Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Ook plaats ik hier korte inleidingen of publicaties (in het kerkblad), een vertaalde preek van Paul Tillich en andere beschouwingen. U wordt uitgenodigd om ook daarop te reageren.

Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

maandag, 23 september 2019 15:29

Preek gehouden op de 1e zondag van de herfst 22 september 2019 in de Catharijnekerk te Heusden n.a.v. Openbaring 6

 

Wedden?

 

Zoals u ook in “Vigilate” hebt kunnen lezen heb ik twee weken geleden afscheid genomen van mijn gemeente Meppel en ben ik ‘met emeritaat gegaan’. Er was tot mijn vreugde ook een delegatie vanuit Heusden aanwezig en uw scriba heeft mij ook toegesproken en overhandigde mij vervolgens een geschenk: een lijvige roman, getiteld ‘Het rode paard’, dat zich afspeelt in het Italië van de 20e eeuw. Toen ik die titel zag moest ik meteen denken aan de Openbaring van Johannes, waar in het 6e hoofdstuk ook sprake is van een rood paard en de titel van dit boek is er inderdaad ook aan ontleend.

Met deze kleine opstap proberen wij nu wat dichter bij het laatste bijbelboek te komen en dan m.n. wat meer zicht te krijgen op hoofdstuk 6. Ik doe dat in twee stappen: eerst iets in het algemeen over het bijbelboek in zijn geheel, het karakter ervan…en dan wat inzoomen op de paardenrace. Tussen 1 en 2 orgelspel.

De Openbaring is het laatste bijbelboek, zoals u weet, en heeft alleen al door die plaats in de canon een bijzondere positie. Het heeft iets geheimzinnings en definitiefs: het laatste hoofdstuk van een boek bevat vaak de plot van het verhaal. Daarin komt alles samen en krijgt het geheel zijn vervulling.

Zoiets lijkt ook met de Openbaring aan de orde te zijn, maar we moeten ons anderzijds ook realiseren, dat de Openbaring van Johannes aanvankelijk als een los geschriftje de wereld was ingegaan en door gemeenten op diverse plaatsen werd gelezen en bewaard. Pas enkele eeuwen later is het in de canon opgenomen en kreeg het de plaats die het nog steeds heeft: als afsluiter, als toevoeging ook, een einde, een open einde.

Het is een geschrift dat moeilijk te doorgronden is, dat op meerdere manieren gelezen kan worden: het bevat een soort geheimtaal en er zitten verwijzingen in naar de tijd, waarin het ontstaan is (de 1e eeuw na Chr.), maar die zijn zo uitvergroot, dat het wel lijkt alsof het over de toekomst gaat. En zo hebben vele generaties christenen dit bijbelboek ook gelezen: als een openbaring of onthulling van wat er allemaal staat te gebeuren.

Het gaat over ‘de laatste dingen’, zoals het laatste hoofdstuk in klassieke dogmatieken ook altijd heette. Dat is een wat vreemde benaming, alsof het om nog een restje zou gaan. Iemand die gaat verhuizen heeft alles ingepakt, alleen nog een paar laatste dingetjes bij elkaar pakken en dan: Klaar is Cees!

Maar de ‘laatste dingen’, het ‘eschaton’, zoals het dan in kerklatijn heet, hoewel het een Grieks woord is, kun je ook anders opvatten. Niet zozeer als het einde van de tijd en wat er dan allemaal staat te gebeuren, maar eerder: wat is het wezenlijke, het eigenlijke, het ultieme van wat er gaande is in de wereld. Kun je een clue ontdekken in die wirwar van gebeurtenissen? Waar draait het uiteindelijk, ten laatste, om? Zo heeft Ds. Miskotte – in de vorige eeuw een bekende Nederlandse theoloog - zijn boeiende lezingen over de Openbaring van Johannes – tijdens de 2e Wereldoorlog in Amsterdam gehouden – de titel meegegeven ‘Hoofdsom der Historie’. De openbaring onthult a.h.w. het geheim van de geschiedenis. Brengt aan het licht waar het om draait. Dus de Openbaring wijst niet zozeer vooruit naar een later tijdstip in de geschiedenis, maar doet eerder een diepteboring in of van de geschiedenis, die actueel is voor iedere tijd, ook de onze.

Tussenspel (orgel)

Nu dan naar Hoofdstuk 6. Ik zou daar boven kunnen zetten ‘Concours Hippique’. De visionair Johannes ziet de geschiedenis van de mensheid als een paardenrace. Wat hij te zien krijgt komt dus ook weer niet zomaar uit de lucht vallen, al lijkt dat wel zo, maar heeft vaste voet in de grond, waarop hij staat. Paardenraces vonden plaats in de arena’s van de grote steden van die tijd en hoe spannend en gevaarlijk dat kon zijn weet iedereen, die de klassieker ‘Ben Hur’ wel eens heeft gezien. In Engeland zijn ze ook dol op die races en kan men weddenschappen afsluiten op welk paard de race zal winnen. Als Johannes nu de verbreking van de zegels door het Lam ziet dan komen a.h.w. al die aspecten bij elkaar: in de wereld is een race, een wedloop gaande en wie of wat zal het uiteindelijk, ten laatste, winnen? Wie zal nummer 1 worden? Op welk paard wedden wij?

Er zijn er wel vier, die in de race meedoen… Telkens wordt geroepen: “Kom!” Het lijkt op het eerste gehoor, dat dat tot de ziener wordt gezegd, maar het is logischer om te veronderstellen, dat dat tot het paard en zijn ruiter wordt gezegd. En ‘kom!’ klinkt dan misschien ook nog wel wat te mak. Het is eerder: ‘Vort!’ ‘Ga!’ ‘Rennen, jij!’

Het eerste paard, dat mijn aandacht trekt, is een vuurrood paard, besmeerd met bloed en modder. De ruiter kan dit paard amper in bedwang houden, zodra hij los is slaat hij op hol en trapt alles plat, kort en klein. Heeft hij ook een naam? Jazeker, zijn naam is ‘Oorlog’. Doldriest draaft hij de geschiedenis door en wat hij aanricht wordt steeds heviger en afschuwelijker. Hij neemt de vrede van de aarde, hij verstoort de goede verhoudingen en als hij eenmaal aan het draven is is er geen houden aan. In deze weken wordt nogal uitvoerig stil gestaan bij 75 jaar bevrijding en je kunt indrukwekkende verhalen en afschuwelijke gebeurtenissen horen. Oorlogen zijn van alle tijden en het rode paard duikt telkens weer op: ‘We willen dat paard nooit meer zien’, zeiden de mensen, nadat hij wat getemd was, maar steeds draaft hij weer op, momenteel doet hij zijn intrede in Yemen en in Syrië heeft hij zijn sporen ook ruimschoots achtergelaten.

Maar er staat nog een paard te trappelen om de arena te betreden en die ziet er zwart als de nacht uit. Dit paard draaft niet, maar schrijdt. Langzaam maar zeker trekt hij de geschiedenis door en de ruiter zit erop met een weegschaaltje in zijn hand. Hoe heet dit paard? Wel, dit paard heet ‘Honger’ of ‘Schaarste’. De primaire levensbehoeften zijn nauwelijks voorradig. Alles moet afgepast en afgemeten worden. Brood en melk moeten op de bon. De gewone mensen zijn er de dupe van. Een dagloon voor een broodje, later een maandloon voor een bordje koolsoep. Miljoenen mensen leven telkens weer onder dergelijke omstandigheden. Vaak volgt dit paard op het ‘oorlogspaard’: hij sukkelt achter hem aan.

Opvallend en ook weerzinwekkend is het, dat de rijke lui zich kostelijk blijven vermaken. Die hebben hun eigen getto’s en ommuurde villa’s waar de wijnvoorraden onuitputtelijk zijn en waar de dames zich nog steeds mooi kunnen maken. Ons kan niks gebeuren…aan hulp voor de armen wordt niet gedacht. Zo gaat dat, eeuw in, eeuw uit.

Daar draaft nog een paard de geschiedenis door, een vaalgeel paard. Een scharminkel van een paard, wankel op de benen, een vel-over-been-paard. Hoe zou dit paard heten? Hij kan wel ‘Ziekte’ of ‘besmetting’ genoemd worden. Hij wordt bereden door ‘de dood’. Telkens weer doen zich in de loop van de geschiedenis perioden voor, waarin het leven onzeker is en epidemieën zich voordoen: de Zwarte Dood in de middeleeuwen, tuberculose in de 19e en 20e eeuw, malaria, de Spaanse griep, Aids, kanker, vergiftiging, klimaatschade.

Er komt geen einde aan zijn slachtoffers. Het is een angstwekkend paard en hij laat zich moeilijk sturen en bedwingen.

Zal het ooit nog eens anders worden? Zal aan al die slachtoffers ooit nog eens recht gedaan worden of zijn zij zomaar als vuilnis in het vat van de geschiedenis gedumpt? En dan ook nog al die mensen, die Jezus wilden navolgen en in zijn Naam protest aantekenden en getuigenis aflegden van zijn woorden en werken? En het werd niet geduld en zij werden monddood gemaakt en de ziener ziet hen wenen, klagen en roepen om recht en gerechtigheid. Onder het altaar ziet hij hen, daar waar de dienst van de verzoening plaats vindt, maar wat betekent dat voor hen? Moet er niet eens opgetreden worden?

Ik sprak onlangs nog een oude mevrouw en we hadden het zo over wat er allemaal gaande is in de wereld en toen zei zij dat zij iedere avond bad en vroeg of God er eens in zou springen. Het werd nu wel eens tijd. Het is precies de bede van die zielen onder het altaar. Maar weet u wat het antwoord is: geduld, nog meer geduld…en nog eens geduld!

Want er rijdt nog een paard door de wereld. Dat is een wit paard – ja, inderdaad, het lijkt op het paard van Sinterklaas – en dat paard laat zich niet beteugelen, maar dat gaat vrank en vrij de wereld door. Recht op zijn doel af. Koninklijk, fier, gefocust, rustig doch beslist – zeker van de overwinning, maar die moet nog wel behaald worden. Niet zonder tegenstand en zeker niet op een drafje naar de eindzege…het is nog geen gelopen race, maar dit is wel het beste paard van stal. Het gaat hier, denk ik, om de verkondiging van het Evangelie, het verhaal van Jezus, die dood geweest is en zie, Hij leeft…dat verhaal van liefde en vrede, verzoening en hoop, dat als een rode draad de geschiedenis doorgaat en haar kleurt en richting geeft. Het is het verhaal van Florence Nightengale, van alle mensen, die het goede zoeken en doen en het leed proberen te verzachten door (medische) kennis en handelen. Ons doen en laten heeft wel degelijk invloed op de draf van het witte paard door de wereld.

Die andere paarden zijn veel luidruchtiger en hebben nog steeds veel macht en invloed en dat zullen zij ook blijven behouden, maar uiteindelijk, ten laatste, heeft het eerste (in hoofdstuk 6 genoemde) paard het laatste woord. Wedden?!

 

zondag, 08 september 2019 18:04

Preek gehouden tijdens mijn afscheid (wegens emeritaat) van de Protestantse Gemeente te Meppel op de 12e zondag van de zomer 8 september 2019 in de Grote of Mariakerk n.a.v. 1 Samuël 16: 4-13 en Lukas 14: 25-27 en 2: 41-50.

 

Loskomen en loslaten

 

Toen Jezus op een gegeven moment al die mensen achter zich aan zag komen was hij daar eigenlijk helemaal niet zo blij mee. Hij doorzag, dat velen hem volgden, omdat ze hem zo bijzonder vonden, omdat zij vonden, dat hij zulke mooie verhalen kon vertellen of omdat hij soms ook flink tekeer ging tegen de autoriteiten (daar smulden ze van) – ze hadden zo allemaal hun eigen motieven en overwegingen om bij hem in de buurt te zijn – maar Jezus keert zich om en zegt: je kunt mij alleen maar volgen, als je werkelijk alles opgeeft. Er mag eigenlijk niets zijn dat je belangrijker of aantrekkelijker vindt: je werk, je hobby, je familie, je geld: dat alles verliest uiteindelijk zijn absolute betekenis en waarde. Dat komt allemaal op de tweede of derde plaats. ‘Mij volgen’ betekent alles verliezen en loslaten, zegt Jezus, zoals ook van Abraham verteld wordt: hij moest wegtrekken uit zijn familieverbanden en zijn vaderland achter zich laten en op weg gaan naar het land van ooit, dat God hem zou wijzen. Dat is de weg van het geloof. Een onbegaanbare, ongebaande weg…, zou je denken.

Jezus wist waar hij het over had, want hij was zelf ook die weg gegaan en die ging hij nog steeds. Als kind al ging hij zijn eigen ongekende gang door op het Paasfeest zich te voegen bij de rabbijnen in de tempel, zijn vader en moeder in grote ongerustheid achter latend.

In de St-Janskerk in Gouda (mijn geboortestad) is een prachtig gebrandschilderd raam – op de voorzijde van uw liturgie ziet u er een zwart-wit afdruk van, maar de echte voorstelling is veelkleurig en daardoor vol beweging en dynamiek – de 12-jarige Jezus zit links in beeld: wij kijken hem recht aan en wij zien zijn heldere, verlichte verstand en zijn open blik en meer op de rug en van de zijkant belicht zien wij de oudere, bebaarde rabbijnen, gehuld in lange mantels omzoomd met Hebreeuwse letters en met 16e-eeuwse edities van de Schrift op schoot: jong en oud met elkaar in gesprek. Jezus leert van hen, maar zij ook van hem, want hij stelt open en scherpe vragen: wat is het eerste en het grote gebod? Gaat de liefde tot God echt boven alles? (hij lijkt het op z’n vingers na te tellen). Wat moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven? Moet ik op de sabbat naar de synagoge of kan ik ook gerust een wandeling maken door een korenveld?

En zijn vader en moeder maar zoeken en zoeken….waar kan hij toch uithangen? En ze zoeken hem bij de familie en de verwanten, in de menigte en in de kroeg, maar daar is hij niet! Nee, als ze hem willen vinden moeten ze ook zelf terugkeren naar de tempel. Daar is hij, bij de Schrift en de Schriftgeleerden, in het huis van God, dat hij het huis van zijn Vader noemt. En Jozef keek toen wat bedremmeld naar de vloer…

Als ze hem gevonden hebben zijn zij opgelucht, maar ook een beetje boos. “Hoe kom je erbij ons zo ongerust te maken? ‘Waar wazzie nou?’ We hebben je overal gezocht…” op het raam zie je de ouders van Jezus in verwarring en bezorgd aankomen. Ze komen helemaal buiten adem net binnenhollen…

Jezus weet waar hij over spreekt, als hij zegt, dat wie hem wil volgen vader en moeder, familie en vrienden moet verlaten. Je hoogste prioriteit, je ultimate concern, zoals Paul Tillich dat noemt (ik wil hem nog een keer met ere noemen), zal voortaan ‘God’ zijn.

Nu kan die roep tot het ultieme, naar datgene wat er werkelijk toe doet en waar je helemaal voor gaat, op vele manieren vorm krijgen in je leven.

Ik ken mensen, die letterlijk hun familie vaarwel hebben gezegd en die op hun eigen wijze en volgens hun eigen overtuiging invulling hebben gegeven aan wat hun ten diepste beweegt. Zij zijn volgelingen van Jezus, misschien zonder het te weten of zonder dat zo bewust te noemen.

Ik ken mensen, die vanuit een seculiere levensstijl zich bij de gemeente voegen, omdat zij Jezus willen volgen: hun vrienden en collega’s kijken hem of haar vreemd aan, maar zij nemen dat als hun kruis op zich.

Ik ken ook mensen, die omwille van de navolging van Christus de gemeente verlaten, omdat ze het kerkelijk reilen en zeilen te burgerlijk en niet radicaal genoeg vinden – en ze verliezen vrienden en geloofsgenoten, ter wille van het Evangelie.

Ik ken mensen, die het woord ‘God’ willen noemen, omdat zij een diep besef hebben van zijn presentie in hun leven, maar ik ken ook mensen, die het woord ‘God’ zo min mogelijk willen gebruiken, omdat zij zijn afwezigheid als een kruis op zich hebben genomen en hun leven leiden, alsof God er niet is.

Ik ken mensen, die net als de kleine David over het hoofd worden gezien, maar die door God gezalfd worden om Hem te dienen en zich sterk te maken voor een leefbare samenleving. De mensen zeggen: ‘hij niet’, ‘zij niet’, maar God zegt: ‘deze is het!’ Want Hij ziet het hart aan…

Ik zie hen allemaal als navolgers van Christus en niemand van hen of van ons zal zeggen: ík volg hem het beste of míjn navolging is de enige juiste.

We zijn allemaal beginners èn leerlingen en als we nog eens naar (of: in) het raam kijken dan kunnen we misschien onszelf wel zien: als (Woord)zoekers of als nieuwsgierige leerlingen, geboeid door zijn vragen en antwoorden, en dat we allemaal vrij zijn om te handelen op onze eigen wijze en zo gehoor te geven aan zijn stille, maar ook onrustig makende stem in ons hart.

En dan kan het niet anders dan dat de lofzang ontspringt, die wij met dank en van harte aanheffen: en niet éénmaal en mondjesmaat, maar eindeloos en uitbundig.

(Psalm 136 door Cantorij en Gemeente van Toon Hagen).

zondag, 25 augustus 2019 17:12

Preek gehouden op de 10e zondag van de zomer 25 augustus 2019 in de Grote of Mariakerk n.a.v. 1 Johannes 4

 

Geloven is “God doen”

 

Als mijn wiskundeleraar op de middelbare school een som of een vraagstuk besprak kon hij zomaar ineens met een dreigende vinger op je afkomen en vragen: “Is dat zo?” Wiskunde was niet mijn sterkste vak en aarzelend zei ik dan: “Ik geloof het wel, mijnheer”. Ja, we waren heel beleefd in die tijd. En dan bulderde hij: “Cees, geloven doe je in de kerk! Hier bij de wiskunde gaat het om weten of niet-weten”.

Geloven in God is inderdaad iets anders dan a2=b2 + c2. Geloven in God, zijn Naam belijden en prijzen doen we in de kerk en in ons leven…wiskunde doen we op school en op het werk. Twee verschillende werelden. Over de wiskunde kun je niet discussiëren, iedere wiskundige hanteert dezelfde uitgangspunten en redeneert en rekent op dezelfde manier. En komt tot dezelfde uitkomsten.

Maar als we over God gaan spreken en nadenken dan gaat het vaak alle kanten op. Als ik zomaar aan een willekeurig iemand vraag: “Gelooft u in God…?” dan kan ik als antwoord krijgen: “Ja, natuurlijk. Hoe maakt u het?” Dit is duidelijk iemand die vanzelfsprekend in God gelooft. God is geen vraag voor hem of haar. God hoort bij zijn inventaris. Wat God voor hem betekent, of hij of zij onder de indruk is van God, dat blijkt nergens uit. God bestaat…verder niet moeilijk over doen.

Iemand anders zegt: “Ik geloof wel, dat er iets is. Ja, dat moet wel…er moet iets zijn…” Wat dat iets is blijft vaag en onduidelijk…een hogere macht, een energie, een krachtbron.

Als ik vraag wat die “Iets” dan doet of vraagt of geeft, wordt de man onzeker en zegt kortweg: “Iets is alles, Iets is overal, op bergen en in dalen, ja overal is Iets”. Blijft de vraag klemmen wat die Iets doet of niet doet…kun je communiceren met Iets of niet? Het blijft lastig en moeilijk.

Weer iemand anders zegt: “God is de Almachtige. Hij is de Schepper van alles. En alles wordt door hem bestuurd en geregeld. Hij is de grote Regisseur en Albedisselaar, die alles in zijn hand heeft en naar zijn hand zet”.

Ah, een bekend beeld, dat vooral in de godsdienst van de volken in het Midden-Oosten is ontwikkeld en uitgewerkt. M.n. ook in de Griekse filosofie, waarin God als het Opperwezen wordt beschouwd, die alles in beweging heeft gezet, maar die zelf de grote Onbewogene is. Je kunt ontzag hebben voor zo’n God, zo groot en allesoverheersend, dat je jezelf klein en nietig voelt. Een indrukwekkende God, overweldigend…maar ook ongenaakbaar en ver weg.

Maar de apostel Johannes zit al een tijdje op mijn schouder te tikken, want die wordt een beetje ongeduldig. Hij wil ook graag wat zeggen. “Johannes, ga je gang!”

Nou, zegt Johannes, als ik mijn duit in het zakje mag doen, dan wil ik zeggen, dat al deze redeneringen en beschouwingen vaag en abstract zijn en kil en onpraktisch ook.

Luister, zegt Johannes, je kunt van God veel zeggen, maar in ieder geval moet je zeggen, dat Hij liefde is. En eigenlijk is dat alles!

God is liefde klinkt dan misschien een beetje zoetig, maar dat is het allerminst: het betekent, dat de liefde de oorsprong en de drijfveer is van alles wat God doet. Of Hij nu schept of leven geeft, of Hij nu recht spreekt of regeert: alles doet Hij vanuit de liefde. Daarom durf ik te zeggen: God is liefde!

Mensen zeggen vaak: “Als God liefde is, waarom is er dan zoveel onheil en leed in de wereld?” Of anderen zeggen: “Is God alleen maar liefde? Hij is toch ook ..en dan volgt een rijtje andere eigenschappen van Hem”.

Ik zou daarop antwoorden, dat wij de liefde van God niet moeten aflezen uit de gang van de gebeurtenissen in de wereld; ook niet uit de natuur – nee, er is maar één bron, die ons dit kan verhelderen en dat is Jezus:

God heeft zijn gezicht laten zien in Jezus. En dan gaat het er niet om, hoe Hij er uitzag, maar het gaat om wat Hij deed, waar Hij zich om bekommerde, wat zijn diepste drijfveren waren…en zijn doen en laten, zijn spreken en zwijgen, zijn handelen en behandeld worden, zijn sterven en opstaan…ja, dat hele leven, die hele verschijning van de Christus, dat kun je samenvatten in dat ene: Zo is God…God is liefde. God is Jezus ten voeten uit. Concrete liefde, liefde in woord en daad. Liefde “in actu”!

Het is zoals dat kleine meisje van een jaar of 5, dat ik na een kerkdienst in Reggersoord hoorde zeggen, terwijl ze bij een oude man, die doorschijnend van het lange liggen in zijn bed, stond: ‘hij is mijn vriend. Elke keer als ik hier ben, ga ik naar hem toe. Hij kan niet meer praten, hij ligt alleen maar…maar ik ben

zijn vriend’.

Zo is God, kan ik daar aan toevoegen. Hij ziet ons in de kracht van ons leven; Hij ziet ons werken en plezier maken; hij ziet ons plannen maken en routes uitstippelen; hij ziet ons beminnen en hij ziet hoe wij soms verkillen; hij ziet hoe wij ruzie maken en onze zin willen doordrijven; Hij ziet hoe wij geloven en hoe wij redeneren; hoe dom we kunnen zijn en hoe in onszelf gekeerd we kunnen zijn, maar ook hoe hulpvaardig en betrokken. Hij ziet, hoe wij gemeente willen zijn en hoe wij samen de Maaltijd vieren. Kortom, God ziet ons zoals wij zijn en Hij zegt: “Ik heb je lief. Ik ben je vriend”.

Zoals die adoptief ouders die ik een tijdje geleden op tv zag: een echtpaar dat een kind had geadopteerd, een jongetje, dat al een moeilijk leven achter de rug had en van wie ze het karakter niet kenden en wat er allemaal zou kunnen gebeuren en er uit zou komen. Maar die man zei: “Ik ben zijn vader en ik zal van hem houden, wat er ook gebeurt. In zijn puberteit zal hij misschien mij gaan haten of willen weglopen, maar ik zal van hem blijven houden en ik zal er voor hem zijn. Ik ben zijn vader, wat er ook gebeurt!”

Zo is God. “Ik ben jullie Vader, wat er ook gebeurt”.

“God is liefde” moet dan ook niet een abstracte bewering blijven of een beschouwing, die je gelooft of niet gelooft. Nee, laat ik het zo kort samenvatten: Geloven is bovenal “God doen!”