Logo dsCH 

Uit het dagboek van Johannes

Preek gehouden op de 3e zondag van Advent (Gaudete!-Weest blij) 11 december 2016 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Jacobus 5: 7-10 en Mattheüs 11: 2-11

 

Uit het dagboek van Johannes

 

Midden in de weken van Advent, in het midden ervan, worden wij opgeroepen tot geduld en tot volharding. Velen hebben het wachten en verwachten allang opgegeven. Volgens hen heeft het geen zin, het is vergeefse moeite...
Anderen – en ik denk, dat wij onszelf daartoe mogen rekenen – zijn gegrepen door een verlangen naar verandering, een hunkering naar een nieuwe tijd. We hebben gehoord van een messiaanse figuur, die de wereld op z’n kop zette, waar armen werden zaliggesproken en rijken het nakijken hebben. Voor wie ingewijd is in de taal van de bijbel zal zeggen: o, u hebt het hier over de komst van het Koninkrijk Gods, over de belofte van de nieuwe tijd, die de geschiedenis richting geeft en doel.
O ja, zeggen ook velen van ons, dat is wel mooi, maar ook heel ver weg. Het is haast onwerkelijk en we kunnen het ook zelf nauwelijks geloven. En toch wil de adventstijd er ons elk jaar weer bij stil zetten. Ons a.h.w. te binnen brengen: wij leven ergens heen, naar Gods toekomst, die zich baan breekt door de tijd.
Maar hoe houden we het vol? Wel, vanmorgen hoorden wij twee gedeelten uit de Schrift, die ons kunnen helpen.
Allereerst is daar de vrome apostel Jacobus, die zegt, dat we eens moeten kijken naar de boeren. Dat zijn pas mensen, die geduld moeten hebben. Als ze tarwe of mais gezaaid hebben, zien ze eerst een tijdje helemaal niks en dan heel voorzichtig komen er een paar groene sprietjes boven de grond. Er gebeurt wat, er komt wat aan...maar, o wanneer zal de zeis erin kunnen? En wat kan er intussentijd niet allemaal gebeuren: droogte, stormen, te veel regen, noem maar op en dat maakt het allemaal onzeker en garanties zijn er niet... Zo zien wij uit naar de komst van de Heer, zegt Jacobus, zoals de boer uitziet naar zijn oogst.
Maar we hoorden ook nog van een andere geduld-beoefenaar en dat is Johannes, de Onderdompelaar. Zijn leven is tot stilstand gekomen, sinds hij in de gevangenis zit. Hij heeft alle tijd van de wereld om na te denken en zich af te vragen of wat hij aankondigde wel enige doorgang heeft gekregen. Hij had al zijn kaarten op die Jezus van Nazareth gezet, maar heb ik me daarin niet vergist, zo vraagt Johannes zich bangelijk af.
Op een gegeven moment kwam Johannes op het idee om een dagboek bij te gaan houden. Hij vraagt aan de cipier wat papier en een pen en op zeer wonderlijke wijze is dat dagboek in fragmenten overgeleverd en afgelopen weken vond ik er een deel van in mijn archief. Ik zal een paar passages daaruit voorlezen:

Dag 6…ja het is nu al de zesde dag dat ik in dit muffe hok zit…wat is het hier donker en kil. Ik slijt mijn dagen met niets doen, wachten en wachten…en ja, waarop? Zou die gek van een Herodes mij ooit nog vrij laten? Ik ben zomaar opgepakt, van mijn bed gelicht en zonder vorm van proces in deze kerker gegooid…zogenaamd omdat ik hem beledigd zou hebben! Ik heb nu alle tijd om alles eens op een rijtje te zetten…van begin tot einde…maar het is nu alweer donker…
Dag 10: Terwijl ik hier lig te creperen denk ik aan dat prille begin…aan mijn ouders en hoe veelbelovend alles begonnen is. Vreemd eigenlijk hoe ik geboren ben…uit nogal bejaarde ouders, Zacharias, mijn vader, priester van beroep en een man van weinig woorden… - ja, mij noemden ze op den duur de Dompelaar, maar hem konden ze wel ‘de ouwe Mompelaar’ noemen - en Elizabeth, mijn moeder…ook al aardig op leeftijd toen ze zwanger werd. Tja, ik was eigenlijk een onmogelijk jongetje…een nakomertje, die een voorlopertje moest worden. Onweerstaanbaar werd ik naar de woestijn gedreven…daar lag mijn roeping…zo voelde ik dat…maar wat deed ik daar eigenlijk en wat werkte het uit? Ik was een roepende in de woestijn…
Dag 20: Ik heb geroepen en mensen ondergedompeld…ik dacht dat een nieuwe tijd aanbrak. Zoals in de dagen van vroeger: toen ons volk de Jordaan overstak om het beloofde land in te gaan, zoiets stond mij voor ogen…een nieuw begin – door het water heen, kopje onder en weer opstaan…en dan als vernieuwde mensen verder gaan. Ja, prachtig was dat! Ze hingen aan mijn lippen…ze vonden dat ik een zonderling was, bizar ook – aantrekkelijk en afstotend tegelijk.
Dag 22. Ik heb er nog eens over nagedacht. Als ik naar mezelf kijk en zie hoe het afgelopen is zeg ik:  Ik leefde in de woestijn als een zot. De hitte van de dag verdroeg ik. De kou van de nacht ook; ik sliep in een grot; naast een rokerig vuurtje tegen de muggen. Sprinkhanen heb ik gegeten. Sprinkhanen en wilde honing. Sprinkhanen tot ze m'n neus uitkwamen. Wat walgde ik van die beestjes. Maar ja, ik zou een teken stellen. Ik was een profeet. Een profeet van de Allerhoogste. Geroepen - dacht ik toen - om de Messias te verkondigen. 

Maar nu denk ik, dat ik eigenlijk een zot was. Gekleed in een mantel van kameelhaar. De grofste en bespottelijkste kleding die je je maar kunt denken. En nu kan ik begrijpen hoe sommigen om mij begonnen te lachen…vooral die zogenaamde schriftgeleerden, die bijbel-elite:  Kwamen ze naar me toe, in hun mooie kleren. Een zondagmiddag-uitje na een goede maaltijd. “Kom jongens, naar de oever van de Jordaan! Leuk; profeetje-kijken. Kijk die man eens! Mager als een lat. Knokerige botten onder een stinkende jas”. Ja, dat was ik.

Dag 35:Ik weet nog goed, dat Hij op mij toekwam  en dat ik hem toen gedoopt heb, toen geloofde ik nog heilig in Hem. Hij zou komen met de wan in z'n hand. Om het kaf van het koren te scheiden. Het kaf zou Hij verbranden met niet te blussen vuur. Maar moet je nou eens kijken, met wat voor soort mensen Hij omgaat. Hij houdt meer van kaf dan van koren. Hij zou sterker zijn dan ik. O ja. Hij zou komen met de bijl in de hand. Maar niks hoor. Hij neemt liever de schop op om nog eens om de boom heen te graven, mest te geven, geduld te hebben. Engelengeduld; dat heeft 'ie, met de mensen om Hem heen. Maar hoe kan Hij dan de Messias zijn…zal zo het Rijk van God aanbreken?

En terwijl ik m'n hele leven geen druppel heb aangeraakt – ik ben lid van de blauwe knoop! - dat had ik beloofd, als profeet van de Allerhoogste - zit Hij te eten en te drinken alsof het elke dag feest is! Een veelvraat en een wijnzuiper noemen de mensen Hem.
Heb ik me vergist? Was Hij het die komen zou, of verwachten wij toch een ander? Ja, dat zou ik wel eens willen weten...
Dag 39: Of ben ik nu toch vooral de gevangene van mezelf? Ik wil ontsnappen aan het bestaan waarin ik geketend ben: mijn manier van denken, mijn manier van kijken naar de wereld, mijn observeren en delibereren…het afstand nemen en objectiveren…heb ik de veelbelovende woorden niet monddood gemaakt? Advent gemaakt tot een stukje jaar op de kalender…en de verwachting en de toekomst heb ik de deur gewezen. Wil ik eigenlijk wel, dat Hij komt…houd ik hem niet liever op afstand? Zit ik zo niet gevangen in mijn eigen web van ongeloof, twijfel en angst?
Dag 40: Kwam er maar eens iem. langs om mee te praten: een psycholoog of een dominee desnoods…iemand, die mij  probeert te begrijpen en mijn vraag niet wegwuift als onbelangrijk of kwetsend. Ah, ik hoor voetstappen…zouden het mijn leerlingen zijn?
De deur knarst open en daar stonden ze met een boodschap van Jezus in hun mond: Luister, Johannes, zeiden zij, blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en bedelaars ontvangen het evangelie! Zalig wie geen aanstoot neemt aan Mij, heeft Jezus er aan toegevoegd.

Ik doe het dagboek nu dicht en ik denk: Ja, zo kan het worden, dat je gaat twijfelen aan je geloof, dat je verstrikt raakt in je vragen naar zekerheid.
Maar die zekerheid vind je alleen maar door te vertrouwen en door je ogen open te doen. Kijk eens wat er allemaal gebeurt. Zie je niet, dat mensen opademen en weer verder kunnen, ja zelfs die ten dode waren opgeschreven krijgen nog toekomst. Zijn dat geen messiaanse tekenen? Zijn dat geen voorbodes van een nieuwe lente? Wees daar blij mee! (Gaudete!). Misschien verandert er voor jezelf helemaal niets, blijft alles zoals het is – en blijf je in de gevangenis zitten, zoals ook Johannes overkwam, nee, hij werd er niet op een wonderbaarlijke manier uit weggehaald – maar sindsdien keek hij anders naar Jezus en naar zichzelf. Het werd al lichter, minder donker, een streep licht door de tralies, waardoor alles lichter werd, ook het paars van de Advent, dat rozerood is geworden. Let op het mooie en goede – en doe het ook zelf – en geef de moed en de hoop niet op. Nooit niet! Want zo hoorde ik deze week een Belgische policitus zeggen: Alleen een realist houdt rekening met mirakelen! Dat is de ‘Realpolitik’ van het Koninkrijk Gods!

J

K

L

M