Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

zondag, 04 december 2022 13:52

Preek gehouden in de Immanuëlkerk te Hattem op de 2e zondag van Advent (Populus Sion) 4 december 2022 n.a.v. Genesis 18: 1-3, 9-15 en Lukas 1: 5-23

 

Verwachtingen wekken

 

Lucas, de evangelist, wil een verhaal vertellen. Het verhaal over Jezus; een verhaal dat als een lopend vuurtje de wereld over zal gaan, mensen zal aanspreken en veranderen. Een verhaal, dat mensen zal goed doen en daarom ‘evangelie’ wordt genoemd.

Maar terwijl Lucas ervoor gaat zitten om dat verhaal op papier te krijgen, vraagt hij zich wel af: hoe zal ik nu beginnen? Dat is een heel goede en verstandige vraag. Je kunt dat verhaal over Jezus niet zomaar domweg beginnen; dat verhaal komt niet zomaar plotseling uit de lucht vallen en valt ook niet zomaar ongevraagd en ongewenst op de deurmat, zoals een blauwe envelop. Nee, zo moet Lucas gedacht hebben, dat verhaal staat in een groter verband, er gaat een geschiedenis aan vooraf, er is iets van voorbereiding, die eraan vooraf gaat en er is ook een sfeer, een milieu, waarin dat verhaal a.h.w. gesmeed wordt en uit voortkomt. De kerk heeft daarom ook de Adventsweken ingesteld, o.a. om na te gaan, hoe het ook alweer begonnen was.

En zo komt Lucas allereerst tot twee heel concrete aanwijzingen: hij noemt een tijd en hij noemt een plaats. M.a.w. hij vraagt zich af: wanneer en waar is het verhaal begonnen? En dan begint hij met het noemen van een naam, die boekdelen spreekt, koude rillingen bezorgt en meteen alles op scherp zet, ja zo scherp als een zwaard, dat Johannes, over wiens geboorte dit verhaal begint, de kop zal kosten! Het noemen van die naam, Herodes, is het aanduiden van een periode, maar ook het typeren van iedere tijd onder bewind van dictators en wereldmachten. Tijden, die zich telkens voordoen – telkens onder andere namen: ik hoef ze niet te noemen of te herhalen, maar zij fungeren als de vertegenwoordigers van macht en onrecht, van onheil en bruut bestuur. Dat zijn de dagen van Herodes...ja, inderdaad, de dagen! En zijn dagen zijn geteld, zijn tijd is altijd beperkt, in iedere periode gaat het altijd om ‘de dagen’ van Herodes.

Zo bevinden we ons samen met Lucas eerst op het vlak van de politiek, van de wereld van de macht, van het profane, het seculiere: allesomvattend, niemand ontkomt er aan. We hebben er allemaal en altijd mee te maken. Maar is dat alles? Nee, ook is van belang te vragen wáár het verhaal begint.

Want laat Lucas laat ons nu iets zien, wat we eigenlijk niet kunnen zien. Hij begint te spreken en te vertellen over een andere ruimte: het is de ruimte van de eredienst, de ruimte van de religie, de ruimte van de omgang met God. Verborgen omgang, binnen-ruimte. In deze Godvergeten wereld is er een plek, waar geloofd en beleefd wordt, dat God ons niet vergeet. Die plek heet hier ‘de tempel’. Waar is de tempel? Wel, de tempel is overal en nergens. Die tempel is overal, waar twee of drie bijeen zijn in de naam van de drie-ene God; de tempel is daar en overal, waar mensen hun hart opheffen tot God, overal waar mensen God aanbidden in geest en in waarheid. Die tempel is daar, waar mensen plannen smeden om recht en gerechtigheid vorm te geven in deze wereld, waar vredestichters hun stem verheffen en waar de zachte krachten van de liefde het winnen van brute dikdoenerij.

Ik moet denken aan dat prachtige lied: Niet als een storm, als een vloed, niet als een bijl aan de wortel, maar als een glimp van de zon, als een groen twijg in de winter, komen de woorden van God. Niet in het graf van voorbij, niet in een tempel van dromen, hier in ons midden is Hij, hier in de schaduw der hoop.

In dit verhaal van Lucas is het nog wel een concreet gebouw, van stenen en hout, ijzer en goud, maar dat zou niet lang meer duren. Maar, zoals in het geciteerde lied, zo gaat het ook Lucas niet zozeer om een tempel van steen en hout, maar om datgene, waar de tempel voor staat: voor de communicatie met God en voor het handelen naar zijn bedoelingen. Dat er te midden van deze wereld van geweld en terreur, van angst en onzekerheid, een mogelijkheid is om op adem te komen, je geborgen te weten, je angsten te kunnen overwinnen, kortom, dat er een plek, een ruimte is, die hoop geeft, die toekomst aanreikt, waar verwachtingen gewekt worden! Dat is een Godsgeschenk!

Ja, het is inderdaad vooral een plek, waar verwachtingen gewekt worden in doodgelopen situaties. Want die priester, die hier dienst doet, Zacharias is zijn naam, die staat hier model voor alle mogelijke vormen van Godsvreze en vroomheid, van rituelen en religieuze gebruiken, gebeden en gezangen – precies wat ook wij hier doen. Het is mooi en het is goed, maar is het ook vruchtbaar en schept het ook toekomst? Of is de eredienst versteend en verstard?

Daar legt Lucas nu even de vinger op en misschien doet het een beetje zeer. Alles goed en wel daar in de tempel, maar hoe lang nog? Het lijkt wel een beetje op de bange vraag van een synode: haalt de kerk 2025 of 2030 wel? Is er nog toekomst, welke verwachtingen koesteren wij en welke verwachtingen worden gewekt? Zacharias, samen met zijn lieve vrouw Elizabeth, zij worden hier neergezet als de kerk met alleen maar grijze bollen – en ook al kan een deskundige op dat gebied misschien wel vijftig tinten grijs ontwaren – al met al ziet het er toch niet zo veelbelovend uit. En Lucas laat dan een woord vallen, dat boekdelen spreekt: ‘steriel’, vertaald als ‘onvruchtbaar’. Dat is een heftige analyse van de situatie. Wat nu? Zijn er al plannen ontworpen, is er al aan vernieuwing of verbouwing gedacht? Nee, niks…niet echt, mompelt Zacharias, ik doe mijn dienst, gewoon zoals het hoort en verwacht wordt. Ik kan er ook niks meer van maken, toch?

Te midden van deze vastgelopen situatie, terwijl niemand er eigenlijk meer iets van verwacht, schept de Heer zelf verwachtingen! Dat is wat Lucas probeert te vertellen en hij doet dat indrukwekkend en meeslepend en hij laat Gabriël opdraven vanuit de hemel en er klinken stemmen en alles begint wat onwerkelijk en onvoorstelbaar te worden - duizelingwekkend - , maar wat onmiskenbaar is is dit, dat er een nieuwe toekomst geopend wordt. Dat het onmogelijke mogelijk wordt en dat omdat het gegeven wordt. Die verwachting is een gave, een vrije gift. Valt zomaar in de schoot. Hoeft Zacharias niets voor te doen, bijna niets, zou ik denken.

Dat vind ik heel verrassend en het maakt mij ook blij, dat er zomaar ineens, onverwachts, iets nieuws gebeurt. Dat een doodgelopen verhaal plotsklaps weer vaart krijgt en dat je daar stil van wordt. Zoiets zien we ook bij Zacharias: hij zou er wel wat of veel over willen vertellen, maar hij heeft er geen woorden voor. Hij moet ook maar eens even stil zijn. De kerk moet misschien ook eens even op ‘mute’: stop eens even met de grote woorden en de stoere verhalen. En dan begint er iets te groeien, in de diepte, in de leegte. Wat niet kon en niemand verwachtte, kan toch. Ongedachte gedachten worden toch denkbaar! Dankzij God, God zij dank!

O ja, een groot aantal jaren geleden, toen ik wel eens gedichtjes probeerde te dichten, heb ik er ook eens eentje gemaakt over dit verhaal van Lucas en als u het goed vindt, lees ik dat even voor, ter afsluiting van deze overdenking:

 

Beiden oud in jaren / in Gods dienst

Thuis en ervaren /maar seniel en steriel / leven zij samen verwachting-loos.

 

Gedienstig in Gods huis / bedreven in offers, / gebeden op maat

Alles vast en in orde / levenloos en verdoft.

 

Oud en versleten: komt er nog een keer / punt in de tijd van God?

 

Ik ben van God gezonden: de zoon komt, de onmogelijke /omkeer in de woestijn / geestdriftig en waterdiep – Niet te geloven, met stomheid geslagen.

 

Sprakeloos gewacht. / De dorre kamer raakt vol / van leven en het breekt zich baan,

de afgestompte stem laat ons lachen: monddood geweest, en zie: Hij leeft!

 

zondag, 13 november 2022 19:08

Overdenking gehouden op de 2e zondag van de Voleinding 13 november 2022 in de protestantse geloofsgemeenschap “De Drie Ranken” te Apeldoorn n.a.v. Exodus 3: 1-15 en Lukas 20: 27-38

 

‘Ik ben’ zal er zijn

 

Ik hoorde eens iemand vertellen, dat zij totaal buiten zichzelf was geraakt. Ja, letterlijk, ze zag zichzelf op een afstandje; ze zweefde weg uit zichzelf en – hoe vreemd ook - zij voelde zich gelukkig en aanvaard. En alles was licht en helder en angst had zij niet. Ze wist niet hoe lang dat geduurd had, maar na verloop van tijd was alles weer gewoon.

Lange tijd durfde ze er met niemand over te spreken. Ze had al bedacht hoe mensen zouden reageren. Sommigen zouden zeggen: een raar verhaal, je zult het wel gedroomd hebben. Anderen zouden zeggen: jij bent waarschijnlijk bijna dood geweest en dan krijgen je hersens te weinig zuurstof en dan ontstaan dat soort waanbeelden. Wij zijn immers ons brein? Logisch toch?

Maar wat anderen er ook van vonden of over dachten, het had haar leven veranderd. Ze was niet meer bang om te sterven en ze beleefde het leven voortaan als een geschenk. En ze wist wat haar te doen stond: zij leefde meer in harmonie met de mensen en de dingen om haar heen en ze probeerde andere mensen te helpen. Kortom, ze was er een ander mens door geworden: minder gejaagd, minder angstig en minder egocentrisch.

Je kunt zoiets een religieuze ervaring noemen. Het is een bijzondere ervaring die je dichter bij jezelf brengt en die je leven in een grootser verband plaatst.

Wij, die de verhalen in de Bijbel kennen, herkennen en benoemen zo’n belevenis als een Godsontmoeting. Iemand komt op een heel intense manier in aanraking met God, die beleefd wordt als de bron en het doel van ons bestaan.

Die Godsontmoetingen zijn er eigenlijk nooit zo maar voor de aardigheid. Die zijn ergens goed voor: Je moet er iets mee. Zo’n religieuze ervaring is er niet voor de fun, maar zij leidt vaak tot een diepere aanvaarding van je zelf en je wordt je meer bewust van je opdracht in deze wereld. Het doet je wat en je doet er wat mee.

Hoe krijg je een religieuze ervaring?

Ik geloof niet dat daar een recept voor is. Het is iets dat je overkomt, zoals de liefde en het geluk. Als je er naar op zoek gaat vind je het niet en als je er niet meer op rekent overkomt het je.

Het is wel belangrijk dat je er voor open staat. Als je je wereld hebt dichtgetimmerd door altijd te roepen: dat kan niet en het is inbeelding en ik geloof alleen maar wat ik zie…dan is de kans klein, dat je een religieuze ervaring beleeft. Uitgesloten is het niet, denk ik.

Maar wie zich openstelt en zoekt naar verdieping en intensere beleving effent alvast de baan, waarop de ervaring kan landen.

Maar hier valt niets te forceren en misschien lopen onze inspanningen en ons verlangen nog wel het meeste in de weg.

De religieuze ervaring heeft namelijk iets van een verrassing in zich. En een verrassing komt altijd onverwacht en overtreft je verwachtingen.

Zo was Mozes ook heel verrast toen hij die kale braamstruik zag branden. De Sinaïdoorn, zoals Pieter Oussoren vertaalt door de klank van het Hebreeuwse woord over te nemen. Op zichzelf was dat helemaal niets bijzonders, dat zo’n struik vlam vatte. Droge braamstruiken in de woestijn staan zo in de brand, maar ze zijn ook zo weer uit. De kale takjes knetteren een beetje en uit is het vuur. Te weinig brandstof!

Maar hier blijft het vuur maar branden. Wonderlijk en vreemd. Mozes wil er meer van weten.

En als hij op onderzoek uitgaat, hoort hij tot twee maal toe zijn naam klinken: Mozes, Mozes! Dan is er echt iets urgents aan de hand!

Hier ben ik, zegt Mozes. En hij wil er meer van weten: wie alles al weet en niet meer nieuwsgierig is en niets meer verwacht zal weinig of niets meer meemaken – maar wie zich openstelt en gaat onderzoeken kan nog van allerlei ontdekken. Zo gaat Mozes ons voor op de weg van de nieuwsgierigheid.

Maar, je moet wel bedenken, dat je zelf niet buiten schot blijft. Je kunt niet op een afstand en zonder persoonlijke betrokkenheid God ontmoeten. God laat zich niet als een object bestuderen…alleen in de ontmoeting laat Hij zich kennen. In het tweegesprek: wie ben jij? Zeg eens, hoe is jouw naam?

Het volk Israël heeft zichzelf in die brandende braamstruik herkend. Als het aan hen gelegen had was het vuur allang gedoofd. Te weinig energie, te weinig geloof en volharding, maar dankzij God, God zij dank, blijft het vuur van het geloof en de liefde branden en blijven die twee aan elkaar gewaagd.

Zo komen we als het ware vanzelf bij zijn Naam terecht. Die Naam, - kent gij die Naam? – ja, die Naam kennen wij en toch ook weer niet. Het is een Naam die onthult en verbergt, een Naam die er wezen mag, die klinkt als een klok: Ik ben, die er zijn zal.

Ik zal er zijn, een belofte voor de toekomst. Dan en dan, kom je dan ook? Ik zal er zijn!

Maar vooral – Ik ben - Hij is er ook nu, in het heetst van dit uur, in de brandende kwesties en knetterende debatten, in het vuur van de verdrukking en de verdwijning nabij: Ik ben er! En het raakt Hem en Hij is er mee begaan. En Hij gaat er onderdoor, maar er niet in ten onder.

Nu God zijn Naam bekend maakte en verhulde vanuit deze braamstruik en roept: Ik ben, die er zijn zal…is iedere situatie vervuld van een echo van zijn Naam. Alles wat er is verwijst op één of andere manier naar Hem. En dat wat is, is er altijd eerder dan ik. Zo gaat God altijd aan mij vooraf en was Hij er eer dan ik, maar ik, ik kende Hem pas later. Achteraf zeg ik, in verwondering of in dankbaarheid: Hij was er. Hij was er bij!

Zo is Hij er ook nu, juist nu, op dit ogenblik…in het Woord en in de stilte, in het er zijn, zoals wij er zijn…in dit eeuwige Nu, daar is Hij, want zo is zijn Naam.

Maar er klinkt ook in mee de belofte: zo zal Ik er ook zijn…ook als jij er niet meer bent. Ook dan ben Ik, ben Ik er bij. Zo wil de Naam gehoord zijn in drie tijden, die wij althans drie tijden noemen,: de verleden, de tegenwoordige en de toekomende tijd. Maar de eerste en de meeste van deze is de tegenwoordige…die van vroeger klinkt als een klankbodem en de toekomende is vol belofte. Zo presenteert de Opgestane zich ook in het boek van de Openbaringen als ‘Hij die is en die was en die komen zal!’

Als God zo present is in alle tijden en zich verbindt met de namen van de vaderen, Abraham, Izak en Jacob, dan komt de gedachte aan de opstanding uit de doden ook in een ander licht te staan.

Daarover kwamen wij bij Lukas een discussie tegen tussen de Sadduceeën en Jezus en het zou te ver voeren om dat debat hier nog eens dunnetjes over te doen. Maar wat ik wel wil beklemtonen is, dat spotters en gekscheerders met de opstanding er dus altijd al zijn geweest. Want wij kunnen ons het eeuwige leven alleen maar voorstellen als een oneindige verlenging van de tijd. En daarover doordenkend wordt het onvoorstelbaar en absurd.

Maar denkend aan de zelfopenbaring van God, aan de ontzagwekkende betekenis van de Naam, dan horen wij, dat God de Eeuwige is, ja het Zijn zelf. Het was de helderziende Jan Wolkers, die ik eens op TV hoorde zeggen met zijn beverige stem: ‘Tijd bestaat niet!’ Al lijkt het een onzinnige gedachte, toch brengt dit ons juist dicht bij die onuitsprekelijke Naam van God, die gespeld wordt als Ik ben, zoals ik er zijn zal. Voor God is iedere tijd tegenwoordige tijd en daarom mogen wij er op vertrouwen, dat ook onze verleden en onze toekomende tijd in en bij Hem tegenwoordig zijn en dat wij nooit uit zijn gedachten zijn en daarom al-Zijn-tijd leven.

 

Als Gij er zijt, wees dan aanwezig,

niet als een vuur, dat ons verbrandt –

Vuur is te heilig en te hevig –

geef ons de schaduw van uw hand

 

om in te schuilen, dat wij leven

al zijn wij dood, zo dood als as.

Laat ons er zijn, een eeuwig even,

laat ons er zijn met U die was

die is, die komen zal ten laatste,

ten eeuwigste. Kom niet te laat!

 

Ik zal er zijn, zegt Hij, die is, die was en die komen zal! Amen.

 

zondag, 30 oktober 2022 19:32

Overdenking uitgesproken in de gezamenlijke dienst met de Evangelisch-Lutherse Gemeente t.g.v. ‘Hervormingsdag 2022’ in de Catharijnekerk te Heusden n.a.v. Deuteronomium 6 (1e ged.) op zondag 30 oktober 2022

 

Luthers educatie van kids

 

Met de kinderen:

Het kinderboekje (23 blz.) Maarten Luther, dat geschreven was ter ere van 400 jaar Reformatie in 1917 door W.G. van de Hulst was bedoeld voor de kinderen van de zondagsscholen en werd uitgegeven door het NBG. Het was een levensbeschrijving van Luther, die geleerd had niet te luisteren naar wat men dacht en vond, maar die wilde luisteren naar God, die tot hem sprak vanuit zijn Woord.
Het boekje begint zo: “Dit is een heel oud verhaal. Het vertelt van een eerlijk man, die de hemel zocht, maar hem niet vinden kon, omdat…hij de weg ging, die de mensen hem wezen. Toen was zijn leven droevig en zijn hart bang. Maar – het oude verhaal vertelt ook, dat die man zijn dwaalweg verliet en het goede pad vond, toen God zelf hem dat wees. …wij, die ook de hemel zoeken, zijn hem heel dankbaar nog. Hij heeft ons geleerd niet te luisteren naar wat de mensen bedenken, maar te luisteren naar Gods eigen stem, die spreekt uit Gods eigen boek: de Bijbel. Wie die man was? Luister!”

 

Om de lezing van Deuteronomium 6 meteen breed uit te rekken zou ik willen zeggen, dat het hier gaat over de vraag: wat moeten wij doen om gelukkig en zinvol te leven? Dat is een vraag, die voor ieder mens, voor iedere samenleving, voor iedere tijd actueel en levensecht is.

Het antwoord daarop is ondubbelzinnig duidelijk: ‘Heb de Heer, uw God, lief’ en – zo voegt Jezus er aan toe – niet als een extra gebod, maar meer als een verheldering en concretisering – ‘en je naaste als jezelf’. Nu kunnen we daar lang en breed over uitweiden en ons afvragen, hoe we dat moeten doen, maar waar dat toe leidt moet je maar vragen aan die rijke jongeman uit het Evangelie.

Het betekent o.a. het leven liefhebben, met verwondering en dankbaarheid stil staan bij het goede en mooie, dat je overkomen is en telkens weer overkomt. Met een ‘open mind’ de ander tegemoet treden en hem niet zien als een vijand of een concurrent, maar als een medemens, een vriend.

Vandaag wil ik er even op wijzen, dat ook Luther de betekenis van het doorgeven van de traditie heel belangrijk vond, zoals dat ook in Deuteronomium 6 ter sprake komt.

Zo schreef Luther in 1529 een klein leerboekje voor de kinderen, dat hij vooral in handen wilde geven van de vaders, die op een eenvoudige manier de kinderen iets konden vertellen over de Tien Geboden, de Twaalf Geloofsartikelen en het Onze Vader en de sacramenten.

Dat kleine leerboekje – de Kleine Catechismus - begint met een bespreking van de Tien Geboden. De kinderen moet van jongs af aan een moreel besef aangeleerd worden en dat moet gevormd worden naar de geest van de Tien Geboden.

Het is eigenlijk heel bijzonder, dat de Reformatiebeweging in de breedste zin van het woord, de Tien Geboden zo prominent naar voren heeft gehaald. In veel protestantse kerken hangen de uitgeschreven Tien Geboden op metershoge borden bij de ingang van de kerkruimte. De kerk is de ruimte waar je leert te leven, zoals God het wil.

In de Kleine Catechismus begint Luther dus met de bespreking van de Tien Geboden en nadat hij het gebod heeft uitgeschreven vraagt hij telkens aan de kinderen ‘wat is dat?’ of: ‘wat betekent dat?’ En dan volgt een korte uitleg van de bedoeling van het gebod.

Bijv. het 4e gebod: ‘Gedenkt de sabbatdag dat gij die heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat des Heeren uws Gods enz’.

Vraag: ‘Wat is dat?’

Antw.: ‘Wij moeten God vrezen en liefhebben, zodat wij de predicatie en Zijn woord niet verachten, maar die heilig houden, gaarne horen en leren’.

Het 5e gebod: ‘Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de Here uw God geeft’.

Vraag: ‘Wat is dat?’

Antw.: ‘Wij moeten God vrezen en liefhebben, zodat wij onze ouders en heren niet verachten noch vertoornen, maar hen in ere houden, hen dienen en gehoorzaam en hen lief hebben en waardig achten’.

Het 6e gebod: ‘Gij zult niet doodslaan’.

Vraag: ‘Wat is dat?’

Antw.: ‘Wij moeten God vrezen en liefhebben, zodat wij onze naasten aan zijn lichaam geen schade noch leed doen, maar hem helpen bij het lenigen van zijn lichamelijke noden’.

Zo maar een paar vragen en antwoorden uit de Kleine Catechismus om een indruk te krijgen, hoe Luther zich inspande om als opvoeder het geloof en leven van mensen in lijn te brengen met Gods bedoelingen.

De vragen, die hij bij de verschillende geboden stelt zijn uiterst simpel en weinig verrassend: ‘Wat is dat?’ ‘Wat betekent dit?’ De antwoorden zijn ook eenvoudig, maar beginnen wel steeds met een verwijzing naar het belangrijkste: ‘wij zullen God vrezen en liefhebben, kinderlijk vrezen en kinderlijk liefhebben’.

Ook is het mooi, dat Luther het gebod niet beperkt tot een ‘verbod’ (je mag dit of dat niet doen), maar er juist een positieve oproep aan verbindt – doe het goede, help de naaste in zijn behoeften.

Een catechismus of leerroute is goed bedoeld en heeft ook zeker zijn vruchten afgeworpen, maar het gevaar bestaat wel, dat het geloof teveel een kwestie van ‘weten’ en van ‘napraten’ wordt en dat het leven als christen verandert in een beamen van een bepaalde, vastgestelde leer. Dat is in de geschiedenis van de kerk gebeurd en dan werd het tijd, dat men de catechismus even opborg en men elkaar aanspoorde om daad-werkelijk te leven als kind van God in liefde en vanuit een dankbaar hart. Want ‘geloven’ is geen weten en zeker geen ‘beter weten’, maar gegrepen zijn door de overmacht en de liefde van God en daaruit handelen en leven.

 

Daarna sprak Ds. Louisa Vos (Evang.-Luthers predikant te Zutphen) over ‘de rechtvaardiging door het geloof’ (n.a.v. Romeinen 3)