Logo dsCH 

Psalm 139

Psalm 139 is de Psalm van de zelfkennis en de zelfkritiek. De Psalm van het ervaren van de nabijheid van God en de pogingen om daaraan te ontsnappen. Kortom, een psalm vol hoogten en diepten, waarin we hopelijk ook onszelf herkennen en waardoor wij ook onze verhouding tot God beter leren verstaan.
Het is ook een psalm met wisselingen in stemming en qua onderwerp en daarom hebben wij de psalm ook twee-stemmig voorgelezen. Stem en tegenstem, zoals we dat ook wel in andere psalmen tegenkomen en ook wel in ons eigen hart. Wanneer we met onszelf in gesprek zijn, onszelf soms tegenspreken en corrigeren. Ook dat vinden we in deze psalm terug en daardoor is deze psalm zo levensecht.
En het is een openhartige psalm. Niets blijft verborgen of achterwege. Ook de schaduwkanten van zijn bestaan, zijn vreemde en ongedachte gedachten komen openlijk naar voren en hij gooit bij wijze van spreken alles eruit, legt het openlijk op tafel. En hij doet dat ten overstaan van God, van wie hij gelooft, dat Hij hem door en door kent…en daarom kan en hoeft hij ook niets voor Hem te verbergen. Het heeft daarom de vorm van een gebed en de inhoud ervan is eigenlijk een belijdenis, een bekentenis. Zoals Augustinus zijn belijdenissen schreef en daarin zijn hart en zijn leven uitstortte voor Gods aangezicht, zo doet deze psalmdichter dat ook.
Hoe begint het nu, eigenlijk? Wel, het begint met een aanspraak, een toewending. Het begint met een adressering. Op een gegeven moment – ja, inderdaad: gegeven! – komt een mens tot het besef dat hij of zij een individu is, een uniek persoon met een bijzondere eigenheid. De mens op zichzelf, volkomen geisoleerd, helemaal op zichzelf aangewezen, alleen op de wereld met de vraag in zijn hart en hoofd: wie ben ik? Wat staat mij te doen en wat staat mij te wachten? Een mens in zijn oneindige mogelijkheden en volstrekt autonoom: ik kan doen wat ik wil, maar wat precies? Ik ben de schepper van mijn eigen leven en mijn eigen bestemming. Maar waarom zou ik er iets van maken en wat is de zin en het doel ervan? Dat zijn vragen, die ieder mens vroeg of laat eens stelt, al is het maar in een flits en dat is een moment van eeuwigheid, als het oneindige het eindige raakt, als de Eeuwige rakelings nabijkomt en ons influistert: je bent niet alleen, Ik ben er ook nog. En wie dat in zijn verwarde ziel en verstopte oor gehoord heeft zal meteen zeggen en erkennen: U bent er en het is dankzij U, dat ik er ben. U bent er en ik mag er ook zijn! Ik weet niet precies wie U bent, want U bent ondoorgrondelijk en hoog verheven, ik kan er niet bij, maar dit weet ik wel: U kent mij, U weet wie ik ben, hoe ik geboren ben en wat ik doe en niet doe. Ja, U doorgrondt mij! U kent mij beter en dieper dan ik mijzelf ken.
Dat is bevrijdend inzicht, maar ook beangstigend. Want wil je je wel laten kennen? En vind je het wel zo prettig om zo door en door doorgrond te worden? Laten we niet zeggen: sommige mensen vinden het bevrijdend en anderen vinden het bedreigend. Ik denk eerder dat het momenten en fasen in ons leven kunnen zijn: soms vinden we het weldadig dat God ons zo kent en soms juist niet. Soms zou je wel willen wegvluchten, het niet willen weten. Soms voelen we God als een last op onze schouder en willen we net als Jona wegvluchten van voor zijn aangezicht.
We vluchten voor God als we ons hoog verheffen, tot in de hemel. Als we onszelf opblazen tot Godzelf, zoals de torenbouwers deden en doen. Dat is het verhaal van ons mensen in onze hoogmoed en eigenwaan: ik kan dit en ik heb dit gepresteerd. Kijk mij eens! Zo zijn we in wezen op de vlucht voor God, maar zelfs daar kent Hij ons en weet Hij dat onze hoogmoed ijdel is en dat wij onszelf voorbijlopen. Ook daar vindt Hij ons.
Of wij vluchten voor God als wij ons opsluiten en afsluiten voor enig licht. Als we afdalen in de krochten van de onderwereld en ons te ruste leggen bij de doden en niet meer leven, niet meer echt leven, maar als een robot onze dagen slijten en als een slaaf de tijd doden. Soms zijn we er zo aan toe, soms geven wij ons zo over aan onzin en waanzin, dat we denken: God, wie of wat is dat? Ik maak me er niet meer druk om, ik leef m’n leventje toch wel, wie doet me wat?
Of aan het uiterste van de zee, waar het land ophoudt en de levensmogelijkheid stagneert. Op het grensgebied van leven en dood, op de vloedlijn van goed en kwaad, langs de horizon van licht en duisternis…waar is God? Maar Hij roept in ons dode oor: Mens, waar ben jij?! Je denkt mij te ontlopen, maar Ik ben jouw God en Ik vind je, Ik vind je waardevol, Ik houd van je en Ik wil je leven behouden. Gooi het niet in de afgrond, probeer Mij niet te ontlopen, want Ik zal jou nooit loslaten, Ik omgeef jou van voren en van achteren en waar je ook gaat, Ik ben bij je!
Cant. Bach: nr. 170 Vergnugte Ruh, beliebte Seelenlust.

Als God zo zijn hand op ons legt – dan kan de schrik om ons hart slaan! Hij ziet mij, en doorgrondt mij. Dan zak je door je eigen grond heen en ben je in een vrije val terechtgekomen! Angstig en bedreigend is dat. Het kan dan zo zijn, dat jouw vlucht voor God ervaren wordt als schuld. Dat je in je leven zo vervreemd bent geraakt van jezelf en van God, dat alles zinloos en waardeloos wordt. Zijn hand drukt zwaar op mij. Hoe kan ik er aan ontkomen? Vluchten kan niet meer…ik sta oog in oog met de Allerhoogste. Dat is een levensechte crisis, in kerkelijke taal heet dat het gericht. Maar ik gebruik liever het oorspronkelijke woord ‘crisis’, wat scheiding of schifting betekent - waarbij een scheiding plaatsvindt tussen echt en onecht, tussen waar en onwaar, tussen masker en aangezicht. In dat uur U, dat moment van eeuwigheid, dat zomaar midden in ons leven kan plaatsvinden, wordt ons helder dat vluchten voor God een onmogelijkheid is. Het kan niet. En terwijl Hij in die crisis ons vandaan haalt van achter onszelf, zoals wij dachten dat we waren en als Hij ons daar neerzet in onze eerste en eigenlijke naaktheid, dan dringt het ook tot ons door, dat vluchten voor Hem ook niet hoeft. Want Hij heeft ons gewild…en Hij wil ons nog steeds. Hij zoekt ons en Hij vindt ons, moede en mat vaak, maar ook opstandig en vijandig – maar Hij laat zich niet uit het veld slaan…en desnoods wel, ja Hij zoekt ons ten dode toe.
In die gevaarlijke en weldadige crisis worden wij stilgezet bij ons begin. Bij ons allerprilste begin en als we daar maar even aan denken, dan begint het ons te duizelen. O ja, ik weet wel, dat er door ons medisch en technisch vernuft vaak oppervlakkig en mechanisch over gedacht en gepraat wordt. Met reageerbuisjes en planningen, met prikken en infusen wordt de suggestie gewekt dat wij het nieuwe leven zelf fabriceren in onze labaratoria en klinieken. Dat wij het nieuwe leven zelf in de hand hebben en dat we in een vloek en een zucht een nieuwe mens kunnen maken. Maar laat het van onze kant gezien allemaal zo zijn en zo gebeuren, wanneer op een goed moment een mens zich bewust wordt van zijn eigen bestaan en geen genoegen neemt met en niet meer gelukkig kan zijn met het verhaal van zijn ouders over zaadje en eicel, buisje zus en zo en chromosomen X en Y en zo voort…wat een bevrijdend inzicht te weten, te geloven, dat U, mijn Heer en mijn God, dat U het was, die mijn nieren vormde, die mij begon te weven in de buik van mijn moeder! Hoe dat ging, ik kan het niet bevatten en ik weet het ook eigenlijk niet; het blijft een mysterie, grondeloos en wonderlijk. En misschien is het wel zo, dat hoe meer wij erover weten en erover onderzoeken en blootleggen, hoe groter het mysterie wordt. Maar wat het allerbelangrijkst is, is dat U het was, die mij bedacht, die mij wilde, die mij vormde.
Nee, dat is geen algemene uitspraak over hoe leven tot stand komt. We moeten deze psalm niet gaan omvormen tot een theorie over het onstaan van leven in het algemeen. Nee, de dichter spreekt een persoonlijke belijdenis uit. Ja, het is eigenlijk zijn gebed, hij wendt zich tot God, zijn Schepper en Bevrijder. U bent het!
Het is geweldig als wij dat de dichter kunnen en willen nazeggen, dat we ook ons eigen bestaan zo leren verstaan, als een door God gewild en gegeven bestaan. Als we onszelf in de oneindige tijd zien en temidden van de oneindige ruimte en samen met miljarden anderen, dan bekruipt ons wel eens het gevoel, dat het een waanzinnig toeval is, dat ik er ben, een onbegrijpelijk en onherleidbaar toeval. Ik had er ook net zo goed niet kunnen zijn en u ook, nietwaar? Maar de erkenning van God als mijn Schepper zet mij meteen op zijn plaats en met beide benen op de grond! Mens, je bent een mens Gods, geen toevalstreffer, maar een gewild exemplaar, uniek en waardevol.
O ja, aan het eind begint de dichter nog te foeteren en te schelden op mensen, die aan God voorbijlopen en Hem zelfs haten, zo vindt hij. Dat is eigenlijk wel een beetje een wanklank in deze zo serene en voorbeeldige psalm. Maar anderzijds ook wel levensecht en eerlijk, denk ik dan. Schiet maar eens een keer uit je slof en spuw je gal maar eens over de hoogmoed en arrogantie van de mensen.
Van de mensen…ja, ja, maar je bent er zelf ook een, beste dichter. Blaas nou maar niet zo hoog van de toren en oordeel niet over anderen. Je hebt je handen vol aan je zelf.
Ja, Heer, zo is het: daarom eindig ik ook maar zo: God, doorgrond mij en ken mij – ja, ik weet het: U alleen kent mij beter dan ik mijzelf ken en U kent ook de donkere kanten van mijn hart – en leid mij op de eeuwige weg!

J

K

L

M