Logo dsCH 

Marcus 10: 32-45

PREEK GEHOUDEN OP ZONDAG 21 OKTOBER 2012 IN DE OUDE KERK N.A.V. MARKUS 10: 32-45

“Wie volgt?”

Het Evangeliebericht dat vanmorgen op ons toekomt is overweldigend en diepzinnig. Het gaat over Jezus, de voorganger,  en over ons, ja over ons, die hem willen volgen. Hij die vooropgaat gaat vastberaden zijn ongekende gang en wij die volgen aarzelen of zijn bang, stellen de verkeerde vragen of hebben vreemde ambities.
Laten we proberen of wij Jezus kunnen volgen, op zijn weg naar Jeruzalem, zijn weg omhoog en toch eigenlijk ook omlaag, zijn weg van vernedering, die tegelijk ook een weg van verhoging was en werd. Kunnen wij Jezus volgen op deze vreemde weg, vol tegenstrijdigheden en spanningen?  Kunnen wij hem volgen in wat hij ons zegt en hoe hij reageert op onze vragen en wensen?
De weg naar Jeruzalem is lang en krom en daarom stoppen wij zo nu en dan even. Op een open plek, bij een bankje langs de weg, voldoende gelegenheid om even op adem te komen en bij te praten. Zo wil ik ook deze overdenking inrichten als een verzameling halteplaatsen, meditatiemomenten, denkplekken om meer en beter toegerust weer verder te gaan.
Het eerste dat opvalt is meteen al de voortvarendheid en doelgerichtheid van Jezus. Hij gaat voorop en hij weet precies waar hij heen wil. Er is geen sprake van onzekerheid of aarzeling. Wèl bij degenen, die hem volgen, die met hem mee willen, achter hem aan. Die zijn vol verbazing en zelfs angstig. Zij vragen zich af: waarom gaat hij die kant op? Is dat wel verstandig en zinnig? Waarom zou je je in het hol van de leeuw gaan begeven? Niet doen, zeggen zij eigenlijk, te gevaarlijk!
Maar Jezus laat zich niet van de wijs brengen. Hij is vastbesloten om naar Jeruzalem te gaan. Ook al weet hij wat hem daar te wachten staat. Markus legt Jezus in de mond, precies wat er gebeurd is: hij zal overgeleverd worden door de religieuze hotemetoten en hij zal ter dood veroordeeld worden en de heidenen, de Romeinen, zullen het vonnis uitvoeren en hem bespotten en geselen en uiteindelijk zullen ze hem doden. Maar na drie dagen zal hij opstaan.
Op dit rustpunt kunnen we een speculatieve boom opzetten, bijv. door te zeggen, dat Jezus alles precies vantevoren wist en dat hij dus in feite niets anders deed dan het script van de film uitvoeren. Ik ben zelf altijd wat huiverig voor dit soort redeneringen, omdat Jezus dan te onmenselijk wordt en iets robot-achtigs krijgt. Bovendien doe je dan ook net alsof Markus als een moderne journalist ‘quotes’ van Jezus heeft opgevangen, die hij keurig netjes in zijn journalistieke verslag opneemt, precies zoals Ferry Mingelen met zijn microfoon politici interviewt en citeert.
Wat Markus vertelt lijkt heel veel op een van te voren vaststaand scenario, dat Jezus nu precies gaat uitvoeren. Maar daarbij moeten we wel bedenken, dat Markus zijn evangelie heeft geschreven, nádat alles gebeurd was en nádat de gemeente dit hele gebeuren is gaan duiden. Dat de Jezus-movement toch niet op niets was uitgelopen en dat je niet van Jezus kon zeggen, dat hij dood was, maar dat Hij leeft! Dat de dood en de opstanding van Jezus betekenis hebben, voor ons. Dat het uiteindelijk ons ten goede is geworden, dat wij mogen leven door hem, in een verzoende verhouding met God. Ja, wij geloven, dat Hij zijn leven heeft gegeven, vrijwillig, uit pure liefde en in volstrekte zelfovergave, tot een losprijs of als losgeld voor velen. En terwijl de gemeente van Christus daar zo over nadacht en ook bij leefde, heeft Markus de pen bij het woord gevoegd en het opgeschreven, zoals hij gedaan heeft en deze uitkomst en duiding Jezus zelf in de mond gelegd.
Nu kan daardoor weer de indruk ontstaan, alsof Jezus helemaal niets wist van een afloop en een betekenis. Dat gaat mij ook weer te ver: hij had wel degelijk een besef van een roeping en een gezonden-zijn en hij wist dat zijn optreden en zijn manier van zeggen en doen vijandschap opriep en dat het hem zijn leven zou gaan kosten. Maar daar is hij niet voor weggelopen. Hij heeft tot het einde toe aan zijn roeping en bestemming vastgehouden. En daarom kan gezegd worden: dat hij ons heeft liefgehad tot het uiterste, zelfs al kostte het hem zijn leven. Dat heeft hij gegeven voor ons, aan ons, zou je zelfs wel kunnen zeggen: wij leven door en dankzij Hem!
Zo stonden we daar even op die eerste plek, bij die speculatieve boom, om te voorkomen, dat we het leven en sterven van Jezus teveel zouden gaan opvatten als het ten uitvoer brengen van een script en anderzijds raakten we ervan onder de indruk, dat Jezus bereid was ten einde toe trouw te zijn aan God, aan zichzelf en aan ons, aan alle mensen, die Hij liefhad tot het einde.
Nu komen we bij de tweede halteplaats en daar gaan Jacobus en Johannes een vraag stellen. Dat is altijd spannend, als iemand een vraag gaat stellen. Een goede vraag stellen is moeilijker dan men denkt. Een vraag stel je aan een ander, maar hij komt wel bij jou vandaan. Jij stelt de vraag en die vraag vertelt heel veel over jou, de vragensteller. Zo ook deze vraag: Heer, als u in uw glorie heerst, mogen wij dan links en rechts van u zitten? Denken zij dat Jezus de Romeinen gaat verdrijven, te beginnen uit Jeruzalem? En dat Hij het koningschap van David zal herstellen en dat zij wel minister van binnenlandse of buitenlandse zaken mogen worden? Stonden ze even te suffen toen Jezus het had over zijn a.s. lijden en verworpen worden? Of waren ze toch wel wat spiritueler ingesteld dan wij nu denken en bedoelden ze eigenlijk te vragen: Heer, mogen we later bij u zitten, als we in de hemel komen? Een beetje vooraan, dicht bij u, dat lijkt ons wel mooi. Wij zijn toch de mensen van het eerste uur, wij zijn u toch op de voet gevolgd en wij hebben altijd geloofd en zijn trouw naar de kerk gegaan enzo, dus dat zou toch eigenlijk wel terecht zijn, als wij die plaatsen kregen?!
Jacobus en Johannes willen wel lang leven in de gloria, maar zij willen liever het kyrie overslaan. Het land van vuur en oven, het land van Babylon, de kommer en de pijn, de moeite en het verdriet, de lange zware weg van het leven, zoals zich dat voltrekt tussen geboorte en sterven, vol tragiek en schuld, vol oneffenheden en schaamte, daar willen deze twee in één keer uit springen of overheen dansen en zo rechtstreeks de gloria in. Wel op het podium, maar niet de Tour rijden, daar lijkt hun vraag en wens een beetje op.
Als we Jezus nu even een voor-ziende geest toedichten, dan had hij tegen deze twee kunnen zeggen: ik zie, ik zie, wat jullie niet zien, nog niet zien, maar ik zie er twee staan, eentje aan mijn rechterhand en eentje aan mijn linkerhand. Daar op die gindse heuvel: die van mij staat in het midden opgericht, maar aan weerszijden van mij staan deze opgericht: twee ruwwhouten kruisen, één aan mijn rechterhand en één aan mijn linkerhand. Wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, neme zijn kruis op en volge Mij!
Johannes en Jacobus weten eigenlijk niet wat ze vragen. En als Jezus hun de ogen er voor begint te openen, dan houden ze nog stug vol, dat ze heus wel de drinkbeker kunnen drinken, die Jezus moet drinken. Ze deinzen nergens voor terug, in hun overmoed en doldrieste geloof. Kunnen jullie mij volgen? Ja, hoor…roepen ze in koor. Maar het is grotendeels grootspraak, want als puntje bij paaltje komt vluchten ze allemaal weg. Ze?
Zo’n open plek met een bankje, waar we nu aangekomen zijn, is een goede plek om bij onszelf te rade te gaan. Wij zijn geen toeschouwers en meelopers, neem ik aan, maar wij zijn het zelf, die nu de vraag levensgroot toegespeeld krijgen: Kunnen jullie Mij volgen en de beker drinken, die Ik drink?
Op een gegeven moment komt die beker bij ons langs…de beker van verdriet en gemis, de beker van wanhoop en verslagenheid, de beker van ons ongeloof en onze hebzucht, de beker van ziekte en verlatenheid, de beker van verbittering en koude, de beker van lijden en schuld, …kunnen wij die drinken? Ja, niet omdat we dat zo graag willen, niet dat we het zouden kunnen, maar het moet, het kan niet anders…zo is ons leven!
Maar, Goddank, er is nóg een beker, die der dankzegging. Daarin komen eigenlijk al die bekers samen en terwijl we daar met lege handen staan, wordt díe beker ons aangereikt…door Hem, die alles ten einde heeft volbracht…en Hij zegt: drinkt allen daaruit. Dit is mijn bloed, mijn leven, mijn liefde voor u. Doet dat zo dikwijls gij die drinkt – tot mijn gedachtenis!
En we staan op en gaan weer verder…verder, achter hem aan. En onderweg vertrouwt hij ons ook nog toe, dat we niet moeten streven naar grootheid en aanzien en willen heersen enzo…nee, wie onder u groot wil zijn, die moet dienaar zijn, dienaar, diaken van en voor iedereen.
Bij de volgende open plek begonnen ze daarover na te denken. Dat leverde ook weer veel stof op tot gesprek. Maar Jezus draaide zich toen om en zei: Hé, jullie staan daar wel heel diepzinnig over te praten, maar let op:  ‘dienen’ is een werkwoord. Dienen moet je doen! Jullie zijn eigenlijk allemaal diakenen, niet alleen in de kerk, maar juist ook in de wereld. Als iemand zegt: ik wil wel diaken worden. Prachtig! Doen! Maar ook al word je geen diaken als ambtsdrager, je bent het toch, je bent al geroepen tot dat ambt, want daartoe zijn wij allen geroepen om elkaars dienaars te zijn. Elkaar van dienst te zijn!
De vraag is of we dat zo zien, zo kunnen en willen zien. Het is wel veelbetekenend, dat het hoofdstuk eindigt met de genezing van een blinde, Bartimeüs is zijn naam. Ook toevallig, zouden we kunnen denken, maar ik denk dat het anders zit: Markus vertelt het juist hier, na alle misverstanden en gebrek aan inzicht. Jezus maakt Bartimeüs ziende en, zo lezen we dan, hij volgde hem op zijn weg. Kortom, we kunnen Jezus alleen maar volgen, als hij ons ziende heeft gemaakt, als hij ons de ogen opent voor onze dwaasheden en ons de ogen opent voor zijn heilzame weg…zijn weg ten dode, zijn weg ten leven! Wie volgt?!

J

K

L

M