Logo dsCH 

Mattheus 25


Preek gehouden op de 2e zondag van de zomer, 29 juni 2014, in de Oude Kerk, gezins- en ZWO-dienst n.a.v. Mattheüs 25 (slot)

Niet te min: welkom!

Allereerst een presentatie door jongeren en enkele begeleidsters over hun kloosterweekend eind november 2013 o.l.v. Sjoerd Bakker. Daarin komen o.a. thema’s als  anders-zijn, gastvrijheid e.d. naar voren.

“Toen ik een kind was, sprak ik als een kind”, schrijft de apostel Paulus ergens. Toen ík een kind was, lás ik ook als een kind. Wij hadden thuis een grote kinderbijbel en toen ik nog niet kon lezen, las ik er toch in. Ik bekeek namelijk heel nauwkeurig alle plaatjes, die bij de verhalen stonden. Later, toen ik wel kon lezen, zag ik, dat het illustraties waren – zoiets stond voorin – ik vond dat maar een raar woord, maar later begreep ik, dat het eigenlijk letterlijk zoiets betekent als ‘verhelderingen’. Het plaatje maakt helder en doorzichtig wat het verhaal bedoelde.
Nu hebben wij vanmorgen ook een verhaal van Jezus gehoord, over hoe de Zoon des mensen de mensheid zal be-oordelen – en daarover zou heel veel te zeggen zijn, maar hoe meer je erover zegt, hoe groter de kans, dat we het gehoorde op afstand proberen te houden. Vanmorgen wil ik het daarom iets anders aanpakken, ik ga twee illustraties plaatsen bij dit evangeliebericht. Het zijn twee verhalen of parabels, die precies aansluiten bij wat Jezus hier naar voren brengt. En waarom deze verhalen er zo precies bijpassen, ga ik verder niet uitleggen...dat ontdekt u zelf wel.  Het zijn heftige, indringende verhalen – geen verhalen waarvan je na afloop zegt: o ja, da’s een mooi verhaal...het zijn eerder onthullende verhalen, verhalen waarin we zelf voorkomen en die ons een spiegel voorhouden.
En zo’n spiegel moet je altijd naar jezelf toekeren, niet naar een ander. Als ik deze verhalen aan u en aan jullie vertel, dan vertel ik ze ook aan mezelf. O ja, dat doet mij ineens denken aan die 18e eeuwse predikant in Engeland, die vond dat zijn gemeente zo’n dorre en doodse gemeente was. Hij was al jaren aan het preken en zijn best aan het doen, maar hij vond het maar een dooie boel. Dus hij besloot om de gemeente eens flink te laten schrikken en hij plaatste op een zondagmorgen een doodskist voor in de kerk en hij zei: beste gemeente: we gaan vandaag de gemeente, zoals die zich hier voordoet, begraven en ik nodig iedereen uit om even langs de kist te lopen en erin te kijken. En zo gebeurde. De hele gemeente trok langs en blikte in de kist: sommigen begonnen te snikken, anderen liepen ijskoud door, maar de gemeente was wel tot bezinning gekomen. Want wat had deze dominee gedaan? Hij had een spiegel in de kist gelegd en iedereen zag dus zichzelf in die kist. Maar, zo vroeg ik me af en ik vraag het ook aan die dominee: “Beste ds. Fox”,- zo heette hij, geloof ik – “hebt u zelf ook in de kist gekeken? Of bleef je er alleen maar bij staan en stond je zo tegenover je gemeente, terwijl je er net zo goed zelf deel van uitmaakte. Was je solidair in de schuld?” Kortom, ik wil maar zeggen: deze verhalen gaan iedereen aan en iedereen moet vooral zichzelf erin herkennen en niet de ander.
Goed, nu de twee verhalen – het zijn er nu dus drie geworden - , die ik vandaag als illustraties bij het evangelie wil vertellen.
Allereerst over die man, die leefde in een land en in een tijd, waarin het gevaarlijk was om christen te zijn. De overheid had zelfs een opsporingsapparaat in het leven geroepen, want navolging van Jezus werd als bedreigend voor de orde en staatsgevaarlijk beschouwd. Zo stond op een gegeven moment de politie ook op de stoep van deze man. Hij moest meekomen naar het bureau en werd in voorarrest gehouden. Ondertussen onderzocht de politie zijn huis en nam allerlei verdachte spullen als bewijsmateriaal mee naar het bureau. Als het proces begint krijgt de man de aanklacht te horen en de officier van justitie legt een reeks bewijsstukken over. Zo heeft men in zijn huis een Bijbel gevonden met daarin aantekeningen en onderstrepingen. Ook waren verschillende CD’s meegenomen, waarop allerlei geestelijke muziek te beluisteren was. Ook had men een filmpje gevonden, waarop de man te zien was als kerkganger, ja, hij voerde soms ook zelf het woord in zo’n kerkdienst en wist de mensen te boeien met zijn redevoeringen. Ook werd duidelijk, dat hij lid was van diverse christelijk georiënteerde verenigingen en terwijl de man dit alles aanhoorde kreeg hij het Spaans benauwd. Soms stond hij op het punt om alles toe te geven of te liegen, dat die Bijbel niet van hem was en nog meer uitvluchten, maar dan bedacht hij, dat dat ook laf zou zijn t.o.v. Jezus. Dus hij hield zijn rug recht. Uiteindelijk is de rechter aan het woord en hij zal het vonnis uitspreken. Nadat hij nog eens alle bewijslast had doorgenomen komt de rechter tot het volgende vonnis: ‘beste man’, zegt de rechter, ‘u bent vrijgesproken!’ Wilt u daar nog op reageren, vraagt de rechter... Ja, ja, de man begint te stamelen en te stotteren, want hij is enerzijds opgelucht, maar anderzijds ook verontrust en teleurgesteld. Hoe kan dat dan? En de rechter zegt: Alles wat wij van uw christen-zijn hebben waargenomen waren woorden en nog eens woorden. U kunt misschien prachtige gedichten schrijven over een nieuwe wereld, maar dat beschouwen wij als kunst. U kunt prachtige preken houden, maar dat is theologie. Nee, we zouden u echt een gevaar voor de samenleving vinden, als u deed wat u zegt en ook anderen gingen doen wat zij geloofden. Maar zolang daar geen sprake van is is uw christendom tandeloos en ongevaarlijk en daarom heb ik gezegd: Not guilty!
Mijn 2e (of 3e) verhaal is afkomstig uit één van de zwartste bladzijden uit de geschiedenis, uit de tijd van de 2e WO, waarin Joodse mensen werd opgepakt, weggevoerd en gedood. Soms moesten zij hun eigen graf delven en werden zij in grote groepen bijeengedreven...kinderen ook. Er was ook een jongetje bij, Joshua heette hij, en die wist wat er ging gebeuren en hij dacht: ik probeer als dood neer te vallen vlak voordat er geschoten wordt. En zo deed hij en hij lag daar temidden van de anderen, die wel geraakt waren en in de verte hoorde hij de mensen feest vieren. En hij kruipt ’s nachts uit de greppel van de dood en hij ziet er niet uit: van boven tot onder besmeurd met bloed, maar dat heeft hij zelf niet eens in de gaten. Hij probeert ergens onderdak te vinden, zodat hij verder kan leven.
Hij denkt: ik probeer het gewoon en ik bel ergens aan, in het donker en iemand doet open en schrikt zo hevig, dat hij meteen de deur dicht doet. Even verder belt hij weer aan...hij weet, dat hier een christenmens woont, dus hij geeft zichzelf een grote kans van slagen. Maar zodra die persoon hem ziet begint hij te schelden: Ga weg jij, vies Jodenjoch, hoe durf je hier te komen. Wegwezen jij!
Nergens wordt hij binnengelaten en hij is ten einde raad. Het begint al licht te worden en dan waagt hij zijn laatste meesterzet. Hij belt aan bij een vrouw, die als een vrome christin bekend stond, en zij doet open en schrikt als zij dit gehavende kind ziet. En zij ziet, dat het een jodenkind is en zij staat op het punt om hem weg te sturen, maar dan zegt de jongen: Maar, Mevrouw, luister, ik ben Joshua, ik ben de Messias. En de vrouw is zo verbouwereerd, dat ze op haar knieën valt, een kruis slaat en de jongen binnenlaat. En ze geeft hem te eten en te drinken en warme kleding en zij biedt hem onderdak, een veilig huis.
Ik denk nog even aan het woord van de Mensenzoon: voor zover je dat aan één van mijn minste broeders of zusters hebt gedaan, heb je dat aan Mij gedaan!

J

K

L

M