Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Ook plaats ik hier korte inleidingen of publicaties (in het kerkblad), een vertaalde preek van Paul Tillich en andere beschouwingen. U wordt uitgenodigd om ook daarop te reageren.

Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

zondag, 11 februari 2018 13:14

Preek gehouden op de 6e zondag na Epifanie 11 februari 2018 in de Oude Kerk te Meppel n.a.v. Markus 1: 40-45

 

Gemeden als de pest…

 

Beste kinderen, die zo dadelijk naar de nevendienst gaan: vandaag horen jullie en wij het verhaal, dat Jezus een melaatse man ontmoet. Iemand, die huidvraat heeft, zoals de NBV zegt. Het gaat om een heel erge ziekte aan de huid, die ook wel lepra wordt genoemd. In de tijd van Jezus – en ook later – moesten mensen die hieraan leden op afstand van andere mensen blijven. En ze moesten mensen waarschuwen, als ze eraan kwamen of wanneer anderen in hun buurt kwamen. Zij hadden een soort ratel bij zich en daar maakten zij dan geluid mee om duidelijk te maken: kijk uit, ik kom er aan…blijf uit mijn buurt, want anders krijg jij misschien ook wel deze vreselijke ziekte. (ik maak wat herrie met een knopendoosje, dat als ‘ratel’ fungeert)

We zingen nu ‘het lied van de club van ieder kind’ en daarna naar KND.

 

De melaatse man heeft vast en zeker op een bankje tegenover de synagoge zitten wachten tot Jezus naar buiten kwam. Hij wist ongetwijfeld, dat Jezus van tijd tot tijd sprak over het aanbreken van een nieuwe tijd, dat het Koninkrijk Gods nabijgekomen was – wat dat verder ook precies mocht betekenen, maar het klonk in ieder geval hoopvol en spannend – en hij hoopte, dat die Jezus dan ook de daad bij het woord zou voegen. Dat hij niet alleen zou spreken over die nieuwe werkelijkheid, maar dat hij daar ook iets van zou laten zien. Er moet toch een samenhang zijn tussen woorden en daden?

Ja, tussen haakjes, dat is inderdaad altijd weer de uitdaging, waar ook de kerk in alle tijden voor staat: hoe verhoudt de prediking, de verkondiging van het evangelie zich tot de barre werkelijkheid van alledag. Is de verkondiging alleen maar een zoethoudertje en een doekje voor het bloeden of is het een inspiratiebron van omwenteling, van verandering en herstel van vastgelopen situaties en scheefgegroeide verhoudingen en zal de verkondiging zo leiden tot vernieuwing en ommekeer of blijft alles zoals het was en valt de verkondiging als een veertje op het ijs i.p.v. als een steen in de vijver?

Terwijl de man, de melaatse man, hierover zit te peinzen ziet hij dat de deuren van de synagoge opengaan en hij kijkt vol spanning of hij Jezus naar buiten ziet komen. Want hij wil hem iets vragen, iets voorleggen.

Wat hij nu gaat doen is wel heel ongewoon en eigenlijk ook ongehoord, ja ten strengste verboden…hij zou zijn ratel moeten pakken en moeten roepen: opzij, opzij, want hier zit een melaatse. Pas op!

Nee, in plaats daarvan trekt hij zijn stoute schoenen aan en strompelt regelrecht op Jezus af en hij valt hem te voet.

En Jezus ziet het gezicht van de man, helemaal misvormd en opgezet, met dikke plooien en open plekken, de ogen bijna onzichtbaar en de huid verdikt en gevlekt, een soort leeuwengezicht en een olifanten-huid lijkt het wel. Wat een zenuwslopende rotziekte is lepra toch, dacht Jezus.

“Als er dan een God is, waarom dan zoveel ellende en narigheid…”, dat is een vaak terugkerende vraag, wanneer ik met mensen in gesprek ben over God, geloof en kerk (om het thema maar even in deze trits samen te vatten). Vaak komt die vraag op, wanneer men zelf getroffen wordt door ziekte of ongeluk, terwijl men misschien al 60 jaar of langer onbezorgd geleefd heeft in een wereld, die aan alle kanten en van begin af aan getekend is door gebrek, mislukking, misdaad en degeneratie. Maar daar had men blijkbaar geen last van. Voor veel mensen betekent geloven in God blijkbaar, dat Hij ervoor moet zorgen, dat hun tafel gedekt is en hun bedje gespreid is dat alles op rolletjes verloopt in hun leven. Geen vuiltje aan de lucht. Dat noem ik maar gemakshalve ‘mooi weer-geloof’.

Of betekent geloven in God, dat ik eraan vasthoud, dat te midden van het lijden en ook wanneer alles mij uit handen valt, er een Macht is, die mij draagt en die mij liefheeft tot het uiterste en daaraan voorbij?

Dit ook even tussen haakjes, want we keren nu weer terug naar die ontmoeting tussen Jezus en die melaatse man. Wat een rotziekte is lepra toch, hoorden we Jezus denken. En Jezus vraagt zich niet af, of dit de wil van God is enzo…maar hij voelt zich eerder geroepen om het gevecht aan te gaan tegen deze ziekte en zó de wil van God aan het licht te brengen.

Want de man vraagt aan Jezus of hij hem wil rein maken, hem wil afhelpen van zijn melaatsheid, zodat hij weer kan functioneren als mens in de samenleving. Niet meer aan de rand, niet meer buitengesloten van alles: nooit naar een feestje, nooit naar de synagoge, nooit naar de winkel…altijd maar geïsoleerd, nagekeken en verafschuwd. Nooit meetellen, altijd achteraan staan, gestigmatiseerd door het leven gaan. Is dat wel leven, eigenlijk? Hoeveel mensen in onze samenleving en in de wereld kunnen zich hierin niet herkennen? Zonder deze ziekte te hebben worden zij gemeden als de pest, omdat ze van een andere cultuur zijn, anders denken, een andere huidskleur hebben, een ander geloof, andere seksuele geaardheid…

Nee, dat is geen leven, vindt Jezus. Daarom heeft hij medelijden met deze man. En hij wil er alles aan doen om deze mens weer een deel van leven te geven.

Ja hoor, zegt Jezus…ik wil. Ik wil, dat jij weer volwaardig mens wordt, dat je weer kan deelnemen aan het sociale verkeer, dat je niet meer nagekeken wordt, dat mensen niet meer met een boog om je heen zullen lopen, dat je je ratel kunt opbergen op zolder, dat je, kortom, voluit mens wordt, zoals ik het wil, zoals God het wil!

Deze wonderlijke, openhartige en liefdevolle ontmoeting, waarbij Jezus er niet voor terugdeinst om deze man aan te raken – daarmee aangevend, dat hij geen afstand voelt, dat er wezenlijke nabijheid is van mens tot mens – leidt tot een doorbraak, tot een ongekende en ongehoorde transformatie en transitie.

De man wordt volledig als mens aanvaard en uit zijn isolement gehaald door een simpele aanraking en een liefdevol woord.

Jezus stuurt de man naar de priester om hem genezen te laten verklaren. De priester geeft hem bij wijze van spreken een stempel ‘gezond’ en heft daarmee alle beperkingen op. Vanaf dat moment is hij vrij man, bevrijd van zijn melaats-zijn en vrij om te gaan en te staan waar hij wil.

Merkwaardig, dat Jezus niet wilde, dat er ruchtbaarheid werd gegeven aan deze ontmoeting. We zitten nog maar in hoofdstuk 1 van Markus, die in vliegende vaart het optreden van Jezus vertelt, maar tussendoor onderstreept Markus, dat er hier sprake is van een ‘geheim’, het ‘messiasgeheim’. Het is niet bestemd voor de straat en de grote klok, maar in de verborgenheid wordt het zaad van het Koninkrijk gezaaid. Soms licht het op als een komeet in de nacht, maar vaak zien we niet wat het evangelie uitricht in de wereld. Het is als een zuurdesem, dat alles doortrekt – je kunt niet zeggen: kijk, hier is het of daar! We zouden dat wel veel prettiger vinden en het zou op de wereld ook meer indruk maken, maar Jezus kiest een andere weg…dat is de weg van de vernedering en de verborgenheid, uiteindelijk zelfs de weg van het lijden en het kruis.

Zó, op die wijze, is hij present in de wereld, op verborgen, eenzame plaatsen buiten de steden – dat is natuurlijk niet letterlijk bedoeld, maar als aanduiding van ‘uit het zicht’, niet roepend op de straten, maar stil en onhoorbaar doet Hij van zich spreken en onzichtbaar en zonder ophef laat Hij zich zien.

Meester, men zoekt u wijd en zijd, komend langs velerlei wegen. Daarom zoekt u elk mensenkind. Zoek, herder, mij, opdat ik vind en steeds meer bij U zal horen (LB 837: 4 – nieuwe versie).

zondag, 21 januari 2018 12:26

Overdenking gehouden op de Zondag van de Eenheid 21 januari 2018 in de Doopsgezinde en Remonstrantse (DoRe) Gemeente in Meppel n.a.v. Exodus 15: 1-6, 20-21.

 

Recht door zee

 

Inleiding:

Vanmorgen mag ik bij u voorgaan bij de opening van de Week van gebed voor de Eenheid. Lange tijd was het in Meppel traditie dat de voorgangers van de verschillende kerken bij elkaar voorgingen. Vandaag is dat ook zo, maar het zal wel de laatste keer zijn, nu de RvK zichzelf heeft opgeheven of gaat opheffen. Hopelijk komt er een alternatief voor de wijze waarop wij uitdrukking probeerden te geven aan verbondenheid met elkaar.

Ik wil vanmorgen de liturgie volgen, die is opgesteld door de Raad van Kerken in Ned. in samenwerking met christenen in het Caribische gebied. De hoofdlezing is de bevrijding van Israël uit Egyptische slavernij en de doortocht door de Rode Zee, eindigend met het loflied van Mirjam. M.n. voor de gelovigen in het Car. gebied een inspirerende lezing, omdat zij er zichzelf gemakkelijk in kunnen herkennen, omdat zij ook eeuwenlang als slaven werden behandeld. Uiteindelijk kwam wel de afschaffing van de slavernij tot stand, maar dat betekende nog niet het einde van onderdrukking en achterstand.

De inleidende teksten, liederen en gebeden volg ik dus vanuit deze handreiking. Zo ontstaat er ook verbondenheid met andere gelovigen in andere kerken, die hetzelfde doen. Wel zal er een grote diversiteit aan interpretaties en toepassingen zijn n.a.v. de lezingen, maar dat is te danken aan de vrijheid van de Geest, die waait waarheen zij wil. Zo is de overdenking ook geheel van eigen hand.

 

Het verhaal van de bevrijding uit die arbeiderswoning daar in Egypte is eigenlijk te beschouwen als een voorbeeld-ig of metaforisch verhaal. Je kunt er allerlei historisch onderzoek naar doen en je wilt misschien weten, wanneer nou e.e.a. precies gebeurde en welke farao toen heerste en of die zee nou werkelijk zo doormidden spleet – en hoe kan dat nou en zo? – maar dan doen wij onszelf en het verhaal tekort.

Als wij zo’n bijbelverhaal te lezen krijgen moet de vraag niet zijn: is alles precies zo gebeurd als dat het opgetekend is, maar zou de vraag moeten zijn: kan ik, kunnen wij deze ervaringen van Israël meevoelen en meebeleven in ons eigen leven. Kunnen we iets van slavernij in ons eigen leven herkennen. Hoe kun je daar aan ontsnappen en is het wellicht een ‘narrow escape’. En hoe vertel je dat aan anderen? Hoe uit je je vreugde daarover en je hoop? Kan dit verhaal uit Exodus als een voorbeeld gelden. En schrijf je de bevrijding uiteindelijk toe aan God of is dat ook ‘risky business’, omdat dat al zo vaak gedaan is en lang niet altijd tot meerdere eer en glorie van God. Of wil je heel andere motieven inbrengen en schrijf je je voortgang vooral toe aan jezelf, of de omstandigheden, je eigen doorzettingsvermogen e.d.

M.a.w. ik zou kunnen zeggen: voor wie wordt er een standbeeld opgericht? In alle tijden hebben mensen behoefte gevoeld om een standbeeld op te richten, in welke vorm dan ook. Aan het eind van dit bijbelgedeelte wordt ook een standbeeld opgericht door Mirjam in de vorm van een lied. Dat is een eerbetoon aan God, die als de ultieme Bevrijder wordt gezien. Het was niet ten gevolge van onze eigen inspanningen en ook niet de strategische inzichten van Mozes waren doorslaggevend en ook niet traagheid van de Egyptische troepen, maar het was meer een samenloop van omstandigheden, die harde oostenwind precies op dat moment, het was ook de kleine voorsprong die wij hadden, het overwicht van Mozes…en noem alles maar op, wat je kunt bedenken, maar uiteindelijk valt onze mond toch open van verbazing en verwondering en beginnen te zingen: Hij was het!

Maar een standbeeld, in welke vorm dan ook, is niet ongevaarlijk. Want het knarst in de oren en bijt in de tong om God zo luidruchtig te bezingen als een Oorlogsheld, als een generaal, die de troepen van de tegenstanders in de zee laat verdrinken. Hé, Mirjam, heb je daar wel eens aan gedacht?

Zeker in doopsgezinde oren moet dat klinken als vloeken in de kerk (of: de Vermaning)!

Maar ook andere standbeelden zijn aanvechtbaar en hun bestaansrecht wordt momenteel alom aangevochten. M.n. ook die in verband staan met het thema van vanmorgen, waarbij in het bijzonder wordt stilgestaan bij het slavernijverleden van de mensen in het Caribisch gebied.

Ons eigen zgn. zeehelden- en koloniale verleden heeft heel wat standbeelden opgeleverd en ook namen van straten en tunnels, van Coen tot van Heutz e.a. en we beginnen er steeds meer mee in ons maag te zitten. Ineens – of langzaam aan – begint het door te dringen dat onze glorie ook een heel andere kant heeft: één van onderdrukking en uitbuiting, slavernij en discriminatie. Het trotse en parmantige zelfbeeld komt onder druk te staan en dat is alleen maar goed, denk ik.

Recht door zee! Dat is altijd belangrijk, weten waar je vandaan komt en waar je heen gaat. Een wonderlijke weg. Een onmogelijke weg, eigenlijk, die toch begaanbaar blijkt en leidt tot vreugde en blijdschap, maar ook tot inkeer en zelfkritiek.

Zo brengt zo’n bijbelverhaal ons bij onze eigen geschiedenis, bij ons reilen en zeilen, ons falen en dralen – en de mensen van de Cariben zien we niet langer meer als werknemers en afnemers van onze producten, nee wij zullen elkaar niet meer inschatten op economische waarde, maar op intrinsieke waarde, alle mensen als beelddragers van God, vrienden en broeders en zusters in Christus. Daar zullen wij om bidden en daar werken wij ook samen naar toe!

 

zondag, 07 januari 2018 14:25

Preek gehouden op zondag Epifanie 7 januari 2018 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Jesaja 60: 1-6 en Mattheüs 2: 1-11

In deze dienst werd Bé Hagedoorn bevestigd in het ambt van ouderling-kerkrentmeester.

Voor het antependium op de kansel was een lichtende ster bevestigd.

 

Een ster op de kansel

 

Om (mee) te beginnen wens ik u allen veel heil en zegen toe voor het nieuwe jaar. Wat dat concreet kan betekenen is volgens mij o.a., dat we ons meer en meer bewust zijn van onze taak en roeping in de wereld, dat we deel uitmaken van een groter geheel en dat onze blik niet zozeer naar binnen en op onszelf gericht zou moeten zijn, maar meer naar buiten en naar de ander. Hoe meer we onszelf vergeten, hoe meer we gemeente van Christus zullen zijn. En hoe meer we aan onszelf denken des te groter de kans, dat we ten ondergaan aan meningsverschillen en strijdpunten over gebouwen, inrichting van de liturgie of invulling van vacatures.

Daarom is de zondagse eredienst zo belangrijk. Daar worden we telkens weer herinnerd aan onze oorspronkelijke roeping en ons gegrepen zijn door de onvoorwaardelijke genade van God. We worden even uit onze middelpuntigheid weggeslingerd en geplaatst in de ongekende en onmogelijke ruimte van God en we beginnen te zingen liederen van lof en bevrijding en we horen verhalen, die ons boven onszelf uittillen en die richting wijzen voorbij ons eigen denken en streven.

Wil de kerk nog enige betekenis hebben in de samenleving en mensen blijven inspireren op hun levensweg dan zal zij vooral ‘lichtvoetig’ en ‘relevant’ moeten zijn. Met lichtvoetig bedoel ik, dat de kerk geen topzware organisatiestructuur moet hebben, maar dat zij wendbaar en elastisch moet zijn, inspelend op veranderende situaties en gemakkelijk inspringend op wat op haar weg komt. Ik vergelijk de kerk wel eens met een politieke partij. Daarbij moet je altijd bedenken, dat het idee en het ideaal er altijd eerder zijn dan de organisatie.

Het socialisme als idee was er eerder dan de PvdA en het liberalisme eerder dan de VVD. Maar op den duur kan alle aandacht zo uitgaan naar de organisatie en de structuur en daar kan zoveel tijd en geld in gaan zitten, dat het idee en het ideaal totaal buiten beeld raken. Maar let op (!): de teloorgang van een partij betekent nog niet de teloorgang van het idee en het oorspronkelijke gedachtegoed!

Natuurlijk besef ik ook wel, dat er altijd sprake is van een zekere wederkerigheid, een heen en weer. Je hebt de organisatie ook nodig om het idee en het ideaal te bewaren, maar het idee en het ideaal gaan principieel voorop. En zo kan een organisatie op den duur leeglopen en totaal niet meer functioneel zijn als het gaat om het uitdragen van en vorm geven aan het ideaal.

Dat is voor de kerk ook altijd een kritische vraag: in hoeverre geeft onze kerk nog doorgang aan het idee, aan de idealen van het christendom en het christen-zijn?  Moeten deze eerste en fundamentele vragen niet aan alles voorafgaan?

M.a.w.: veel heil en zegen in het Nieuwe Jaar. Ik heb dat op mijn manier enigszins gespecificeerd nu en ik hoop, dat dat in het komende jaar ook leidend zal zijn bij alle mogelijke beslissingen, die er voor ons gemeente-zijn in Meppel aan zitten te komen.

Bij alles wat we in de loop van het jaar gaan doen en ondernemen zullen we a.h.w. terugdenken aan vandaag en aan de STER, die verschenen is. Wie is onze ster en op wie oriënteren wij ons en in hoeverre bepaalt deze ster onze koers?!

Het is vanmorgen – en wat mij betreft nooit – niet de bedoeling om een interessante preek te houden, bijv. over de vraag, wie die wijzen uit het Oosten wel waren. Daar kun je hele beschouwingen over houden en met veel kennis van zaken of zgn. kennis van zaken erover uitweiden, dat we hier niet te maken hebben met drie koningen, maar met een hele karavaan van priesters en hotemetoten uit Parthië, die ge-escorteerd en voor iedereen zichtbaar als een diplomatieke delegatie Jeruzalem binnenkwamen en iedereen was onder de indruk van hun komst en hun rijkdom en uitdossing. Hmm…interessant.

Of wanneer ik zou uitweiden over hoe de sterren ervoor stonden in de periode van rond het jaar nul en dat er inderdaad juist in die tijd bijzondere astronomische verschijnselen zich voordeden en dat iedereen, die een beetje verstand van sterrenkijken had dit wel moest opmerken. En dat het dus helemaal niet zo vreemd was dat deze astrologen elkaar aankeken en zeiden: “Hé, er is vast ergens een koning geboren. Spullen pakken…en we gaan!”

Hmmm…interessant!

We komen niet in de kerk om interessante achtergrondinformatie te vernemen over een voorval, dat rond de jaartelling al of niet heeft plaatsgevonden. Wij zijn hier gekomen en we komen hier telkens weer – want we zijn vergeetachtig en hardleers – om ons leven en ons gemeente-zijn te oriënteren op de ster!

Wie is het ook al weer, die ons de weg wijst? Wat zullen we uiteindelijk doen met al onze kennis, inzichten, bezittingen, talenten? Houden we alles voor onszelf of leggen we alles neer aan de voeten van de pasgeboren Koning? En zingen we dan misschien zachtjes: Neem mijn leven, laat het, Heer, toegewijd zijn aan uw eer?

Zijn we bereid om van ons paard of onze kamelen af te komen en te bukken als we de deur van de stal of het huis binnengaan? Realiseren we ons ineens, dat de ster aan de hemel deze ster op de aarde is? Dat dit geboren Kind als een komeet de hemel heeft verlicht en als een vallende ster onder ons is verschenen om ons te verlichten en de weg te wijzen?

We gaan een nieuw jaar in en laten we daarbij steeds beseffen, dat we onderweg zijn en dat de Ster ons voorgaat en dat wij de Ster zullen volgen. Op dood en op leven, op hoop van heil en zegen! Hebt u het opgemerkt? Vanmorgen hadden we een ster op de kansel!