkheid voor altijd met waardigheid heeft gekleurd. Ikzelf heb in mijn vorige leven zoveel met dromen van doen gehad dat ik bij mijn broers zelfs een bijnaam had die goedaardig op die eigenschap zinspeelde.

Vertelt u mij gerust uw droom en ik zal proberen die voor u te duiden.

Ja, alles goed en wel, zeiden ze. Je bent een vriendelijke jongeman en je kunt als je het over dromen hebt, met je aardige, ja mooie ogen zo wazig in de verte kijken, dat we bijna zouden gaan geloven, dat je ons kon helpen, maar dat neemt niet weg, dat het toch twee heel verschillende dingen zijn: dromen en dromen uitleggen!

Zeg dat niet, antwoordde Jozef. Zeg dat niet zomaar! Dromen zou wel eens een groot rond geheel kunnen zijn, waarin droom en droomuitleg bij elkaar horen. In aanleg en van nature is iedereen eigenlijk uitlegger van zijn eigen dromen. Zal ik u eens het geheim van dromen verklappen: de uitleg gaat aan de droom vooraf; wat we dromen komt uit de interpretatie ervan voort. Want hoe zou het anders kunnen dat de mensen het heel goed weten , wanneer de uitlegger hun een verkeerde betekenis geeft en roepen: Scheer je weg, stumper! Ik wil een andere uitlegger die me de waarheid vertelt!

‘De mijne krijg je niet te horen’, zei de opperbakker. Ik ben beter gewend en zoals met alles hier zie ik er liever van af dan jou als uitlegger te accepteren, Het is jouw vak niet!

‘Ik wil de mijne wel vertellen’, zei de schenker. ‘Let op, jongeman, luister en duid. Mijn droom was bijzonder levendig en duidelijk – en je weet hoe zo’n droom ineen kan schrompelen als je hem vertelt en nog slechts mummie en dor omhulsel is van wat hij was toen je hem droomde en de droom nog groen was, in bloei stond en vruchten droeg als de wijnstok die in deze droom voor me stond. Je merkt, ik ben al midden in het verhaal. Het was alsof ik met farao in zijn wijngaard was…en voor mij stond een wijnstok met drie ranken…en ik plukte de druiven met mijn rechterhand, want in mijn linkerhand had ik farao’s beker, die halfvol koel water was. Heel voorzichtig perste ik daar de druiven uit. Toen reikte ik farao de beker aan. En dat was alles!, besloot hij zachtjes, teleurgesteld over zijn woorden.

‘Dat is niet gering’, antwoordde Jozef…en dit is de uitleg, sprak Jozef: de drie ranken, dat zijn drie dagen. Over drie dagen zult u het water des levens ontvangen en farao zal uw hoofd oprichten en de schandnaam van u wegnemen, zodat u weer net als voorheen ‘rechtvaardig in Thebe’ zult heten. En u zult uw ambt weer opnemen en farao op de oude manier de beker reiken, zoals in de tijd dat u zijn schenker was. Dat is alles!’

 

‘Voortreffelijk’, riep de dikke man. Dat is een aardige, voortreffelijke, voorbeeldige uitleg. Dank je wel, lieveling, mijn welgemeende dank! En hij ging zitten en huilde van vreugde.

 

Toen begon Jozef te zeggen tegen de schenker, dat hij in de gevangenis wel erg met zichzelf begaan was geweest en nooit aandacht had gehad voor Jozef, die ook ten onrechte in het gevang zat. Daarom zei Jozef nu tegen hem: Denk aan mij als u weer in de heerlijkheid van uw ambt bent hersteld! Noem bij farao mijn naam en wijs hem erop, dat ik hier zit omdat de feiten helemaal verdraaid zijn en vraag hem mij genadig uit het tuchthuis te halen.

Dan moet de bakker natuurlijk ook nog met zijn droom op de proppen komen. Omslachtig en onsamenhangend doet hij zijn verhaal en dan zegt Jozef: Wilt u de uitleg horen?

Zoals je wilt, antwoordde de bakker.

Drie manden, zei Jozef, dat zijn drie dagen. Over drie dagen zal farao u uit dit huis halen en hij zal uw hoofd oprichten door u vast te binden aan een paal met een dwarsbalk die daar is neergezet en de vogelen des hemels zullen uw vlees eten. Dat is helaas alles.

Wat zeg je me nou? riep de bakker. Hij ging zitten en verborg zijn gezicht in zijn handen. Tussen zijn vingers met de ringen sprongen tranen tevoorschijn.

 

Maar Jozef troostte hem. Niet zo huilen, doorluchtige bakkersgrootheid, u moet ook niet teveel vreugdetranen vergieten. Draag met waardigheid uw lot. Het is nu eenmaal zoals het is, zoals u bent en zoals u zal geschieden. Het is net als met de wereld, ook die wentelt rond en ook die heeft een boven en een onder, een goede en een kwade kant en samen vormen zij één geheel.

Aan de tranen die u beiden vergiet kunt u zien dat de verschillen tussen u beiden helemaal niet zo groot zijn. U, Eminente Prositroeper, wees niet hoogmoedig, want het lijkt maar zo dat u goed bent. Als u het mij vraagt, bent u onschuldig, omdat niemand met die slechte plannen naar u is toegekomen. U bent een kletskous en niemand vertrouwde u en daarom was u van het kwaad niet op de hoogte. U zult ook niet meer aan mij denken, als u uw vroeger aanzien weer terug hebt, ook al hebt u het beloofd, dat zeg ik nu maar vast.

En u, meesterbakker, wanhoop niet! Ik denk dat u zich bij het kwaad hebt aangesloten, omdat u dat honorabel vind en dacht dat het het goede was. Dat kan gebeuren. Kijk, u behoort aan de god als hij beneden is en uw vriend behoort aan de god als hij boven is. Maar u behoort beiden aan de god (d.i. de zon) en het oprichten van een hoofd is het oprichten van een hoofd, ook al is het aan het kruis en de dwarsbalk van Osiris.

Aldus Jacobs zoon tegen de heren. Drie dagen nadat hij hun dromen had geduid werden zij uit de gevangenis gehaald en beiden werd het hoofd opgericht, de schenker in ere, de bakker in schande, want hij werd aan het hout genageld. Maar de schenker vergat Jozef helemaal, want hij wilde niet meer aan de gevangenis en dus ook niet meer aan Jozef denken.

 

zondag, 28 juli 2019 11:36

Preek gehouden op de 6e zondag van de zomer 28 juli 2019 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Johannes 11.

 

Opstaan (t)en leven!

 

Toen ik 34 jaar geleden als broekie-predikant begon gebeurde het, dat er iemand was overleden. Met lood in mijn schoenen ging ik er heen. Ik was sprakeloos en probeerde het verdriet van de weduwe mee te voelen. En omdat niemand er woorden voor had, waagde ik het om dit Evangeliebericht van vanmorgen op te slaan en zei: zullen we samen luisteren naar dit bekende, maar ook ongekende, dit vreemde, maar ook moedgevende en hoopvolle verhaal te midden van ons doodse bestaan? Het was een waagstuk, want de misverstanden en ontsporingen lagen levensgroot op de loer, maar zonder veel uitleg en poespas eromheen werd dit bericht ons geschonken om ons eigen leven en dat van de dode in een ander licht te zien.

Zo kan dat ook vanmorgen gebeuren, wanneer ons hart in ons begint te branden, als we de Schriften echt beginnen te verstaan. Als we beginnen te horen, dat tegen ons gezegd wordt: Lazarus, hierheen, kom uit! Ja, kruip uit je schulp van dodigheid en dorheid en maak je los uit je windsels van achterdocht en angst. En leef nu eens echt, a.h.w. helemaal opnieuw!

We moeten die versleten vraag “Is het nou echt gebeurd of niet?” achter ons laten, want in de buurt van die vraag stinkt het. Wat baat het een mens te beweren, dat het echt gebeurd is, maar hij blijft liggen in zijn oude wereld en neemt het voor kennisgeving aan en hoort niet de boodschap ten leven? De vraag is niet: is het echt gebeurd? Maar: gebeurt het echt, dat wij opnieuw horen en opnieuw gaan leven? Heden, in dit ondeelbaar ogenblik, wanneer we in ons dode oor horen de stem, die zegt: Kom te voorschijn, jij, en leef: eens en voorgoed!

Van het weer levend worden van een dode moet je niet teveel wonderen verwachten…ja, dat is precies wat Jezus zelf gezegd heeft, toen hij de gelijkenis vertelde van de rijke man en de arme Lazarus. Niet toevallig, dat hij ook Lazarus heet, vindt u ook niet? De rijke man dringt er op aan, dat Lazarus naar zijn broeders gestuurd wordt, opdat zij tot inkeer zouden komen.

En dan zegt Abraham: Nee, beste man, dat zou geen enkele invloed of effect hebben: ze hebben Mozes en de profeten, laten ze die horen en doen, want al zou iemand opstaan uit de doden, ze zouden er niet anders van worden, als ze hun hart niet openstellen voor de woorden van God.

Dit verhaal hangt aan drie scharnieren – drie momenten van stilstaan en in beweging komen – en bij alle drie verwijlen wij een moment, in de hoop en verwachting dat de deur zich zo zal openen, dat wij kunnen binnengaan en onze geloofsweg kunnen vervolgen.

Het eerste scharnier is het scharnier van de teleurstelling. Van de wanhoop en het verdriet. Van Lazarus die ziek geworden is en hij redt het niet…en hij wordt ook niet gered. Opgegeven door de artsen. Niets meer aan te doen. En zijn wereld stort in en ook die van zijn zusters en vrienden. Ze vormden zo’n mooi drietal en nu gaat het mis. Lazarus: moge God helpen…dat klinkt nog als een late echo uit een leven van geloven en hopen, maar kun je daar op rekenen?

God is er niet…en Jezus ook niet, zijn trouwe bondgenoot en handlanger. Ja, we hebben hem wel te hulp geroepen, maar Hij komt niet.

Dat is precies de bittere ervaring van zoveel mensen, van alle mensen. Tegen de dood is niemand opgewassen en er is niemand die er iets tegen kan doen. En zo glijdt Lazarus weg.

Het tweede scharnier is de komst van Jezus. Hij heeft gehoord van Lazarus’ ziek zijn en van zijn naderende dood. En Hij begeeft zich op weg. Het is een lange reis of hij wordt opgehouden…hoe dan ook, als Hij aankomt is Lazarus al gestorven: Jezus is te laat!

Te laat! Nu hoeft het niet meer. Nu kan het niet meer, het heeft geen zin meer. We kunnen nog wel wat napraten en nadenken over een leven na de dood en over de opstanding op de laatste dag. Maar dat is allemaal bespiegeling en speculatie. Dat soort gepraat ontstaat, omdat Jezus te laat is. Was u hier eerder geweest, dan…

Maar toch worden in dit middenscharnier rake opmerkingen gemaakt en rake inzichten gegeven.

Daar is allereerst het catechismus-geloof van Martha. Zodra er over “opstanding” gesproken wordt, weet ze meteen wat daar mee bedoeld wordt. Dat had ze zo geleerd op zondagschool en op catechisatie en in de belijdenis stond ook zoiets. Dat is gesneden koek.

Het is boeiend om te zien, hoe Jezus daar op reageert. Hij ontkent het niet en hij bevestigt het ook niet. Hij haalt het weg uit de verte, want Martha houdt er een ver-weg-geloof op na. Haar geloof is een soort gestolde feitenkennis en dan ook nog over iets dat later aan de orde is. Ja, haar geloof is in alle opzichten ver heen.

Maar Jezus brengt het dicht bij en maakt het persoonlijk, als Hij zegt: Ik ben de Opstanding en het Leven! O, dat zijn enorm grote woorden en het begint ons te duizelen, als we ze horen of uitspreken.

Maar wat Jezus vooral doet is: Hij brengt het dichterbij! Hij plaatst het licht van Pasen midden in ons leven, dat zo aangevochten is door tegenslag en bedreigd wordt door de dood. Ja, zelfs als het al te laat is, komt Hij naar voren en staat in ons midden en zegt: Ik ben de Opstanding en het Leven! Dichtbij u is het Woord, in uw mond en in uw hart…

En ook persoonlijk, Hij verbindt het met zichzelf en met ons als hij vervolgt: en al wie in Mij gelooft zal leven, zelfs al is hij gestorven.

De verbondenheid met Hem – in geloof en vertrouwen, in navolging en gehoorzaamheid, in schuchterheid en onwetendheid, met vallen en weer opstaan – gewoon, zoals wij zijn in onze armetierigheid en tekortschieten, maar hoe dan ook…Hij met ons en wij met Hem delen in de Opstanding en het Leven. Het wordt ons aangereikt, toevertrouwd, geschonken en valt als een geschenk ons in de schoot. –

Dit 2e scharnier is het middenscharnier. Hier vindt de eigenlijke onthulling plaats van het geheim, dat Jezus ons wil toevertrouwen. En dat geheim is, dat de dood eigenlijk niet bestaat, d.w.z. niet langer ons bestaan bepaalt. Maar dat Hij het is, de Opstanding en het Leven, die mijn leven beheerst en dat ik in leven en in sterven in zijn hand ben. Dat is mijn enige troost, zoals de oude heidelberger al zei. En dat is meer dan ik geloven kan!

Ik las van een verpleegster, die dagelijks in een mortuarium werkte: alle doden kwamen bij haar langs, jonge en oude, mensen die aan een ziekte waren bezweken, kinderen die verongelukt waren, moeders en vaders…een eindeloze rij. En vaak moest ze huilen, zo verdrietig allemaal, al die mensen, ieder met zijn eigen leven achter zich… Ze huilde vaak, zoals Jezus bij het graf van Lazarus weende…uit onmacht en van verdriet. Ontroerend en vertroostend ook. Maar in dat mortuarium was een gebrandschilderd raam aangebracht en daarin stond geschreven: Ik ben de Opstanding en het Leven. Als je buiten langs dat mortuarium liep zag je die letters misschien wel, maar leek het wel geheimtaal. Maar als je binnen stond kon je die woorden lezen. Soms kon je ze door je tranen heen zien schitteren en waren ze vaag en bijna onleesbaar. Maar die woorden stonden er altijd, ook al stond je er met je rug naar toegekeerd, ook al kon de dode ze niet zien en lezen, maar als een objectief gegeven – ja dat is het beste woord in dit verband – als een ‘gegeven’ stonden ze daar geschreven en golden en gelden ze als een diep en onbegrijpelijk geheimenis. Dit is waar, geloof het of niet!

Het derde scharnier roept ons naar buiten, zoals Lazarus naar buiten geroepen wordt. Kom er uit, hierheen! Dat horen wij in ons dode oor roepen, op de vierde dag!

Ja, dat is een bijzondere dag, je zou kunnen zeggen, dat het de dag van de vergeefsheid is, de dag van het voorbij, de dag van onherroepelijkheid, kolossale leegte en bedwelmende afkeer.

De dag waarop alle grote verhalen uitverteld zijn, de dag van schoon schip maken met overlevering en wat er nog van over is. De vierde dag is de dag van afrekenen met de derde dag. Het is de dag van de onbarmhartige zon boven ons lege hoofd en de fletse maan in onze koude nachten. De vierde dag is de dag van de ontsteltenis, de dag dat alles voorbij is, dat niets meer helpt, dat er geen hoop is, geen vooruitzicht. Het is de dag dat je vastzit aan de wereld, zoals die nu eenmaal reilt en zeilt, de dag dat je ingewikkeld bent in de banden van noodzaak en wetmatigheid, dat je gebonden bent aan vergankelijkheid en tijd.

Maar ook dan geldt: Ik ben de Opstanding en het Leven. Ook dan – juist dan – wordt ons allen toegeroepen: Kom eruit! Wees oprecht, ja, ga recht op staan – en wandel voor mijn aangezicht. Dat valt niet mee, want de windsels zitten nog om onze oren en ogen en onze voeten zijn nog ingezwachteld en lopen gaat moeizaam…maar het lukt toch, schoorvoetend en aarzelend.

Dit derde scharnier roept ons toe: Ontwaakt gij, die slaapt en sta op uit de doden en Christus zal over u lichten en Hij zal uw levensweg als een zon beschijnen!

Ik heb eens een symposium bijgewoond over de vraag: Is er leven na de dood? Een boeiende vraag en er zijn een hoop interessante antwoorden op te geven. Maar, het gaat er toch vooral om, dat we te zien en te horen krijgen, dat er altijd een nieuw leven mogelijk is, hier en nu. Dat er een heel leven vóór de dood is en dat we zullen leven in de buurt van Jezus, die ons ont-bindt en uit-leidt ten leven!