Logo dsCH 

Vier wijzen van (niet) horen

Preek gehouden op zondag Sexagesima 19 februari 2017 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Lukas 8: 4-15. In deze dienst werd de Heilige Doop bediend aan Djezz Oenema en Coen Roelof Hendrik Heetebrij.

Vier wijzen van (niet) horen

Vandaag houd ik een korte, overzichtelijke ‘huis, tuin en keuken-preek’, die uitloopt op een gedicht, een lied dat wij samen zullen zingen (LB 764).
De gelijkenissen, die Jezus vertelt, daar moet je eigenlijk niet teveel over gaan uitleggen. Het zijn eigenlijk verhaaltjes, die voor zichzelf spreken. Het zijn vertellingen, die tot nadenken stemmen. Op de één of andere manier raken ze je, ook al begrijp je niet alles.
Nu is het wel zo, dat de gelijkenis van de zaaier wèl nader wordt uitgelegd en die uitleg maakt van de vertelling een allegorie. Alles in het verhaal stelt iets voor: de zaaier is Godzelf of Jezus, die zijn woord verkondigt. Het zaad is het Woord van God en de verschillende plekken aarde stellen de verschillende typen hoorders voor.
Alle bijbelgeleerden zijn het er wel over eens, dat deze toelichting op de gelijkenis van Jezus van later datum is. Het is eigenlijk een klein preekje over de gelijkenis, die er later aan toegevoegd is, misschien pas in de 2e eeuw ofzo.
Jezus legt zijn verhaaltjes helemaal niet uit. Hij vertelt ze gewoon en zegt dan: wie oren heeft, die hore. Wie de schoen past, trekke hem aan. Zo vertelt hij over de geheimenissen van het Koninkrijk Gods, waar je als hoorder meteen bij betrokken wordt. Bij ieder onderdeel van het verhaaltje kun je je afvragen: waar kom ik zelf voor in dit verhaal? Gaat het over mij? Begrijp ik het goed, dat hij het hier over mij heeft, dat Hij mij aanspreekt? Ben ik het, Heer?

Maar nu kom ik dan op mijn ‘huis, tuin en keuken-preek’, waarin ik aan de hand van een paar gebruiksvoorwerpen uit de keuken kan laten zien en horen, hoe wij kunnen luisteren. Er zijn vier manieren van luisteren naar de woorden van God. En ieder voorwerp verbeeldt zo’n manier van horen.
Ik heb de keuze van deze instrumenten trouwens ontleend aan een oude Joodse legende.
Allereerst heb ik hier een trechter. – ik had helaas geen grotere. Deze kreeg ik een keer bij een liter motorolie, die nog steeds ongebruikt in de garage staat - . Bij een trechter gaat het zo, dat je er iets in de bovenkant ingooit of ingiet en aan de onderkant komt het er precies zo weer uit. Er gebeurt eigenlijk verder niks: het ene oor in en het andere weer uit. Als je na afloop aan de trechter vraagt: wat ging er door je heen? Dan moet hij het antwoord schuldig blijven. Geen idee.
Dan heb ik hier vervolgens een spons. Een spons neemt alles in zich op: vies water, schoon water...alles door elkaar, het maakt niet uit. De spons is ontvankelijk en vindt eigenlijk alles wel mooi en goed. Hij is er op een bepaalde manier zelfs vol van. Maar op een gegeven moment laat hij ook alles weer lopen. Zodra er enige druk op de spons wordt uitgeoefend sijpelt alles weg en blijft hij zelf zo leeg en droog als een kurk achter.
Die druk kunnen we opvatten als verdrukking, het onder druk komen staan t.g.v. vervolging of de moeiten van het leven. Dan zakt de spons in en verliest al zijn inhoud. Er is weinig van blijven hangen... Ben ik het, Heer?
Dan heb ik hier vervolgens een vergiet. Sommige mensen zijn als een vergiet, zegt Jezus. Met een vergiet loop je de kans, dat je de droesem, het onbelangrijke overhoudt, maar dat de vruchtensap of de kostelijke wijn wegsijpelt. Wat je overhoudt is dat wat je onthoudt en als dat negatieve of onnozele, onbelangrijke dingen zijn dan heb je overgehouden, waar het eigenlijk helemaal niet over gaat. Zo hebben mensen soms een akkefietje met de kerk gehad en keren de rest van hun leven de kerk de rug toe. Of ze vinden bepaalde verhalen in de bijbel onbegrijpelijk of gewelddadig en zeggen vervolgens: ik lees er nooit meer in. Voor mij hoeft het niet meer. Dus men concentreert op de droesem in de vergiet, maar de wijn vergeet men op te vangen en op te drinken. Zonde is dat. Ben ik het, Heer?
Dan heb ik tenslotte nog een zeef meegenomen. De zeef maakt onderscheid tussen wat er toe doet en wat eventueel weg kan. Je moet er misschien enige moeite voor doen, je moet dat wat je ontvangt ronddraaien en uitpersen,maar als je zo alles gezift en gezeefd hebt, blijft er iets waardevols achter. Wat niet van belang is kun je weggooien, maar wat overblijft is de moeite waard!
Vier typen luisteraars, vier soorten hoorders. Welke hoorder je bent hangt vooral af van jezelf. Niemand kan zeggen: ik was niet goed gepredestineerd, ik was geen goede aarde. Dat zijn allemaal uitvluchten, die nergens toe leiden.
Je kunt wel zeggen: ik ben de ene keer meer een vergiet, de andere keer een trechter en soms een zeef. Dat kan wisselen met de perioden in je leven.
Maar wat overeind blijft is de standvastigheid en de volharding van de boer. Hij zaait maar door....hij verspilt zijn zaad mateloos. Niemand ontkomt aan zijn brede gebaren. Hij kijkt niet krap en is niet kinderachtig: kleine kinderen slaat hij niet over, maar gaan zelfs voorop en zij ontvangen gratis en voor niets het water op hun voorhoofdjes als een voorschot op het zaad van het Woord.
Een zaaier ging uit om te zaaien. Hij zaaide zo wijd als de wind. Hij zaaide zichzelf als een graankorrel in de aarde en Hij sterft aan de doornen beneden en de vogels daarboven. Zo brengt het veel vrucht voort en mogen wij deel uitmaken van de oogst.
O zaaier, ga uit om te zaaien – ga ook uit om te oogsten –en maak ons allen tot moedergrond, vruchtbaar en vol leven!

J

K

L

M