Logo dsCH 

Lucas 4: 14-21

Preek gehouden in de Oude Kerk te Meppel op zondag 27 januari 2013 n.a.v. Lukas 4: 14-21

Het heden vol van eeuwigheid

De brokstukken ervan staan nog overeind. De synagoge waar Jezus in Nazareth gepreekt heeft staat er nog voor een deel. Misschien gaan sommigen van u er o.l.v. collega Pieter dit jaar nog een kijkje nemen en ik hoop, dat u dan even aan deze zondag terugdenkt. Zoals we nu vooruitkijken naar dan, kijkt u dan terug naar nu! Maar vanmorgen zijn we niet geïnteresseerd in oude bouwwerken en in archeologie, maar wij zijn hier gekomen om woorden van God of het Woord van God te horen, om Hemzelf te ontmoeten in de lezing en de overdenking, in lied en gebed. Dus als wij bij de brokstukken van een synagoge of een kerk staan, moeten we altijd bedenken: synagogen en kerken vergaan, maar het Woord van onze God blijft altijd bestaan!
Daar moeten we misschien ook meer aan denken als we voor deze kerk staan of voor die andere op het marktplein: hoe gehecht we ook mogen zijn aan een gebouw, een gebouw is een gebouw en de kerk is het lichaam van Christus en Zijn gemeente bestaat uit mensen. Kerkgebouwen worden verkocht of storten in of vliegen in brand, maar het Woord van onze God houdt eeuwig stand.
Nu gaat Jezus ook naar de kerk – dat was hij gewend of liever: daar had hij zich aan gewend – want ook voor hem was dat een plek om tot zichzelf te komen, om de woorden van God te betrekken op zijn eigen leven en zo meer inzicht te krijgen in zijn roeping.
Wat eraan voorafgaat is wel even belangrijk: hij is gedoopt door Johannes en dan klinkt die stem uit de hemel: Jij bent mijn geliefde Zoon. Het is de aanwijzing van Godswege van zijn hoge roeping en dan wordt hij de woestijn in geleid en wordt hij op de proef gesteld: het is een testcase, een examen. Kan hij de tegendruk en uitdaging aan? En dan krijgen wij te horen, dat hij gesterkt door de Geest naar Galilea gaat en dan bezoekt hij wekelijks de synagoge. En daar ontdekt hij steeds meer wat hem te doen staat, wie hij is en waartoe hij in de wereld is gekomen. Dat ontdekt hij meer en meer aan de hand van de Schriften. De Schrift, in dit geval nog alleen het Oude Testament, is voor hem een vindplaats van zijn roeping, een inspiratiebron om mee te leven. Het profetische woord vormt hem zodanig, dat Hijzelf wel het levende Godswoord genoemd kan worden.
De synagoge is voor hem ook de plaats om de band met God zijn Vader te beleven en te versterken. Niet alleen dáár, Hij zoekt het soms ook in de bergen: “gij badt op eenen berg alleen..”, een bekend gedicht van Guido Gezelle, nietwaar? En ook in de ontmoeting met mensen en kinderen,  met de natuur en de geschiedenis, dat alles is van betekenis voor zijn omgang met God. Maar de synagoge is bij wijze van spreken het begin- en uitgangspunt.
Ik hoop dat u dat zelf ook zo ziet: de zondagse eredienst als een opknapbeurt van uw geloof. De plek waar het ook begonnen is... Ons doen en laten wordt daar/hier weer even tegen het licht van de Schrift gehouden en we kunnen de week met al zijn uitdagingen en verrassingen weer aan.
Een paar jaar geleden kwam eens een groepje catechisanten voor de dienst bij mij langs en zij hadden een vraag: Ds. Cees, zeiden ze, kunnen we God hier vinden? Zij bedoelden, in de kerk, in de kerkdienst? Ik vond het een moeilijke, eigenlijk een onmogelijke vraag. Want wat zeg je daar op? Als ik gezegd had: Ja, natuurlijk, dan hadden ze mij gevraagd: nou, laat eens zien dan? Als ik gezegd had: Nee, hoor...dan hadden ze gevraagd: maar, waar dan wel? En is het niet vreemd, dat Hij dan hier niet te vinden is?
Misschien raken we in zo’n lastig parket, omdat de vraag eigenlijk niet goed is. Ik denk aan het Woord dat Jezus gezegd heeft: Wie zoekt zal vinden, of: wie zoekt vindt! God zoeken is Hem vinden. Je staat met je vraag niet op neutraal terrein, niet als een niet-betrokkene, maar als een geïnteresseerde, als een zoeker, die al door Godzelf gevonden is. Daarom stel je die vraag en dus moet je in je zoektocht eigenlijk niet vooruit, van het niets naar iets, maar je moet terugkijken en denken: waar komt die vraag vandaan? Hoe kan ik naar God vragen en zoeken, als Hij mij niet gezocht en gevonden had?
Vind je God in de kerk? Ja, als je Hem zoekt en gelooft, dat je door Hem gevonden bent. Ja, als je het woord uit de Schrift aanvaardt als zijn woord. Ja, als je je openstelt voor Hem – Hij is hier niet aanwezig, zoals het meubilair aanwezig is, niet als een voldongen feit, maar wél als een gegeven, dat zich aan ons wil schenken. Maar God laat zich ook niet opsluiten in de kerkdienst: Hij is vrij om zich overal en op alle mogelijke manieren aan mensen te openbaren: overal waar mensen Hem zoeken laat Hij zich vinden. God is groter dan ons hart, ook groter dan de kerk en zijn stem reikt verder dan deze ruimte en dit moment.
Maar voor óns geldt in zekere zin: dít is voor ons het óns gegeven moment. En dat is heel belangrijk om daar even wat bij stil te staan, omdat ik het ook wil verbinden met het woord van Jezus, zoals dat staat opgeschreven in Lukas 4.
Jezus zegt daar in die synagoge: “Vandaag hebben jullie deze Schrifttekst in vervulling horen gaan”. Zo staat het tenminste in de NBV, maar als het zo vertaald wordt missen we, volgens mij, precies de clou.
Jezus heeft zojuist die woorden uit Jesaja 61 voorgelezen – de Geest van de Heer rust op hem, armen brengt hij het goede nieuws, gevangenen krijgen vrijlating, blinden het gezicht, onderdrukten krijgen hun vrijheid, kortom er wordt een genadejaar van de Heer uitgeroepen. Proclamatie! De vlag gaat uit! Nu gaat het werkelijkheid worden, wat van oudsher verwacht werd en beloofd!
Maar nu nog even terug naar de vertaling, die mij te vlak en te ondiep lijkt. Om u niet te vermoeien beperk ik mij tot één aanmerking en die gaat over het woordje “Vandaag”.
Vandaag is ‘klokketijd’. Vandaag gaat het dooien. Vandaag is de bloemkool in de aanbieding. Vandaag krijgen we visite. Vandaag is morgen gisteren. Vandaag is, wanneer men zou zeggen: om tien uur vandaag begint God te spreken in de Oude Kerk. Zorg dat je op tijd bent...
Er is een ander woord in de Nederlandse taal, dat meer geschikt is om het bijzondere van dat ‘gegeven moment’ uit te drukken – en dat woord stond er voorheen in, maar men dacht dat dat niet meer begrepen werd en ouderwets was en zo – en dat woord luidt: “Heden”!
Heden is deze Schrift, dit geschrevene, in uw oren vervuld. Heden komt dit woord in uw oren tot zijn recht en tot zijn bestemming. Heden komen deze woorden pas echt tot hun volle wasdom! Heden, terwijl u dit hoort, raakt u zelf vol van deze woorden en komt de Schrift tot haar recht.
Heden, d.i. wanneer deze woorden u raken en aangaan als woorden voor uw oren bestemd, in dat ondeelbare ogenblik spreekt de Eeuwige in uw oor en is er sprake van ‘het eeuwige Nu’.
Heden, zo gij zijn stem hoort, verhard uw hart niet! Heden is u geboren de Heiland, Christus de Heer!
Dat ‘heden’ heet in het NT ook wel ‘kairos’, dat is een beslissend moment in de geschiedenis of in je eigen leven. Een helder ogenblik, een moment van verlichting: ja, nú zie ik het! En niets en niemand kan het van ons afpakken, en ons ervan afbrengen: zó helder is het en zó blij maakt het! Dat het genadejaar is aangebroken, dat ik weet, dat niets en niemand mij kan scheiden van de liefde van Christus. Dat ik aanvaard ben, omdat ik gevonden ben door Godzelf.
Heden is een gegeven moment, een geschenk uit de hemel, terwijl alles om u heen is, zoals het is. Terwijl de reguliere lezing wordt gelezen, terwijl je gewoon rustig zit te wachten op de dingen die staan te gebeuren, niks bijzonders, zo gaat het altijd al, maar op een gegeven moment valt het kwartje en dringt het tot je door: Heden gaat het over mij! Ik word aangesproken en het raakt mij, dat ik een Godsbeminde ben. Ik had het wel gehoord, maar ik wist het niet, maar nu, nu ziet mijn oog en zegt mijn eigen hart: de Heer heeft mij gezien en onverwacht ben ik opnieuw geboren en getogen.
En zo sta je ook ineens in de volle vrijheid van de kinderen Gods. En dat is wennen, want we zijn gewend aan slavernij en het juk van dit wel en dat niet.
Het is vandaag Holocaust Memorial Day en uit de verschrikkingen van die tijd is een verhaal bekend, dat meldde, dat op een gegeven moment de kampbewakers waren gevlucht, omdat de amerikaanse of russische bevrijders eraan kwamen. Die geruchten gingen..en zo wilden zij het vege lijf redden. Maar de arme stakkers in de kampen, die dag in dag uit gedrild en vernederd waren, die dag in dag uit bevelen kregen en opdrachten moesten uitvoeren, die wisten zich eigenlijk geen raad met deze plotseling veranderde situatie. Toen iemand tegen hen zei: jullie beulen en bewakers zijn weg, toen waren er gevangenen, die zich nog een keer omdraaiden op hun britch, want ze konden het niet geloven. Anderen wisten niet wat ze doen moesten: ze waren maanden en soms jaren gewend geweest om bevelen op te volgen en nu moesten ze zelf iets gaan doen. Ze waren vrij, maar ze wisten nog niet hoe ze dat moesten zijn.
Zo kondigde Jezus het genadejaar van de Heer af, dat is het eeuwige heden van het welbehagen van God. Heden, zo u zijn stem hoort, verhard uw hart niet, maar laat u leiden...op de weg van uw leven, op de weg van de navolging, op de weg van het geloof, op de smalle weg van de vrijheid van de kinderen Gods, op de weg waar de duisternis is als het licht, op de weg van het bittere einde dat zoet zal zijn, op de weg die niemand anders gaat dan u, dan jij alleen, maar je bent niet alleen, want Hij die u geroepen heeft in uw dode oor, is bij je en Hij kent ons beter dan wij onszelf kennen.
Zo’n ommekeer, zo’n horen en telkens weer horen, maakt vrij, vrij voor God, vrij voor de ander, zoals het lied dat wij nu zingen, zo treffend verwoordt.
Tussentijds 73:
Zoals ik zelf gezonden ben/zo moet ook gij op weg gaan.
Geen knechten, vrienden noem Ik u,
Mijn woord zal door uw mond gaan. Etc.

J

K

L

M