Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Ook plaats ik hier korte inleidingen of publicaties (in het kerkblad), een vertaalde preek van Paul Tillich en andere beschouwingen. U wordt uitgenodigd om ook daarop te reageren.

Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

donderdag, 30 mei 2019 08:41

Overdenking op de 40e dag van Pasen (Hemelvaartsdag) 30 mei 2019 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Lukas 24: 44-53 en Filippenzen 2: 5-11

 

Himmelhoch jauchzend

 

De hemelvaart zouden we het kroningsfeest van Christus kunnen noemen. Of de voltooiing van het Paasfeest. Toch wordt dit feest maar mondjesmaat gevierd en het is meestal maar een klein deel van de kudde die dan samenkomt om dit feest te vieren.

We hebben drie verschillende lezingen beluisterd over de hemelvaart: een liturgische hymne uit de Filippenzenbrief, het evangeliebericht van Lukas en twee vragen uit de Heid. Catechismus. Alle drie hebben een andere klankkleur en alle drie proberen iets van de betekenis van Hemelvaart te onthullen.

In de eerste en oudste lezing, die liturgische hymne, zoals ik die noemde, daarin wordt bezongen, hoe de Christusfiguur bij God vandaan is neergedaald naar de aarde, naar de mensenwereld, en daaraan heeft deelgenomen en in alles aan de mensen gelijk geworden is, hoewel Hij God was, en zichzelf heeft overgegeven, ja tot in de diepste vernedering is neergedaald. Deze hymne is een voorbeeld van de zgn. kenosis-theologie, d.w.z. dat God zichzelf a.h.w. heeft ontledigd, klein gemaakt om zo dicht mogelijk bij de mensen te zijn: onopvallend haast, onopgemerkt was Hij ons nabij in de persoon van Jezus de Christus.

Maar daarna wordt verteld van een beweging opwaarts: deze vernederde en verachte mens heeft God uitermate verhoogd en Hem de Naam boven alle namen gegeven, d.i. de Naam van God zelf. Hij heeft hem verhoogd en verheven, een toppositie gegeven. Deze vernederde en geplaagde mens mag naast God zitten. Dat is het wat wij met de Hemelvaart vieren, zo wil deze hymne ons vertellen. Wij moeten daar vooral van zingen: wij waren ‘zum Tode betrübt’ toen wij Hem aanschouwden in zijn vernedering, maar nu zijn wij in een stemming gekomen van ‘Himmelhoch jauchzend’.

Dan is er het evangelieverhaal, een vertelling, waarin verhaald wordt hoe het in zijn werk ging, hoe Jezus werd opgeheven en al zegenend afscheid nam van zijn leerlingen. Lukas maakt ons misschien wel deelgenoot van een bijzondere ervaring, maar het is vooral bedoeld als een afsluiting van een periode. De tijd breekt aan, dat de volgelingen van Jezus zijn nabijheid moeten ontberen. Hij is hier niet meer, niet meer op deze aarde. Zoals wij ook kunnen zeggen van mensen, die ons ontvallen zijn: zij zijn niet meer op aarde, zij zijn in de hemel, bij God geborgen. En van Jezus wordt dat ook gezegd, zoals van vele anderen voor en na Hem: van Henoch en Mozes, van Elia en Jesaja, van Stephanus en vele anderen: zij zijn weggenomen en opgenomen. Zij leven bij God, in de gloria!

Van de hymne gingen we naar de vertelling en tenslotte komen we uit bij de catechetische doordenking. Er wordt een soort dogmatisch extract geformuleerd. Wat is het eigenlijk, die hemelvaart en waar is het goed voor, wat hebben wij er aan?

Een catechismus is een leerboekje, dus hoeven wij ons niet te verwonderen over de methode, al is die in onze tijd niet meer zo gangbaar. In een vraag en antwoord-spel wordt nagegaan wat de inhoud en betekenis van het christelijk geloof is. O.a. wordt aan de hand van de 12 geloofsartikelen de hoofdlijnen van het geloof uitgetekend en dan komt ook de hemelvaart ter sprake, omdat wij geloven in Jezus Christus, geboren uit de maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven (zum Tode betrübt), nedergedaald ter helle, ten derde dage wederom opgestaan van de doden, opgevaren ten hemel, zittend aan de rechterhand van God, de Vader, (Himmelhoch jauchzend), vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.

Over dat laatste gedeelte gaat het dan in de twee vragen, die wij vanmorgen even hoorden voorlezen.

We gaan dat nu niet uitvoerig bespreken en becommentariëren – er zijn kritische opmerkingen te plaatsen bij het in onze ogen verouderde wereldbeeld en de naïef-historische en ruimtelijke voorstelling van zaken, maar ook kunnen we een positieve opmerking plaatsen bij de zin van zo’n laatste vraag: welk nut heeft de Hemelvaart voor ons? Wat is de relevantie ervan voor ons?

En dan komt het er eigenlijk op neer, dat er sprake is van een verbondenheid tussen hemel en aarde. Twee gescheiden werelden, die van God en die van de mensen, die vormen voortaan een eenheid. Er is eigenlijk geen afstand meer, ruimtelijk niet, maar vooral spiritueel niet. God en mens zijn elkaar zo dicht genaderd, dat de mens Jezus Christus naast God zit, ja, zo zou ik bijna willen zeggen, bij God op schoot zit. Er is sprake van een zekere intimiteit en ook van een identificatie: die twee zijn eigenlijk één, je kunt ze niet meer uit elkaar houden.

De hemelvaart betekent dus het e.e.a. voor ons, zoals de Catechismus uit de doeken doet, maar het betekent vooral ook veel voor God. Hij is veranderd, sinds Jezus naast Hem zit, zouden we misschien kunnen zeggen.

Tenslotte wil ik u deelgenoot maken van een droom van Jozef, zoals die beschreven wordt door de Duitse romanschrijver Thomas Mann in zijn boek ‘Jozef en zijn broers’*. Iedereen kent Jozef’s dromen over de zon, maan en sterren en over de buigende korenschoven, maar in deze roman fantaseert Mann, dat Jozef ook nog een andere droom droomt, die hij aan zijn broertje Benjamin vertelt. En die gaat zo: Jozef is in een diepe slaap en ineens nadert een enorme roofvogel, die hem met zijn klauwen bij zijn middel grijpt en hem omhoog tilt…en steeds hoger en hoger, totdat hij de wereld als een broodmandje ziet. “Waarheen en hoe hoog breng je me?”, vroeg Jozef en de adelaar antwoordde: “Uitbundig hoog, naar de hoogste hoogte van het wereldnoorden, ik moet jou brengen naar de zevende hemel, de schatkamer van het leven, naar de hoogste zaal in het midden van het grote paleis. Daar staat de wagen en de zetel van de Heer, die je voortaan dagelijks zult moeten dienen. Je zult voor hem staan en je mag de zalen van de zevende hemel openen en sluiten. Toen hoorde ik er Eén spreken, zo vervolgt Jozef, die tegen mij zei: Mensenkind, ga staan op je voeten. Voortaan zul je staan voor mijn zetel als metatron (aartsengel) en knaap van God. Je zult tot bevelhebber worden aangesteld over alle heerscharen, want de Heer beziet je met welgevallen.

En de Heer zei: Op deze hier leg ik mijn hand, ik zegen hem met 365.000 zegeningen en ik maak hem groot en verheven. Ik maak voor hem een zetel als de mijne, bekleed met louter glans, licht, schoonheid en heerlijkheid. Die zet ik aan de ingang van de zevende hemel en daar doe ik hem plaatsnemen. Met een zware krans kroon ik zijn hoofd en ik verleen hem de hoogheid, de pracht en glans van mijn troon. En het spijt mij alleen, zo zei de Allerhoogste, dat ik zijn zetel niet groter kan maken dan de mijne en zijn heerlijkheid niet groter dan de mijne, want die zijn oneindig groot. Zijn naam echter zal zijn: De kleine God!

Hier eindigt de droom van Jozef, zoals die gezogen is uit de duim van Thomas Mann, maar wat daarin dan aan Jozef wordt toegedicht dat is precies wat wij belijden van Jezus de Christus op de dag van de hemelvaart: vandaag en alle dagen van ons leven!

 

  • Thomas Mann, Joseph und seine Brüder (1933-1943). Ned. vertaling: Jozef en zijn broers (Amsterdam 2014), pp. 346-353.

 

zondag, 26 mei 2019 12:09

Preek gehouden op de 6e zondag van Pasen 26 mei 2019 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Johannes 14: 23-29

 

Vrede ontvangen en geven

 

Johannes lezen is net zoiets als ‘geheimschrift’ lezen. Je denkt: waar gaat het precies over en waar wil hij eigenlijk heen? Er zit geen woord Spaans of Frans bij, geen ingewikkelde woorden of zinnen, en toch denk je: ik begrijp de zinnen wel, maar versta ik ook, wat hij zegt?

Bij Johannes kom je in hogere sferen en toch wil hij ons met beide benen op de grond houden of zetten. Het gaat niet over een vlucht uit de wereld, maar om een gezonden-worden in de wereld en je daarin staande houden.

Er klinken bekende woorden en toch zitten ze vol geheimenis en verborgenheid. Het gaat over geboden en liefde, over inwoning en de Geest, over vrede en in de wereld zijn en alles hangt met alles samen, maar het is moeilijk om er grip op te krijgen.

Zo is er ook al verwarring over de vraag ‘wanneer dan?’ Wanneer zijn deze woorden gezegd, wanneer zijn ze opgetekend, over welke tijd gaat het eigenlijk? Of vloeit alles in elkaar over en kun je niet van een eenmalig gebeuren spreken, maar voltrekt zich dit in iedere tijd, al-tijd?

Jezus heeft het over zijn heengaan en zijn weerkomen. Pas aan het einde van onze perikoop blijkt, dat hij het heeft over zijn gevangenneming door de Romeinse autoriteiten. Het is het heengaan naar zijn levenseinde, zijn kruisgang en teloorgang.

Maar tegelijkertijd denk je: hé, hij heeft het over zijn heengaan naar de Vader, wat wij a.s. donderdag vieren op de dag van Hemelvaart.

En dan heeft hij het over zijn terugkomen; waarop heeft dat dan betrekking? Gaat dat dan over die vroege Paasmorgen, wanneer hij gaat verschijnen aan zijn leerlingen? Of is het zijn terugkomen in de gave en de komst van de Geest? Daar spreekt hij ook over, wanneer hij de gids-en-helper, de heilige Geest, zal sturen en dat Hij op die wijze naar ons toekomt en bij ons blijft? Of heeft hij het ook nog over een terugkomen aan het einde der tijden, op de wolken des hemels?

Het is allemaal raadselachtig en verborgen, niet eenduidig en helder, maar het is wonderlijk en vreemd, het is het één en het ander en het één in het ander en zo vloeien de tijden, de verschillende momenten ineen tot en in een eeuwig Nu.

En wij, die leerlingen van Jezus willen zijn en als vrienden en vriendinnen ons willen laten gezeggen door zijn aanwijzingen, wij voelen ons verwant met die eerste leerlingen en net als zij staan wij bedremmeld en onzeker op onze voeten en vragen ons af: hoe nu verder? Als hij weggaat en wij alleen achter blijven? Hoe kunnen wij ons staande houden in een vijandige wereld en wat moeten we doen?

Te midden van die raadselachtige teksten kunnen wij misschien wel een paar aanwijzingen vinden, een paar handleidingen en voetnoten, die ons verder helpen.

Zo klinkt niet geheel onverwacht als een soort opgerichte banier het aloude en toch ook weer gloednieuwe gebod van de liefde. Dat is kernpunt en criterium van alles. Aan de liefde kun je zien of iemand bij Jezus en zijn Vader hoort. Het is niet zo, dat Jezus iemand liefheeft, die zijn geboden bewaart, want dan wordt het een voorwaarde tot. Toch hoor ik veel mensen zo redeneren: als ik geloof en netjes leef dan komt het wel goed met mij. Dat is het oude verdienmodel van de Wet. Daar moeten we definitief en beslist afscheid van nemen.

Nee, Johannes vat het zo samen: wie mijn geboden heeft, bewaart en daar naar leeft, die is het die mij lief heeft. En God houdt van die mens en woont in hem of haar.

Er is geen onderscheid tussen geloven en doen, woorden en daden. Je kunt niet in Jezus geloven zonder je te houden aan zijn gebod van de liefde. Geloven in Jezus, de Levende, is ook zelf leven in geloof en vertrouwen. Ja, Hij leeft dan in en door ons en zo vertegenwoordigen wij Hem in de wereld, bij zijn afwezigheid, maar aanwezig in ons: Hij is één met de Vader en wij met Hem en Hij met ons.

Dat klinkt allemaal nogal hoogdravend en mystiek, maar in wezen is het heel concreet en aards: ons doen en laten, de manier hoe wij leven, met elkaar omgaan, gemeente-zijn, ons werk verrichten en hoe wij gelukkig zijn en hoe wij omgaan met tegenslag en verdriet, dat alles vindt niet alleen plaats voor het aangezicht van God, maar vindt plaats in God: wij in Hem, Hij in ons.

Als wij ons niet aan Gods geboden houden en maar voor het vaderland weg leven dan schaden we daarmee het beeld van God en frustreren we zijn bedoelingen.

Het is een bekende riedel om te zeggen: he, van al die godsdiensten en dat geloof, daar komt alleen maar narigheid van. Integendeel, zou Johannes zeggen, er komt alleen maar goedheid, vrede en blijdschap van!

En als dat er niet van komt, dan heb je God niet lief en houd je je niet aan zijn aanbevelingen. Even verder, in H. 16, zegt hij: er zijn mensen, die denken, dat ze God eer bewijzen door iemand te doden, die hun in de weg zit. Maar zegt Jezus dan: door dat te doen geven zij er blijk van God niet te kennen en Mij evenmin.

En dan zegt Jezus, dat Hij ons vrede geeft. Niet de vrede van de wereld, dat is de Pax Romana van het Grote Rijk, dat gebaseerd is op macht, geweld en onderdrukking. Nee, deze vrede is anders, het tegendeel ervan. Dat zijn natuurlijk nogal grote woorden en zij moeten a.h.w. in hapklare brokjes in ons dagelijks leven vorm krijgen. Want we denken misschien meteen te groot en te alomvattend door wanhopig te wijzen naar brandhaarden in de wereld en dreigingen van oorlog en geruchten van oorlog in ons bange oor te horen.

Maar ‘vrede’ is allereerst gewoon de dagelijkse groet in de vriendschappelijke omgang met elkaar. Sjaloom voor jou, het ga je goed. Ik gun jou het goede en zo kun je ook het goede voor de ander bewerken en versterken.

Als mensen langs elkaar heen leven en elkaar mijden en geen oog meer voor elkaar hebben dan is de vrede ver te zoeken en zal verharding en verbittering de toon gaan zetten.

Jezus begint ermee en zijn aanzet tot vrede werkt aanstekelijk. Vrede laat ik u na, ook al ga ik zelf weg, mijn vrede geef ik aan u!

En wij ontvangen die vrede in ons hart en in ons leven – wij hebben er vrede mee, dat Hij ons zo verrijkt met zijn gaven en dat Hij ons de angst voor God, het leven en de dood heeft afgenomen – en nu wij die ontvangen hebben kunnen wij die ook weer weggeven en doorgeven.

Wil je vrede? Geef vrede, straal die zelf uit en je zult zien, hoe de vrede zich voortzet in je omgeving. Wil je een einde aan verbittering en achterdocht: houd er zelf mee op om zo te denken en te leven en je zult zien, dat het werkt. Wil je een einde aan alle wantrouwen, straal zelf vertrouwen uit en stap op de ander af met open, uitgestoken hand.

Negatieve gedachten en gevoelens brengen negatieve reacties voort, die zich verspreiden als kringen in een vijver, waar iemand een steen in heeft gegooid.

Wil je vrede? Geef vrede, zoals wij die van Jezus ontvangen hebben in ons hart en in ons leven, toen Hij zei: Vrede laat ik u na, mijn vrede is het die ik u geef.

En dan eindigt dit gedeelte met een oproep om op te staan, wakker te worden en de plaats waar men is te verlaten. Geloven en leven als gelovend mens is altijd weer opstaan en van plaats veranderen en je opnieuw oriënteren en op weg gaan, zoals die man uit Oer deed, die de vader van alle gelovigen is.

En achter hem op weg gaan, naar het land dat Hij ons zal wijzen!

zondag, 12 mei 2019 09:56

Preek gehouden in de Oude Kerk op de 4e zondag van Pasen (Zondag van de Goede Herder) n.a.v. Numeri 27 (slot) en Johannes 10: 14-17; 22-30.

 

Wie hoort (bij) de Herder?

 

Dat er op een van de zondagen na (of: van) Pasen aandacht is voor Jezus als de Goede Herder is niet zo vreemd eigenlijk. Het Paasfeest is oorspronkelijk het feest van bevrijding, van uittocht vanuit de duisternis naar het licht, van de overwinning van de dood – en dat zijn precies ook de verhalen, die bij de Goede Herder horen.

Het prototype of het voorbeeld, waarnaar de Goede Herder gemodelleerd is is natuurlijk Psalm 23. Als je wilt weten Wie de Goede Herder is en wat Hij allemaal doet dan ga je daar te rade. En wat dan midden in die psalm aan de orde is is dat er sprake is van het dal van diepe duisternis en van de schaduw van de dood – en dat de Herder zijn schapen daar doorheen leidt en ook zelf die weg gaat – Hij is daar en Hij brengt ons terecht. Hier ontdekken we ineens, dat de Herder de weg van de schapen gaat en a.h.w. zelf een schaap of een lam is geworden om te weten wat het is de weg te bewandelen van de diepste duisternis en de schaduw van de dood. Dat is het verhaal en het geheim van Pasen.

De Heer is mijn Herder, zegt de dichter van Psalm 23. Het is een woord over leven, hoop en toekomst, dat nog lang niet gedoofd en uitgestorven is. Want hoe vaak lezen wij het niet boven een rouwbrief of op een grafsteen. Het is een laatste houvast: de Heer is mijn Herder, mij zal niets ontbreken…of liever: dat zal mij niet ontbreken. Nu kan ik de overtocht beginnen: in het land van de schaduw van de dood zal Hij erbij zijn, met zijn stok en zijn staf en Hij zal mij geleiden en samen zullen we op de plaats komen van onze bestemming.

De Heer is mijn Herder. ‘Ik ben de goede Herder’, zegt Jezus in het Johannesevangelie vanmorgen. Niet om te weerspreken, dat de Here God als Herder wordt beleden en erkend. Nee, Jezus wil het beeld van God als Herder inkleuren en misschien ook wel wat bijstellen. Jezus wil God vertegenwoordigen bij de mensen, Hem a.h.w. uitbeelden in zijn doen en laten en ons laten weten: zo is God! Zoals ik doe, zoals Ik ben. Ik ben de Goede Herder, zoals God de Herder is geweest en altijd zal zijn. Wil je een plaatje hebben bij Psalm 23, wel, kijk dan naar Mij, zegt Jezus. Zo is God!

Natuurlijk leverde dat nogal wat gekrakeel op. De hoeders van de theologische traditie en de mannen van de orthodoxie waren meteen op hun hoede en zeiden: Ho, ho…dat is nogal overmoedig en klinkt ons als blasfemie in de oren. Dat kun je zo maar niet zeggen: Ik ben de Goede Herder. Dat zeggen wij van God en nu zeg jij het van jezelf!

Wat een akelige discussie wordt dat. En dan is het nog winter ook. Koud en kil en ik zie ze daar al kuierend in de zuilengalerij van de tempel tegen elkaar opbieden met argumenten uit de Schrift en de traditie. Het wordt een welles-nietes spel van de bovenste plank. Zoiets is in de geschiedenis van de kerk natuurlijk ook herhaaldelijk gebeurd. Iemand zegt iets, wat op het eerste gehoor vreemd en ketters klinkt – en hup, iedereen wordt opgetrommeld en in een plechtige vergadering worden de puntjes op de oude I gezet en de zogenaamde nieuwlichterij wordt buiten de deur gezet.

Zo is het protestantisme zelf ook ontstaan, als een conflict over een interpretatie van de Schrift. En buiten de deur ontwikkelde het zich tot calvinistische, lutherse en anglicaanse kerken en nog weer later kwamen er weer andere verschillen van inzicht en dan krijg je hier in ons land op een gegeven moment de Dordtse Synode, die een groep andersdenkenden, de remonstranten, buiten de deur zet, nu precies 400 jaar geleden. En de Dordtse Leerregels of de 5 artikelen tegen de remonstranten werden opgesteld en er werd alles op alles gezet om te onderstrepen, dat Gods genade aan alles vooraf gaat, ook aan ons geloof. Helaas kon het ook weer zo uitgelegd worden alsof God een soort willekeurige tiran was, die sommigen tot geloof bestemde en anderen niet. Daar konden de remonstranten niet mee leven en niet in geloven. En gelukkig zijn er vorige week voor het eerst na al die eeuwen weer eens gesprekken geweest en is er spijt betuigd over die harde woorden van toen.

Als de ene groep zegt: ‘God bepaalt van tevoren of iemand gaat geloven of niet’ en de andere groep zegt: ‘Geloof begint bij jezelf’ dan wordt het tijd om elkaar eens recht in de ogen te kijken en te bevragen op wat men ten diepste wil zeggen.

Ik denk zelf, dat wij uiteindelijk met een mysterie of geheim te maken hebben en dat het weinig zin heeft om te willen weten, waar je geloof uiteindelijk vandaan komt. Het is iets van jezelf, het is heel persoonlijk en met jouw leven verbonden, maar het stijgt er ook bovenuit. Ik heb het niet zelf bedacht of uitgevonden, nee, het was ook een kennismaken met, een vertrouwd worden met wat mij is aangereikt en een daar door gegrepen zijn. Het laat me niet los en ik laat het niet los. Zoiets klinkt ook mee in wat Jezus zegt: de schapen, die Mij kennen, die horen mijn stem – en als een soort andere kant van de medaille zegt hij: ja, het zijn de schapen, die mijn stem horen – als je geen schaap bent en geen deel uitmaakt van de kudde, dan hoor je mijn stem ook niet en volg je mij niet. Dan kun je Mij niet volgen, snap je?

Het is een soort ‘boeren-logica’, die niet tot in allerlei uiterste consequenties moet worden uitgedacht en die je niet tot een soort theo-logica moet verheffen, want ‘Jede Konsequenz führt zum Teufel’ heeft een wijs man eens gezegd en dan krijg je van die onmenselijke en bitse formuleringen, die mensen uitsluiten en bang maken.

Jezus wil die tour helemaal niet op, denk ik. Hij geeft alleen maar aan, dat er goede verstaanders van zijn woorden zijn en slechte verstaanders. En wie het niet verstaat heeft er ook inderdaad helemaal niks van begrepen. Outsiders snappen het niet, zo simpel is het. Maar iedere outsider kan een insider worden door zich open te stellen voor wat Hij zegt, door hem te volgen en zodra je hem volgt en kunt volgen maak je deel uit van zijn kudde.

Het heeft dus helemaal niets met uitverkiezing of predestinatie te maken: dat soort begrippen geven alleen maar aan, dat je op hol geslagen bent en dat je van God een wrede en onberekenbare dobbelsteen hebt gemaakt.

Ik ben de Goede Herder, zegt Jezus. Aan Hem kun je aflezen wat het betekent een goede herder te zijn. Hij heeft oog voor zijn kudde: zij kennen elkaar en vertrouwen elkaar. Ze luisteren naar elkaar en zoeken naar een begaanbare weg, ook al gaat die soms langs donkere dalen en duistere plekken. Ze laten elkaar niet los en ook al zien ze geen hand voor ogen, ze horen het tikken van de stok en het prikken van de staf.

Het beeld van de goede herder is wat wollig en stoffig geworden en het wordt wel tijd voor een ‘re-shaping’, denk ik. Dat we een herder voor ons zien met lef en liefde, stoer en mild, zonder geitenwollen sokken, maar vastberaden en stevig in de schoenen richting toekomst, wat die ook brengen moge. Maar Hij zal niet ontbreken. Hij zal ons leiden, gidsen en corrigeren, als wij verkeerde wegen dreigen te gaan. Dat is geen tocht van triomf en succes, maar één van lijden en zelfovergave, zoals Hij heeft voorgedaan.

Ik ben de Goede Herder. Als wij zijn stem horen zijn we bij Hem in de buurt en zullen en kunnen wij Hem volgen. Als ik zijn stem niet meer hoor ben ik ver heen, ja dan ben je eigenlijk nergens. Maar zelfs daar zal de Herder mij zoeken en vinden.