Logo dsCH 

Romeinen 8: 31-39

Preek gehouden in de Grote of Mariakerk op de 7e zondag van de zomer 3 augustus 2014 n.a.v. Romeinen 8: 31-39

Alleen in God ben ik geborgen

De woorden, die Paulus spreekt aan het einde van Romeinen 8, zijn zo overweldigend en allesomvattend, dat ik me afvraag of we ze wel kunnen bevatten. Het lijken wel een paar imposante slotakkoorden van een zorgvuldig opgebouwde symfonie. En als die klanken zijn weggeklonken dan is er een stilte en daarna een daverend applaus. Zo enthousiast is iedereen, zo meeslepend vond iedereen deze muziek en hoe overweldigend waren die slotakkoorden. Men praat er nog lang over na en men is innerlijk vrolijk en uitgelaten, dat men er bij was. Wat een happening!

Zoiets zouden deze slotwoorden van Paulus ook moeten teweeg brengen. Dat je tegen jezelf en tegen elkaar zegt: Wow!!! Wat een verheldering van mijn bestaan, wat een bevrijdend en meeslepend inzicht geeft de apostel mij hier. Hier kan ik mee leven!

Krijgen de woorden van Paulus dat nog voor elkaar? Ik ben bang van niet en dat is doodzonde. Ik voel me als vertolker van zijn boodschap altijd een beetje tussen twee vuren in staan. Ik richt me enerzijds tot mensen, die deze woorden allang kennen, ze van buiten hebben geleerd, precies weten wat ermee bedoeld wordt, ze ingelijst hebben, er een leef programma aan opgehangen hebben, ze citeren als het uitkomt, er geen vragen bij hebben, er een slogan of spreuk van gemaakt hebben, kortom: gesneden koek.

Maar er zijn anderzijds ook mensen, die deze woorden vreemd en niet van deze tijd vinden. Ouderwets en hoogdravend. Zij halen hun schouders er over op en lopen de plaats voorbij, waar deze woorden ter sprake komen. Geen

boodschap aan, vinden zij. Dat zijn jonge en oude mensen, mensen, die zich op allerlei gebied ontwikkelen en vragen hebben bij wat er in de wereld en in hun eigen leven gebeurt, maar zij vinden de woorden van Paulus niet relevant: daar hebben ze niks aan, vinden zij, die zeggen hun niks. Ze bieden in elk geval geen houvast en geen troost.

Als mensen iemand verliezen of wanneer iedereen begaan is met een vliegramp, zoals in onze dagen, dan zoeken mensen troost bij elkaar, men steekt een kaarsje aan of legt bloemen neer, maar zo las ik ergens, mensen vinden geen troost bij de gedachte, dat de overledenen bij God zijn. Soms hoor je mensen met een beschaamd glimlachje nog wel eens zeggen, dat hun dierbare vanaf een wolkje meekijkt met wat er allemaal gebeurt of dat de dierbare overledene een sterretje in het helaal geworden is, maar de robuuste taal van Paulus, dat niets – dood noch leven – ons kan scheiden van de liefde van God, dat wij m.a.w. altijd in Gods hand zijn, dat wordt niet meer als alles overstijgende troost ervaren, blijkbaar.

Nu kun je troost natuurlijk ook niet opleggen en ook niet uit je hoofd leren. Ik probeer er achter te komen, hoe het komt, dat veel mensen deze gedachte van de universele liefde van God niet meer of nog niet oppikken. Ik zei een keer tegen iemand, die verdriet had om het heengaan van een geliefd medemens: in de kerk noemen we altijd de naam van iemand die gestorven is en altijd zeg ik dan dat woord van Paulus: ‘niemand leeft voor zichzelf, niemand steft voor zichzelf, hetzij wij leven, hetzij wij sterven, wij zijn in de hand van de Eeuwige’. Toen keek ze mij aan en zei: is dat niet een beetje ouderwets? Eerlijk gezegd was ik verrast door en verbaasd over deze reactie: Ouderwets? Wat is hier ouderwets aan? Toen dacht ik: ja, het is misschien de taal die ouderwets klinkt. Daar zou je iets aan kunnen doen door te zeggen: ‘of we nu leven of sterven, wij zijn in de hand van de Eeuwige!’ Altijd dus. Veel christenen denken vaak,

dat ze pas met God te maken krijgen, als ze gaan sterven. Dan gebeurt er precies wat die predikant beleefde, die een zeereis maakte en toen het hard begon te stormen en mensen hun spullen bij elkaar begonnen te pakken en niemand zich meer zeker voelde, dat toen die dominee het woord nam en over het dek riep: ‘wij zijn allen in Gods hand!’ Maar wat hij bedoeld had als bemoediging en troostwoord werd opgevat als een noodsignaal: ‘beste dominee, riepen de mensen naar hem, is het zo erg? Gaan we vergaan?’

Kunnen de woorden van Paulus, die een kern in zich hebben van allesomvattende troost, allesoverstijgende grond onder ons bestaan, kunnen deze woorden door mensen van de kerk en daarbuiten opgepikt worden als bemoedigend, verheffend, blij makend, angst verjagend, ja kunnen dat woorden zijn, die ons leven in alle opzichten verhelderen, kleuren en funderen? Ik ben er zeker van....en ik hoop het! En ik doe mijn best ervoor...

Paulus zet ons leven in een ander licht, in een ander perspectief. Hij zet ons op een ander been, waardoor ons leven niet meer stuk kan, hoewel het aan alle kanten bedreigd wordt en geen stand kan houden.

Paulus gaat daarbij uit van het Christus-gebeuren – laat ik het zo even noemen – of liever: het Christus-geheimenis, de incarnatie, de nabijheid van God in Christus Jezus, in zijn dood en opstanding. “Die zijn Zoon niet gespaard heeft, maar voor ons allen heeft overgeleverd”...daar begint het mee. Dat is, menselijkerwijs gesproken, het goddelijk initiatief. Maar laten we wel wezen, hier begint ook meteen de moeilijkheid, want zo vroeg iemand mij een keer: wat is dat voor een God, die zijn Zoon overgeeft om in alle misère ten onder te gaan, te lijden en te sterven. Ik vind zo’n God masochistisch, bikkelhard, geen Vader. Welke vader zou zoiets doen?

Lieve gemeente, we kunnen deze woorden alleen enigszins begrijpen, als we de éénheid van de Vader en de Zoon onderstrepen. De Vader staat niet tegenover

de Zoon en tegenover ons, maar in een onbegrijpelijke eenheid en eensgezindheid deelt God in het lot van mensen, zoals gedaan en ondergaan door de Godmens Jezus de Christus. Het is Godzelf, die zichzelf heeft prijsgegeven om ons te redden. Hij is, zeg maar, dat brandende huis ingestormd om ons uit de vuurzee te redden. En het kostte Hem zijn leven. Hij heeft zichzelf niet gespaard, zichzelf niet ontzien, alles op alles gezet om de wereld over te zetten in een nieuw bestaan, zichtbaar gemaakt in de opstanding van Christus.

Anders gezegd: God staat niet op een afstandje te kijken, hoe wij lijden en naar de vernieling gaan, maar Hij is er zelf in afgedaald en heeft het op zich genomen. En daar doorheen heeft Hij het nieuwe leven en een nieuwe toekomst aan het licht gebracht. Dat is de boodschap van Pasen en zoals Paulus zegt: zal Hij ons dan ook niet met Hem alles schenken?: samengevat in dat allesomvattende begrip: eeuwig leven!

Dat is eigenlijk waar Paulus het voortdurend over heeft. Over de liefde van God...en dat is geen abstracte of sentimentele liefde, maar dat is de liefde, zoals die zichtbaar werd in de persoon en het werk van Jezus Christus, samengevat in de symbolen van het kruis en de opstanding. Het kruis symboliseert de oude werkelijkheid van lijden en dood, alles wat ons overkomt, en de opstanding symboliseert het nieuwe leven, dat ook ons nu al over ons gekomen is en waaruit wij leven, nu en eeuwig.

De oude werkelijkheid is er nog wel, die is in zekere zin springlevend, maar tegelijkertijd ook ten dode opgeschreven: het is de wereld van schuld en zelfverwijt, van tekortkomingen en jezelf beter voordoen dan je bent. Het is de wereld van de schone schijn en de verloren dromen; het is de wereld van jezelf bevestigen en de ander willen overtreffen; het is de wereld van geweld en doorzetten van je eigen belangen; het is de wereld van ten einde raad zijn en

het uitschreeuwen: mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten? En het antwoord niet weten. Niemand weet het, want je bent alleen, zonder God in deze wereld.

Maar Paulus roept tegen de storm en de golven in, zoals die dominee op het dek van dat schip: wie zal iets inbrengen tegen jullie? Wie zal jullie veroordelen? Er ligt een onbegrijpelijke vrijspraak op de deurmat. De advocaat, die het voor je opneemt, is namelijk ook je Rechter. In de praktijk van alledag ben je een ongelofelijke mislukkeling en blijf je ver onder de menselijke maat, maar “Ik houd van je!, je bent mijn kind”. Onvoorwaardelijke liefde. Niet: je moet je leven eerst maar eens beteren; je moet eerst maar eens flink je schuld belijden en je zonden erkennen; je moet eerst de Wet maar eens naar beste kunnen uitvoeren. Je moet eerst maar eens tekenen van verbetering tonen. Nee, niets van dat alles! Je staat daar als ‘mislukkeling’ in het licht van Gods vriendelijk aangezicht en Hij zegt: Ik heb je lief!

En dan noemt Paulus ook nog de wisselende omstandigheden en de vaste structuren van de wereld, waaronder wij kunnen zuchten en kunnen bezwijken. Dat we te maken hebben met en bepaald worden door dood en leven, onze genen en ons milieu, onze geschiedenis, ons heden en onze toekomst, hoogtepunten en dieptepunten – deze hele warrige werkelijkheid, die anderzijds ook weer volgens vaste patronen verloopt, waar niemand iets aan kan veranderen. Daar maken we allen deel van uit en daar zitten we allemaal en helemaal aan vast, maar – let op – niet los van God! De hymne van Paulus zingt erbovenuit, dat noch verdrukking noch vervolging, noch honger of het zwaard, naaktheid of een zwervend bestaan, ons kan scheiden van de liefde van Christus, die van Hem uitgaat en bij ons binnenkomt en in ons blijft wonen. Niets kan mij daarvan losmaken, want Hij heeft mij in Zijn greep en Hij laat niet meer los.

Het is als wanneer je een duo-sprong maakt met een parachute. Je zit vast aan de instructeur en hij houdt jou vast en zijn parachute brengt je veilig op de grond.

‘Alleen bij God ben ik geborgen’, zo heb ik als titel meegegeven aan deze preek. Misschien is het beter om te zeggen: alleen ín God zijn wij geborgen. God is de alomvattende werkelijkheid, in Wie wij zijn en ons bewegen. Deze God is geen verre, afstandelijke God, maar één en al liefde en bewogenheid om ons mensen en die ons blijft liefhebben en trekken in de richting van Zijn Rijk, dwars door alles heen.

En omdat ik in Hem ben en Hij in mij is kan ik Hem ook niet missen en ben ik ook nooit buiten Zijn aandacht.

’Bij God ben ik geborgen met heel mijn ziel, Hij is mijn licht, mijn heil. Ja, alleen God geeft vrede aan mijn ziel, zij vindt rust in Hem’, woorden, die zomaar ontleend zouden kunnen zijn aan Romeinen 8, een indrukwekkend mooi Taizélied, dat we nu beluisteren (orgel) en daarna zingen wij ‘Geest van hierboven’...! (LB 675)

J

K

L

M