Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Ook plaats ik hier korte inleidingen of publicaties (in het kerkblad), een vertaalde preek van Paul Tillich en andere beschouwingen. U wordt uitgenodigd om ook daarop te reageren.

Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

Blog

Blog (79)

zondag, 08 april 2018 15:45

(On)gelovige Thomassen

Geschreven door

Preek gehouden in de Grote of Mariakerk op de 2e zondag van Pasen (Quasi modo geniti – als pasgeboren kinderen) 8 april 2018 n.a.v Johannes 20: 24-29.

In deze dienst werd Kyenta Oenema gedoopt.

 

(On)gelovige Thomassen

 

Ongelovige Thomassen kom ik in allerlei vormen en maten regelmatig tegen. De eerste, die ik elke dag zie, staat in mijn voortuin. Een klein beukenhaagje, dat zijn blad van de herfst nog vasthoudt, hoewel het al lente is en de nieuwe groene blaadjes zich al zichtbaar ontwikkelen. Deze beukenhaag gelooft niet, dat het lente is geworden. Hij denkt, dat het nog steeds herfst is. Hij houdt vast aan wat hij heeft en durft zich niet gewonnen te geven aan de nieuwe toekomst. Hij zit vol ongeloof, maar de lente zal uiteindelijk de doorslag geven en de herfstblaadjes zullen wegdwarrelen op de lentebries. Zo’n beukenhaag heet niet voor niets een ‘ongelovige Thomas’…

Dan kom je heel veel ongelovige Thomassen tegen in de politiek en in de wereld van de economie en de financiën, in de wereld van de energie en de duurzaamheid. Veel mensen geloven, dat het niet zo’n vaart zal lopen met de klimaatverandering of dat de wereldvrede bedreigd wordt. Zij wantrouwen de studies en de rapporten en halen hun schouders op. Na ons de zondvloed, denken ze dan en ze gaan over tot de orde van de dag en zetten hun leventje voort, zoals ze altijd deden.

Dat we op de drempel staan van een periode van enorme transities op de terreinen van economie, voedsel, transport, geldverkeer – dat geloven veel mensen niet. Zij denken, dat alles blijft, zoals het is, maar ik hoorde iemand onlangs zeggen, dat de veranderingen, die in de komende 20 jaar zullen voorkomen groter en ingrijpender zullen zijn dan die van de laatste 300 jaar bij elkaar. Thomassen geloven dat niet…

In de wereld van de kerk en het geloof komen ook heel veel Thomassen voor. Een jaar of 20 geleden werden zelfs aparte diensten voor en met hen georganiseerd, de zgn. Thomas Celebrations (of: - vieringen), die bedoeld waren om mensen, die het allemaal niet zo zeker meer wisten of wat waren afgedwaald van de kerk en haar rituelen een warm welkom te heten. Iedereen kon aanschuiven en als je je twijfels had dan kon je die gewoon uiten. Hier in Meppel hebben we ook zulke vieringen gehad en na verloop van tijd was het ook weer voorbij…, maar dat wil niet zeggen, dat er geen ongelovige Thomassen meer zijn, natuurlijk.

Dan liep ik jaren geleden elke dag een rondje met Thomas; zo heette onze hond. Hij kon eigenlijk niet anders dan een ‘ongelovige Thomas’ zijn, want al het menselijke was hem vreemd. Toch wist hij op den duur, wanneer het zondag was, want dan liet ik hem op een later tijdstip uit en wachtte hij geduldig tot zijn baasje zijn dienst had gedaan. Maar dit zondagsbesef had geen religieuze achtergrond, zodat ik hem, ondanks dat, toch een ‘ongelovige Thomas’ kon blijven noemen zonder dat hij zich daar overigens door beledigd voelde.

Zijn er nog meer ‘ongelovige Thomassen’? Nou, de man over wie het vanmorgen in het evangelie gaat, is toch in zekere zin een oude bekende, nietwaar? Het is iemand, die zekerheid wil hebben, die zich niet laat afschepen door mooie praatjes. ‘Hard evidence’, daar gaat het om. Je kunt toch niet alles zomaar voor zoete koek aannemen?

Ik wil ‘hard bewijs’, ik wil zeker weten, ik wil mijn vinger er achter krijgen, hoe het nu precies zit met die Jezus en zijn opstanding. Ik wil het kunnen verifiëren, zodat het helder en duidelijk is voor mij. Ik wil niet afgaan op loze praatjes en doorgegeven berichten.

Het is opvallend, dat Thomas zo vaak het woordje ‘ik’ gebruikt. Hij presenteert zich als de autonome, ‘self-centered’ mens, die zich buiten de kring van de leerlingen van Jezus heeft begeven – hij was er niet bij, die eerste keer: hij had zijn tijd verslapen of hij had er toch sowieso geen fiducie meer in – en nu, nu hij hun verhalen hoort, nu komt hij met zijn voorwaarden. OK, ik wil eventueel best geloven, maar alleen als ik Hem kan aanraken en voelen.

‘Ik’…ik bepaal, hoe en wanneer ik zal gaan geloven. Als aan al mijn voorwaarden is voldaan dan zal ik zeker ook gaan geloven.

Ik herken dat wel. Bij anderen, bij mijzelf. Hoe vaak hoor ik mensen niet zeggen, dat ze best zouden willen geloven, als God maar meer van zich liet horen of als de wereld niet zo’n puinhoop was of als wetenschappelijk was bewezen, dat de Bijbel historisch van a tot z klopt of als ik een stem in mijn hart hoorde, die zei, dat ik een kind van God ben of als ik plotseling van mijn ziekte zou genezen zijn of als ik zeker wist dat God bestond….ja, dan….

Thomas is niet een vreemde, verre figuur, maar hij zit in ieder van ons. Het aardige is, dat hij Thomas Didimus genoemd wordt. Dat kan ‘de twijfelaar’ betekenen, maar ook ‘tweeling’. Voortdurend op twee gedachten hinken. Zowel in ‘tweeling’ als in het woord ‘twijfel’ zit het woord ‘twee’ verstopt. Steeds maar afwegen, het ene of het andere, wat is waar, wat is niet waar, wat is zeker en wat niet?

Geloof is altijd vermengd met twijfel. Als je eerst wilt zien en dan geloven dan is het geen geloven meer, maar ‘aanschouwen’. De Hebreeënbrief-schrijver probeerde ‘geloof’ ook al onder woorden te brengen en hij schreef zoiets als, dat het geloof het bewijs is van de dingen die men niet ziet. In ‘geloven’ zit altijd iets van een ‘waagstuk’, een overgave, een ergens door gegrepen zijn en er niet van kunnen loskomen, op hoop van zegen. “Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp”.

Thomas is mijn tweelingbroer. Hij lijkt sprekend op mij en ik op hem: twee druppels water.

Na acht dagen gaat geloof over in aanschouwen. Dan verschijnt de Heer aan Thomas en mag hij voelen en wordt zijn tasten een zeker weten. Ja, Hij is het, mijn Heer en mijn God!

De acht staat voor de eeuwigheid. Het is 7 + 1, d.w.z. de aardse tijd overtroffen.

In de wiskunde is ook niet voor niets de liggende 8 het symbool voor ‘oneindigheid’. En het doopvont heeft 8 zijden om precies datzelfde uit te drukken: hier gaat het om het eeuwige leven, een nieuw bestaan wordt ons geschonken uit de dood tot het leven! De twijfel en de onzekerheid voorbij, geloven dat is overgegaan in aanschouwen.

Geloven is zien wat je nog niet ziet. Het is uitgaan van wat nog moet komen. Het is je laten meeslepen door de lijdende en opgestane Heer, die zelfs in zijn verheerlijkte gedaante zijn wonden met zich meedraagt. Alles gaat voorbij, maar niets gaat verloren.

Geloven is de berg beklimmen, zoals Mozes, en de angst voorbij het visioen van het beloofde land proclameren en de zwarte mensen in Atlanta en Alabama inspireren en zeggen, zoals Martin Luther King deed, “I have a dream” (I have a dream that my four little children will one day live in a nation where they will not be judged by the color of their skin but by the content of their character.

I have a dream today). En hij werd neergeschoten, vijftig jaar geleden nu, maar zijn geloof en zijn droom zijn nog steeds springlevend. Dat heeft alles te maken met Pasen…al wie gelooft zal het zien en beleven!

zondag, 11 maart 2018 13:03

Méér dan genoeg!

Geschreven door

Preek gehouden op de 4e zondag van de Veertigdagentijd (Laetare=Verheugt u!/Klein Pasen) 11 maart 2018 in de Oude Kerk n.a.v. Jozua 4 en 5 (ged.) en Johannes 6 (1e gedeelte).

 

Méér dan genoeg!

 

Vorige week vierden wij samen het Heilig Avondmaal en vandaag horen wij het verhaal van de ‘wonderbare spijziging’, zoals er vroeger boven dit evangeliebericht werd geplaatst. We zouden het een soort ‘nabetrachting’ kunnen noemen, een nog eens overwegen wat e.e.a. nu betekent, voor onszelf, voor het leven van de gemeente, voor de wereld.

Zoals het ene brood uiteindelijk uitgedeeld wordt in allemaal stukjes, zo kunnen we dit verhaal in stukjes proberen tot ons te nemen, zonder hopelijk het grotere geheel uit het oog te verliezen.

Het lijkt erop, dat dit verhaal zo maar plotseling uit de lucht komt vallen, maar dat is toch gezichtsbedrog. Johannes is een knap theoloog en componist en hij kijkt altijd verder dan wat je op het eerste gezicht ziet. Zo begint hij heel argeloos te spreken over de overkant. En we hebben zojuist ook gelezen uit het boekje Jozua en daar was ook al sprake van de overkant. Daar gaat het over de intocht in het beloofde land en Johannes zinspeelt daar hier ook op door te spreken over de overkant. Het is de plek waar we nog niet zijn. Het is de wereld waar we naar verlangen, op hopen, maar die nog niet gerealiseerd is. Het gaat om een utopie of het Koninkrijk Gods, dat komt. Het is de plek van de grazige weiden – in allerlei beelden wordt daarover gesproken en gedroomd.

Jezus heeft het er ook over en Hij gaat ons voor en Hij laat zien, hoe het daar toegaat. Dat is het eerste stukje: ‘aan de overkant’.

Het tweede stukje gaat over het menselijk tekort. En de menselijke mogelijkheden en onmogelijkheden. Mensen hebben brood nodig. Er moet elke dag weer brood op de plank, want anders ga je er onderdoor. Maar voor miljoenen mensen is dat geen gesneden koek. Armoede en honger gaan hand in hand en kunnen wij er iets aan doen?

Is geld misschien de oplossing? We houden een collecte, openen een bankrekeningnummer en houden een ‘charity-show’ op TV. Maar is dat genoeg. Filippus heeft zo zijn twijfels daarbij: 200 denarie zou nog niet genoeg zijn, zo meent hij. Het is nooit genoeg. Je komt altijd tekort. Als je alleen maar rekenkundig tewerk gaat – sommen zijn gauw gemaakt, maar kloppen ze ook met de werkelijkheid? Het CBS doet niet anders dan berekeningen en prognoses maken op basis van getallen: de economische groei zal 5 % bedragen en dat is 3% meer dan vorig jaar (gefingeerde data). Maar wat merken wij ervan en hoe komen dit soort berekeningen tot stand en wat wordt er gemeten en geteld? Wordt de schade aan het milieu ook meegerekend, bijv.? Geven cijfers wel een juist beeld van de werkelijkheid of verdoezelen ze soms alleen maar de winst en het verlies.

Kwantiteit meten is een heel ander chapiter dan kwaliteit meten. Je kunt de welvaart van mensen in euro’s uitrekenen, maar hoe bereken je hun welzijn en welbevinden? Je kunt een prognose maken van het dalende aantal leden van de protestantse gemeente, maar zegt dat iets over de kwaliteit van haar zijn in de wereld, in ons land?

Wij zijn een keer op Sicilië op vakantie geweest en daar bezochten we een kerkdienst in Catania van de Waldenzen. Dat zijn vóór-reformatorische protestanten (zo zou je hen kunnen noemen). Een klein groepje van hooguit 50 mensen (in die stad), maar uit de informatie, die wij meekregen bleek, dat deze kleine gemeente enorm veel betekende voor de stad op het gebied van onderwijs, armenzorg en hulp aan vluchtelingen en zwervers.

200 denarie niet genoeg…wacht even – nu komt stukje 3 – daar loopt een jongen en die heeft 5 broden en 2 vissen. Dat is nog veel minder dan dat je met 200 denarie zou kunnen kopen! Maar Jezus kan met het weinige dat er is ‘wonderen’ verrichten. En wij ook! En het eerste wat we daarvoor moeten doen is anders kijken. Niet van onze tekorten uitgaan, niet alles willen berekenen en willen beredeneren, maar blij zijn met wat je hebt, wat je aangereikt wordt en daarmee aan de slag gaan.

Natuurlijk is de eerste reactie van de leerlingen van Jezus: wat hebben we daar nu aan? Wat kunnen we daar mee? Niks, toch?!

Jezus gaat er niet eens op in, maar nodigt de mensen uit om te gaan zitten. Op het gras, ja, dat is het gras uit Psalm 23, de grazige weiden, waar de Herder de kudde weidt, waar zijn staf ons de weg wijst, al is het door donkere dalen heen.

Die jongen staat daar zomaar ineens…een onverwachte en vreemde verschijning, zoals hij daar staat met zijn gerstebroden! Deze gerstebroden verwijzen weer naar de intocht in het beloofde land, waar het volk Israël voor de eerste keer de Paasmaaltijd vierde met broden, die gebakken waren van de eerste gerstenoogst, d.w.z. de matzes werden bereid van deze gerst.

Deze jongen komt ons herinneren aan Pasen, het eerste Pasen van de uittocht, van de bevrijding uit het slavenhuis, dat zich in vele vormen voordoet. Maar Hij verwijst ook door naar die Man, die daar staat als de Mens van Pasen, die in zijn hele doen en laten Gods bedoelingen laat zien: dat we zullen leven van zijn woorden, dat wij zullen leven als mensen, die zich laten voeden door Hem.

Johannes houdt van symboliek en zo is het vrijwel zeker, dat hij de getallen 5 en 2 laat slaan op de Wet of de Thora en de profeten: de vijf boeken van Mozes en de 2 vissen als samenvatting van de Profeten en de Geschriften, zodat zij tezamen de TeNaCh verbeelden.

Het 4e stukje gaat nog verder en dieper – en daartoe zouden we eigenlijk dat hele 6e hoofdstuk moeten uitlezen – want uiteindelijk krijgen wij te horen, dat Jezus zelf het ware Brood uit de hemel is. Hij is het, die als geschenk van God, ja als een geschenk uit de hemel aan de mensen gegeven is. Dankzij Hem kunnen wij leven. Hij is de grond onder onze voeten en de motor waarop wij lopen. Hij geeft ons energie en inspireert ons tot daden van hoop en Hij zet ons aan tot verandering. Hij wendt onze blik naar de ander en Hij laat ons zien, wat wij kunnen bereiken als wij in zijn Geest en voetspoor wandelen. Dan is er genoeg om te leven. Hij gooit onze rekenkunde volledig in de war: door weg te geven houd je over en door te delen vermenigvuldig je. Dat is de aritmetica van het Koninkrijk Gods.

En aan de Tafel van de Heer zien wij elkaar bij het delen van het brood en de wijn in de ogen en wij zien de ander als een geliefd kind van God. En samen vormen wij zijn gemeente, niet opgesloten in onszelf, maar open naar elkaar, naar de ander en naar de toekomst, waarin God zal zijn alles in allen!

woensdag, 07 maart 2018 08:49

Wat betekent het kruis in de chr. theologie?

Geschreven door

Inleiding gehouden op dinsdagavond 6 maart 2018 in de Grote of Mariakerk over de betekenis(sen) van het kruis in de christelijke traditie m.m.v. de Cantorij o.l.v. Mannes Hofsink

 

Oude en nieuwe interpretaties van het kruis in de geschiedenis van de (protestantse) theologie

 

Als kind was ik dol op de tekeningen (illustraties stond er voorin het boek) van Isings in de kinderbijbel van W.G. v.d. Hulst. Na het OT was er aan spanning en sensatie eigenlijk niet veel meer te beleven op één afbeelding na en die betrof de kruisiging van Jezus samen met twee anderen. Dat vond ik een gruwelijke tekening en ik wilde maar zo snel mogelijk omslaan.

Toch bleek mij later, dat het kruis een onmiskenbaar onderdeel uitmaakte van de christelijke geloofsleer en dat het een belangrijk aspect vormde van het geloofsleven van de kerk. Zichtbaar en onzichtbaar. In de rooms-katholieke traditie is het kruis in liturgie en kerkruimte altijd zichtbaar en vaak pontificaal aanwezig. Iedere kerk heeft haar staties aan de wanden afgebeeld en boven het altaar zweeft vaak een levensgroot kruis.

Ik ben ook verschillende keren in Taizé geweest en daar wordt iedere vrijdagmiddag het kruis in de gebedsruimte geplaatst en ik vond het bijzonder en ook ‘shocking’ om te zien, hoe jonge mensen over de grond kropen richting het kruis en in gebed en zelfvernedering het kruis aanbaden.

Wat is er dan met dat kruis gebeurd, dat het zoveel invloed heeft op de geloofsuitingen van de kerk, de eeuwen door?

Het is vooral de theoloog Paulus, die de gebeurtenis van de kruisiging van Jezus getransformeerd heeft tot het kruis van Christus. Hij heeft van een eenmalige historische gebeurtenis een universeel en kosmisch symbool gemaakt. Hij heeft er een betekenis in gezien, die de wereld in een ander licht heeft geplaatst. Hij heeft het gezien als een beslissend moment in het drama van de verhouding tussen God en mens, ja een cruciaal moment. Op dat ene moment van buitengeworpen worden is God zelf bezig zich met de wereld te verzoenen. Er vindt daar méér plaats dan gezien kan worden. Golgotha is een fataal en cruciaal moment in een kosmisch drama, dat enerzijds een dikke streep zet door de kwaliteiten en mogelijkheden van de oude mens, de menselijke schuld komt daar glashelder aan het licht en tegelijkertijd is het een moment van bevrijding en kwijtschelding en daarom kan die vrijdag ook een ‘goede’ worden genoemd.

Het is een ondoorgrondelijk geheim en Paulus, Johannes en de briefschrijver van de Hebreeën zien wel verbanden met de aloude offercultus en het bloed dat vloeit herinnert aan de tempeldienst en aan de rite van de verzoening op de Grote Verzoendag, maar hoe die verbanden precies zitten en waarom het dan zo is en zo moest gaan, dat blijft vaag en dubbelzinnig.

Het verhaal van Pasen is onmisbaar om wat op de zgn. goede vrijdag gebeurt in het juiste licht te plaatsen. Vandaar uit kun je pas het lijdensverhaal lezen en enigszins duiden, zoals Jezus zelf als de Opgestane helder maakt aan de leerlingen op weg naar Emmaüs, beginnend bij Mozes en de profeten.

In de theologie en liturgie van de kerk is als vanzelf de behoefte ontstaan om dit vreemde geheim van Goede Vrijdag en Pasen te doorgronden en zo is de zgn. satisfactie- of verzoeningsleer ontstaan, waaraan de middeleeuwse theoloog Anselmus van Canterbury een belangrijke bijdrage heeft geleverd.

Ik ga zijn redenering niet helemaal op de voet volgen, maar ik wil hier wel even aangeven, dat zijn verzoeningsleer ook binnen het protestantisme ingang heeft gevonden, wat duidelijk is af te lezen aan enkele zondagen in de Heidelberger Catechismus m.n. de Zondagen 4 t/m 6. In hoofdlijnen komt het hier op neer:

De menselijke schuld is sinds de val van Adam onmetelijk groot en Gods recht op genoegdoening blijft bestaan, zolang die schuld niet voldaan wordt. God zendt dan zijn Zoon om die straf op de zonde te dragen en te voldoen. Omdat de Zoon God én mens is kan Hij dat volbrengen en zo brengt Jezus het offer van zijn leven aan de Vader, die daardoor bevredigd is en de mens weer gunstig gezind kan zijn. Zo is Jezus de Middelaar tussen God en mensen en maakt hij de verhouding tussen God en mensen in orde door zijn leven te geven aan het kruis.

Wat deze verzoeningsleer in stand hield was een blijvende angst voor de toornige en straffende God, een vluchten naar Jezus om dat te ontgaan. Er kan zo een soort dweperige Jesu-latrie ontstaan en het heeft ook tot gevolg, dat God de Vader op afstand blijft staan en altijd als een ongenaakbare en straffende Rechter blijft gezien worden.

Die dubbelhartigheid in God is volgens mij (en vele anderen) het belangrijkste bezwaar tegen deze verzoeningstheorie. Andere bezwaren zijn de al te juridisch opgezette redeneringen en dat alles buiten onszelf om gebeurt. Kort geformuleerd: de Vader en de Zoon zijn niet eensgezind en terecht kan opgeworpen worden de verwijtende vraag: welke vader offert zijn zoon op, zelfs al is het voor het goede doel? Het is o.a. de Duitse theoloog Jürgen Moltmann, die de eenheid van de Vader en de Zoon wil onderstrepen door te spreken over ‘Der gekreuzigte Gott’, d.w.z. dat het God zelf is die lijdt in het lijden en sterven van de Zoon. God geeft zichzelf aan de mensheid in onvoorwaardelijke en tot het uiterst gaande liefde.

Ook andere theologen o.a. Dorothee Sölle, Paul Tillich en Herman Wiersinga uiten hun bezwaren tegen de in juridische termen geformuleerde verzoeningsleer en bedenken alternatieve overwegingen, waarbij veel aandacht uitgaat naar God, die solidair is met en in het menselijk lijden en dat God de Vader niet de eisende partij is, maar eerder de schenkende.

Tillich zegt o.a. dat het kruis niet de oorzaak, maar de meest duidelijke manifestatie of uitbeelding ervan is, dat God de gevolgen van de menselijke schuld op zich wil nemen.

Wat in de liedteksten uit voorgaande eeuwen – en m.n. die uit de piëtistische traditie – opvalt is, dat het kruis de gelovige aanspoort tot boete en berouw (denk aan de bekende aria ‘Buss und Reu’- boete en berouw). Het kruis is zo ook een aanklacht tegen ons. Niemand valt iets te verwijten, behalve onszelf: zoals Jacob Revius zo treffend dichtte, toen hij opschreef: “’t En zijn de Joden niet, die u kruisten, Heer, noch die u verradelijk u togen voor ’t gericht.. ’t En zijn de krijgslui niet, die met haar felle vuisten den rietstok of de hamer hebben opgelicht….en dan: Ik ben ’t, o Heer, ik ben ’t die u dit heb gedaan”.

In de koralen en aria’s van Bach’s Passionen vinden we datzelfde stramien. Maar ook bespeuren we iets van een antwoord van de gelovige in de zin van een aandeel willen leveren, om voor Christus het lijden dragelijk te maken. Zo kunnen bijv. onze tranen dienen als balsem in/voor zijn wonden.

Dat geeft al aan, dat het strikt juridisch buiten ons om plaatsvindende geding niet bevredigt en een aanvullend participerend aspect behoeft, waarvoor ook de apostel Paulus al aandacht vraagt als hij zegt, dat wij met Christus hebben geleden, zijn begraven en gestorven en ook met Hem zijn opgestaan tot een nieuw leven.

Zo wordt het kruis het symbool van het oude, ten dode gedoemde leven van alle mensen en de opstanding het nieuwe perspectief van een nieuw en onvergankelijk leven.

Tenslotte, er zijn meerdere Schriftaanwijzingen, die aangeven, dat niet God de regisserende en veroorzakende Actor is van de dood van Jezus, maar dat het de mensen zijn, die er schuldig aan zijn! Paulus schrijft ergens, dat wanneer men geweten had, dat Jezus de door God gezonden Messias was, dat men Hem dan niet gedood zou hebben.

Petrus zegt in zijn toespraak in de Handelingen der apostelen, dat ‘jullie’ d.z. de mensen, tot wie hij op dat moment spreekt, Jezus ter dood gebracht hebben, maar dat God Hem uit de doden heeft opgewekt.

Het goede wordt aan God toegeschreven, het kwade aan de mensen.

Dat doet mij denken aan het ontroerende verhaal van Jozef, die zich uiteindelijk bekend maakt aan zijn broers en vader en dan zegt: jullie hebben het allemaal ten kwade gedacht, (of in ons verband: jullie hebben het kruis voor mij opgericht), maar God heeft dit alles ten goede gedacht.

Hier wordt geen verklaring gegeven, geen oorzaak aangewezen of een soort goddelijk beleid uitgestippeld of aannemelijk gemaakt, maar hier wordt een getuigenis afgelegd over God, die op zijn eigen wijze uit iets kwaads iets goeds kan laten voortkomen!

En zo kan het kruis een teken van hoop worden voor alle mensen, die lijden en uitzien naar nieuw leven!

 

 

zondag, 04 maart 2018 15:04

Omgaan met het heilige

Geschreven door

Preek gehouden op de 3e zondag van de Veertigdagentijd (4 maart 2018) in de Grote of Mariakerk te Meppel n.a.v. Johannes 2 (slot)

 

Omgaan met het heilige

 

Ik weet niet wat u ervan vindt, maar ik vind het altijd vervelend, wanneer mensen grappen maken over God of over de Bijbel of wanneer Jezus belachelijk wordt gemaakt. Het stoort mij, wanneer datgene wat voor mij waardevol en belangrijk is, niet serieus wordt genomen.

Dat is vaak mijn (en uw) eerste reactie. Soms, als de grap goed doordacht is en scherp, kan het ook aanleiding geven tot een kritische doorlichting van je eigen opvattingen en geloofsvoorstellingen. Dat je dan denkt: hé, als mijn geloof er zó uitziet en als dat het beeld is van God, dat ik uitdraag of ongemerkt uitstraal, dan is er werk aan de winkel. Dan kan zo’n komische tik aanleiding zijn voor een serieuze bezinning. De Engelse cabaretier Stephen Fry voert God in zijn shows op als Iemand, die de regie over de loop der dingen volledig is kwijtgeraakt en zet zo een afschuwelijk beeld van Hem neer.

Sommigen willen hem vervolgen wegens Godslastering, maar ik denk, dat het beter is om als gelovigen bij onszelf te rade te gaan, zodat wij ons afvragen: is dit het beeld, dat wij van God uitdragen? Wordt het niet tijd om ons spreken over God nog eens kritisch tegen het licht te houden en te zuiveren van opvattingen, die aanleiding geven tot dit soort bespottingen?

Als we hier wat verder over nadenken dan raken wij eigenlijk aan de vraag: wat is heilig? Wat beschouwen wij als heilig en is wat wij heilig vinden inderdaad heilig. Je merkt dat, zodra je boos wordt of verontwaardigd reageert, wanneer mensen wat jij heilig vindt, onderuit halen of bespotten. Maar het kan ook voor jezelf een aanleiding zijn om nog eens goed na te gaan, waarom jij dit of dat heilig vindt. Meerder zaken kunnen als heilig aangemerkt worden:

Ik denk bijv. aan de zondag, het vaderland, het koningshuis, de kerkdienst, het huwelijk. Maar hoe heilig zijn dit soort zaken nog? Of zijn het ingestorte heilige huisjes?

Ik denk, dat we onderscheid moeten maken tussen de vorm waarin het heilige uitgedragen wordt en het heilige zelf.

En zo kun je zeggen, dat je het huwelijk heilig acht en dat je daarom nooit tot een echtscheiding zult overgaan, maar als de liefde in zo’n relatie volstrekt zoek is en men als kat en hond met elkaar leeft, wat stelt de heiligheid van het huwelijk dan voor?

M.a.w. de vormen, de uiterlijke verschijningsvorm, waarin het heilige zich voordoet en zichtbaar wordt – dat is niet het heilige zelf, maar het verwijst ernaar.

Jezus is ook altijd op zoek naar de kern, de basis, de crux waar het om draait. Hij schrikt er niet voor terug om de buitenkant aan de kaak te stellen om zó de binnenkant aan het licht te brengen.

Daarom lijkt het schoonvegen van het tempelplein een daad van heiligschennis, maar hij wil het werkelijk heilige juist aan het licht brengen.

Hij roept de mensen a.h.w. op: denk nog eens goed na over waar het nu werkelijk om draait. Wat houdt dienst aan God nu werkelijk in?

Als Jezus vanmorgen bij ons zou binnen lopen en de avondmaalstafel omver zou werpen en de bekers zou wegwerpen en het brood zou rondstrooien dan zouden wij daar allemaal schande van spreken. Die man heeft geen besef van het heilige, zouden we dan zeggen.

Behalve, wanneer hij zou zeggen: hé, jullie vieren nu wel zo mooi en zo netjes het avondmaal en er is niks op aan te merken, maar vergeten jullie niet het belangrijkste, het eigenlijke, namelijk dat je met elkaar een gemeenschap vormt, dat je samen mijn Lichaam vormt en mij present stelt in de wereld. Dat jullie leven van wat Ik jullie schenk en geef, en dat jullie mijn hartebloed, mijn lijf en leden zijn in deze wereld, in deze tijd.

Zo brengt Jezus’ heilige razernij aan het licht, waar het uiteindelijk en ten diepste om gaat. En we reageren eerst boos en verontwaardigd, maar bij nader inzien mogen wij wel blij zijn met zijn actie, want daardoor kwam duidelijker aan het licht, waar het om draait!

En ik heb in het kerkblad beloofd dat ik zo nu en dan eens zou proberen mijn preek in een paar puntige puntjes samen te vatten. Ik heb er vier:

  1. 1.Jezus is verontwaardigd omdat mensen de omgang met God hebben veruiterlijkt en vercommercialiseerd.
  2. 2.Als mensen vooral aan uiterlijke dingen hechten, zoals kerkelijke gewoonten, organisaties en gebouwen, dan is Jezus er als de kippen bij om daar tegen te waarschuwen en tegen op te treden. Religie is een zaak van het hart!
  3. 3.Wie dicht in de buurt van Jezus vertoeft zal altijd kritisch zijn t.a.v. iedere georganiseerde godsdienst en altijd zijn of haar best doen om die terug te buigen naar haar oorspronkelijke betekenis.
  4. 4.Geboden, religieuze plichten, instituties zijn alleen heilig voor zover ze bijdragen aan het welzijn van mensen: de kerk is geen doel op zichzelf, net zomin als de tempeldienst, maar een middel om ons te binnen te brengen, dat het uiteindelijk gaat om de liefde tot God en tot de naaste.

 

zondag, 11 februari 2018 13:14

Gemeden als de pest...

Geschreven door

Preek gehouden op de 6e zondag na Epifanie 11 februari 2018 in de Oude Kerk te Meppel n.a.v. Markus 1: 40-45

 

Gemeden als de pest…

 

Beste kinderen, die zo dadelijk naar de nevendienst gaan: vandaag horen jullie en wij het verhaal, dat Jezus een melaatse man ontmoet. Iemand, die huidvraat heeft, zoals de NBV zegt. Het gaat om een heel erge ziekte aan de huid, die ook wel lepra wordt genoemd. In de tijd van Jezus – en ook later – moesten mensen die hieraan leden op afstand van andere mensen blijven. En ze moesten mensen waarschuwen, als ze eraan kwamen of wanneer anderen in hun buurt kwamen. Zij hadden een soort ratel bij zich en daar maakten zij dan geluid mee om duidelijk te maken: kijk uit, ik kom er aan…blijf uit mijn buurt, want anders krijg jij misschien ook wel deze vreselijke ziekte. (ik maak wat herrie met een knopendoosje, dat als ‘ratel’ fungeert)

We zingen nu ‘het lied van de club van ieder kind’ en daarna naar KND.

 

De melaatse man heeft vast en zeker op een bankje tegenover de synagoge zitten wachten tot Jezus naar buiten kwam. Hij wist ongetwijfeld, dat Jezus van tijd tot tijd sprak over het aanbreken van een nieuwe tijd, dat het Koninkrijk Gods nabijgekomen was – wat dat verder ook precies mocht betekenen, maar het klonk in ieder geval hoopvol en spannend – en hij hoopte, dat die Jezus dan ook de daad bij het woord zou voegen. Dat hij niet alleen zou spreken over die nieuwe werkelijkheid, maar dat hij daar ook iets van zou laten zien. Er moet toch een samenhang zijn tussen woorden en daden?

Ja, tussen haakjes, dat is inderdaad altijd weer de uitdaging, waar ook de kerk in alle tijden voor staat: hoe verhoudt de prediking, de verkondiging van het evangelie zich tot de barre werkelijkheid van alledag. Is de verkondiging alleen maar een zoethoudertje en een doekje voor het bloeden of is het een inspiratiebron van omwenteling, van verandering en herstel van vastgelopen situaties en scheefgegroeide verhoudingen en zal de verkondiging zo leiden tot vernieuwing en ommekeer of blijft alles zoals het was en valt de verkondiging als een veertje op het ijs i.p.v. als een steen in de vijver?

Terwijl de man, de melaatse man, hierover zit te peinzen ziet hij dat de deuren van de synagoge opengaan en hij kijkt vol spanning of hij Jezus naar buiten ziet komen. Want hij wil hem iets vragen, iets voorleggen.

Wat hij nu gaat doen is wel heel ongewoon en eigenlijk ook ongehoord, ja ten strengste verboden…hij zou zijn ratel moeten pakken en moeten roepen: opzij, opzij, want hier zit een melaatse. Pas op!

Nee, in plaats daarvan trekt hij zijn stoute schoenen aan en strompelt regelrecht op Jezus af en hij valt hem te voet.

En Jezus ziet het gezicht van de man, helemaal misvormd en opgezet, met dikke plooien en open plekken, de ogen bijna onzichtbaar en de huid verdikt en gevlekt, een soort leeuwengezicht en een olifanten-huid lijkt het wel. Wat een zenuwslopende rotziekte is lepra toch, dacht Jezus.

“Als er dan een God is, waarom dan zoveel ellende en narigheid…”, dat is een vaak terugkerende vraag, wanneer ik met mensen in gesprek ben over God, geloof en kerk (om het thema maar even in deze trits samen te vatten). Vaak komt die vraag op, wanneer men zelf getroffen wordt door ziekte of ongeluk, terwijl men misschien al 60 jaar of langer onbezorgd geleefd heeft in een wereld, die aan alle kanten en van begin af aan getekend is door gebrek, mislukking, misdaad en degeneratie. Maar daar had men blijkbaar geen last van. Voor veel mensen betekent geloven in God blijkbaar, dat Hij ervoor moet zorgen, dat hun tafel gedekt is en hun bedje gespreid is dat alles op rolletjes verloopt in hun leven. Geen vuiltje aan de lucht. Dat noem ik maar gemakshalve ‘mooi weer-geloof’.

Of betekent geloven in God, dat ik eraan vasthoud, dat te midden van het lijden en ook wanneer alles mij uit handen valt, er een Macht is, die mij draagt en die mij liefheeft tot het uiterste en daaraan voorbij?

Dit ook even tussen haakjes, want we keren nu weer terug naar die ontmoeting tussen Jezus en die melaatse man. Wat een rotziekte is lepra toch, hoorden we Jezus denken. En Jezus vraagt zich niet af, of dit de wil van God is enzo…maar hij voelt zich eerder geroepen om het gevecht aan te gaan tegen deze ziekte en zó de wil van God aan het licht te brengen.

Want de man vraagt aan Jezus of hij hem wil rein maken, hem wil afhelpen van zijn melaatsheid, zodat hij weer kan functioneren als mens in de samenleving. Niet meer aan de rand, niet meer buitengesloten van alles: nooit naar een feestje, nooit naar de synagoge, nooit naar de winkel…altijd maar geïsoleerd, nagekeken en verafschuwd. Nooit meetellen, altijd achteraan staan, gestigmatiseerd door het leven gaan. Is dat wel leven, eigenlijk? Hoeveel mensen in onze samenleving en in de wereld kunnen zich hierin niet herkennen? Zonder deze ziekte te hebben worden zij gemeden als de pest, omdat ze van een andere cultuur zijn, anders denken, een andere huidskleur hebben, een ander geloof, andere seksuele geaardheid…

Nee, dat is geen leven, vindt Jezus. Daarom heeft hij medelijden met deze man. En hij wil er alles aan doen om deze mens weer een deel van leven te geven.

Ja hoor, zegt Jezus…ik wil. Ik wil, dat jij weer volwaardig mens wordt, dat je weer kan deelnemen aan het sociale verkeer, dat je niet meer nagekeken wordt, dat mensen niet meer met een boog om je heen zullen lopen, dat je je ratel kunt opbergen op zolder, dat je, kortom, voluit mens wordt, zoals ik het wil, zoals God het wil!

Deze wonderlijke, openhartige en liefdevolle ontmoeting, waarbij Jezus er niet voor terugdeinst om deze man aan te raken – daarmee aangevend, dat hij geen afstand voelt, dat er wezenlijke nabijheid is van mens tot mens – leidt tot een doorbraak, tot een ongekende en ongehoorde transformatie en transitie.

De man wordt volledig als mens aanvaard en uit zijn isolement gehaald door een simpele aanraking en een liefdevol woord.

Jezus stuurt de man naar de priester om hem genezen te laten verklaren. De priester geeft hem bij wijze van spreken een stempel ‘gezond’ en heft daarmee alle beperkingen op. Vanaf dat moment is hij vrij man, bevrijd van zijn melaats-zijn en vrij om te gaan en te staan waar hij wil.

Merkwaardig, dat Jezus niet wilde, dat er ruchtbaarheid werd gegeven aan deze ontmoeting. We zitten nog maar in hoofdstuk 1 van Markus, die in vliegende vaart het optreden van Jezus vertelt, maar tussendoor onderstreept Markus, dat er hier sprake is van een ‘geheim’, het ‘messiasgeheim’. Het is niet bestemd voor de straat en de grote klok, maar in de verborgenheid wordt het zaad van het Koninkrijk gezaaid. Soms licht het op als een komeet in de nacht, maar vaak zien we niet wat het evangelie uitricht in de wereld. Het is als een zuurdesem, dat alles doortrekt – je kunt niet zeggen: kijk, hier is het of daar! We zouden dat wel veel prettiger vinden en het zou op de wereld ook meer indruk maken, maar Jezus kiest een andere weg…dat is de weg van de vernedering en de verborgenheid, uiteindelijk zelfs de weg van het lijden en het kruis.

Zó, op die wijze, is hij present in de wereld, op verborgen, eenzame plaatsen buiten de steden – dat is natuurlijk niet letterlijk bedoeld, maar als aanduiding van ‘uit het zicht’, niet roepend op de straten, maar stil en onhoorbaar doet Hij van zich spreken en onzichtbaar en zonder ophef laat Hij zich zien.

Meester, men zoekt u wijd en zijd, komend langs velerlei wegen. Daarom zoekt u elk mensenkind. Zoek, herder, mij, opdat ik vind en steeds meer bij U zal horen (LB 837: 4 – nieuwe versie).

zondag, 21 januari 2018 12:26

Recht door zee

Geschreven door

Overdenking gehouden op de Zondag van de Eenheid 21 januari 2018 in de Doopsgezinde en Remonstrantse (DoRe) Gemeente in Meppel n.a.v. Exodus 15: 1-6, 20-21.

 

Recht door zee

 

Inleiding:

Vanmorgen mag ik bij u voorgaan bij de opening van de Week van gebed voor de Eenheid. Lange tijd was het in Meppel traditie dat de voorgangers van de verschillende kerken bij elkaar voorgingen. Vandaag is dat ook zo, maar het zal wel de laatste keer zijn, nu de RvK zichzelf heeft opgeheven of gaat opheffen. Hopelijk komt er een alternatief voor de wijze waarop wij uitdrukking probeerden te geven aan verbondenheid met elkaar.

Ik wil vanmorgen de liturgie volgen, die is opgesteld door de Raad van Kerken in Ned. in samenwerking met christenen in het Caribische gebied. De hoofdlezing is de bevrijding van Israël uit Egyptische slavernij en de doortocht door de Rode Zee, eindigend met het loflied van Mirjam. M.n. voor de gelovigen in het Car. gebied een inspirerende lezing, omdat zij er zichzelf gemakkelijk in kunnen herkennen, omdat zij ook eeuwenlang als slaven werden behandeld. Uiteindelijk kwam wel de afschaffing van de slavernij tot stand, maar dat betekende nog niet het einde van onderdrukking en achterstand.

De inleidende teksten, liederen en gebeden volg ik dus vanuit deze handreiking. Zo ontstaat er ook verbondenheid met andere gelovigen in andere kerken, die hetzelfde doen. Wel zal er een grote diversiteit aan interpretaties en toepassingen zijn n.a.v. de lezingen, maar dat is te danken aan de vrijheid van de Geest, die waait waarheen zij wil. Zo is de overdenking ook geheel van eigen hand.

 

Het verhaal van de bevrijding uit die arbeiderswoning daar in Egypte is eigenlijk te beschouwen als een voorbeeld-ig of metaforisch verhaal. Je kunt er allerlei historisch onderzoek naar doen en je wilt misschien weten, wanneer nou e.e.a. precies gebeurde en welke farao toen heerste en of die zee nou werkelijk zo doormidden spleet – en hoe kan dat nou en zo? – maar dan doen wij onszelf en het verhaal tekort.

Als wij zo’n bijbelverhaal te lezen krijgen moet de vraag niet zijn: is alles precies zo gebeurd als dat het opgetekend is, maar zou de vraag moeten zijn: kan ik, kunnen wij deze ervaringen van Israël meevoelen en meebeleven in ons eigen leven. Kunnen we iets van slavernij in ons eigen leven herkennen. Hoe kun je daar aan ontsnappen en is het wellicht een ‘narrow escape’. En hoe vertel je dat aan anderen? Hoe uit je je vreugde daarover en je hoop? Kan dit verhaal uit Exodus als een voorbeeld gelden. En schrijf je de bevrijding uiteindelijk toe aan God of is dat ook ‘risky business’, omdat dat al zo vaak gedaan is en lang niet altijd tot meerdere eer en glorie van God. Of wil je heel andere motieven inbrengen en schrijf je je voortgang vooral toe aan jezelf, of de omstandigheden, je eigen doorzettingsvermogen e.d.

M.a.w. ik zou kunnen zeggen: voor wie wordt er een standbeeld opgericht? In alle tijden hebben mensen behoefte gevoeld om een standbeeld op te richten, in welke vorm dan ook. Aan het eind van dit bijbelgedeelte wordt ook een standbeeld opgericht door Mirjam in de vorm van een lied. Dat is een eerbetoon aan God, die als de ultieme Bevrijder wordt gezien. Het was niet ten gevolge van onze eigen inspanningen en ook niet de strategische inzichten van Mozes waren doorslaggevend en ook niet traagheid van de Egyptische troepen, maar het was meer een samenloop van omstandigheden, die harde oostenwind precies op dat moment, het was ook de kleine voorsprong die wij hadden, het overwicht van Mozes…en noem alles maar op, wat je kunt bedenken, maar uiteindelijk valt onze mond toch open van verbazing en verwondering en beginnen te zingen: Hij was het!

Maar een standbeeld, in welke vorm dan ook, is niet ongevaarlijk. Want het knarst in de oren en bijt in de tong om God zo luidruchtig te bezingen als een Oorlogsheld, als een generaal, die de troepen van de tegenstanders in de zee laat verdrinken. Hé, Mirjam, heb je daar wel eens aan gedacht?

Zeker in doopsgezinde oren moet dat klinken als vloeken in de kerk (of: de Vermaning)!

Maar ook andere standbeelden zijn aanvechtbaar en hun bestaansrecht wordt momenteel alom aangevochten. M.n. ook die in verband staan met het thema van vanmorgen, waarbij in het bijzonder wordt stilgestaan bij het slavernijverleden van de mensen in het Caribisch gebied.

Ons eigen zgn. zeehelden- en koloniale verleden heeft heel wat standbeelden opgeleverd en ook namen van straten en tunnels, van Coen tot van Heutz e.a. en we beginnen er steeds meer mee in ons maag te zitten. Ineens – of langzaam aan – begint het door te dringen dat onze glorie ook een heel andere kant heeft: één van onderdrukking en uitbuiting, slavernij en discriminatie. Het trotse en parmantige zelfbeeld komt onder druk te staan en dat is alleen maar goed, denk ik.

Recht door zee! Dat is altijd belangrijk, weten waar je vandaan komt en waar je heen gaat. Een wonderlijke weg. Een onmogelijke weg, eigenlijk, die toch begaanbaar blijkt en leidt tot vreugde en blijdschap, maar ook tot inkeer en zelfkritiek.

Zo brengt zo’n bijbelverhaal ons bij onze eigen geschiedenis, bij ons reilen en zeilen, ons falen en dralen – en de mensen van de Cariben zien we niet langer meer als werknemers en afnemers van onze producten, nee wij zullen elkaar niet meer inschatten op economische waarde, maar op intrinsieke waarde, alle mensen als beelddragers van God, vrienden en broeders en zusters in Christus. Daar zullen wij om bidden en daar werken wij ook samen naar toe!

 

zondag, 07 januari 2018 14:25

Een ster op de kansel

Geschreven door

Preek gehouden op zondag Epifanie 7 januari 2018 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Jesaja 60: 1-6 en Mattheüs 2: 1-11

In deze dienst werd Bé Hagedoorn bevestigd in het ambt van ouderling-kerkrentmeester.

Voor het antependium op de kansel was een lichtende ster bevestigd.

 

Een ster op de kansel

 

Om (mee) te beginnen wens ik u allen veel heil en zegen toe voor het nieuwe jaar. Wat dat concreet kan betekenen is volgens mij o.a., dat we ons meer en meer bewust zijn van onze taak en roeping in de wereld, dat we deel uitmaken van een groter geheel en dat onze blik niet zozeer naar binnen en op onszelf gericht zou moeten zijn, maar meer naar buiten en naar de ander. Hoe meer we onszelf vergeten, hoe meer we gemeente van Christus zullen zijn. En hoe meer we aan onszelf denken des te groter de kans, dat we ten ondergaan aan meningsverschillen en strijdpunten over gebouwen, inrichting van de liturgie of invulling van vacatures.

Daarom is de zondagse eredienst zo belangrijk. Daar worden we telkens weer herinnerd aan onze oorspronkelijke roeping en ons gegrepen zijn door de onvoorwaardelijke genade van God. We worden even uit onze middelpuntigheid weggeslingerd en geplaatst in de ongekende en onmogelijke ruimte van God en we beginnen te zingen liederen van lof en bevrijding en we horen verhalen, die ons boven onszelf uittillen en die richting wijzen voorbij ons eigen denken en streven.

Wil de kerk nog enige betekenis hebben in de samenleving en mensen blijven inspireren op hun levensweg dan zal zij vooral ‘lichtvoetig’ en ‘relevant’ moeten zijn. Met lichtvoetig bedoel ik, dat de kerk geen topzware organisatiestructuur moet hebben, maar dat zij wendbaar en elastisch moet zijn, inspelend op veranderende situaties en gemakkelijk inspringend op wat op haar weg komt. Ik vergelijk de kerk wel eens met een politieke partij. Daarbij moet je altijd bedenken, dat het idee en het ideaal er altijd eerder zijn dan de organisatie.

Het socialisme als idee was er eerder dan de PvdA en het liberalisme eerder dan de VVD. Maar op den duur kan alle aandacht zo uitgaan naar de organisatie en de structuur en daar kan zoveel tijd en geld in gaan zitten, dat het idee en het ideaal totaal buiten beeld raken. Maar let op (!): de teloorgang van een partij betekent nog niet de teloorgang van het idee en het oorspronkelijke gedachtegoed!

Natuurlijk besef ik ook wel, dat er altijd sprake is van een zekere wederkerigheid, een heen en weer. Je hebt de organisatie ook nodig om het idee en het ideaal te bewaren, maar het idee en het ideaal gaan principieel voorop. En zo kan een organisatie op den duur leeglopen en totaal niet meer functioneel zijn als het gaat om het uitdragen van en vorm geven aan het ideaal.

Dat is voor de kerk ook altijd een kritische vraag: in hoeverre geeft onze kerk nog doorgang aan het idee, aan de idealen van het christendom en het christen-zijn?  Moeten deze eerste en fundamentele vragen niet aan alles voorafgaan?

M.a.w.: veel heil en zegen in het Nieuwe Jaar. Ik heb dat op mijn manier enigszins gespecificeerd nu en ik hoop, dat dat in het komende jaar ook leidend zal zijn bij alle mogelijke beslissingen, die er voor ons gemeente-zijn in Meppel aan zitten te komen.

Bij alles wat we in de loop van het jaar gaan doen en ondernemen zullen we a.h.w. terugdenken aan vandaag en aan de STER, die verschenen is. Wie is onze ster en op wie oriënteren wij ons en in hoeverre bepaalt deze ster onze koers?!

Het is vanmorgen – en wat mij betreft nooit – niet de bedoeling om een interessante preek te houden, bijv. over de vraag, wie die wijzen uit het Oosten wel waren. Daar kun je hele beschouwingen over houden en met veel kennis van zaken of zgn. kennis van zaken erover uitweiden, dat we hier niet te maken hebben met drie koningen, maar met een hele karavaan van priesters en hotemetoten uit Parthië, die ge-escorteerd en voor iedereen zichtbaar als een diplomatieke delegatie Jeruzalem binnenkwamen en iedereen was onder de indruk van hun komst en hun rijkdom en uitdossing. Hmm…interessant.

Of wanneer ik zou uitweiden over hoe de sterren ervoor stonden in de periode van rond het jaar nul en dat er inderdaad juist in die tijd bijzondere astronomische verschijnselen zich voordeden en dat iedereen, die een beetje verstand van sterrenkijken had dit wel moest opmerken. En dat het dus helemaal niet zo vreemd was dat deze astrologen elkaar aankeken en zeiden: “Hé, er is vast ergens een koning geboren. Spullen pakken…en we gaan!”

Hmmm…interessant!

We komen niet in de kerk om interessante achtergrondinformatie te vernemen over een voorval, dat rond de jaartelling al of niet heeft plaatsgevonden. Wij zijn hier gekomen en we komen hier telkens weer – want we zijn vergeetachtig en hardleers – om ons leven en ons gemeente-zijn te oriënteren op de ster!

Wie is het ook al weer, die ons de weg wijst? Wat zullen we uiteindelijk doen met al onze kennis, inzichten, bezittingen, talenten? Houden we alles voor onszelf of leggen we alles neer aan de voeten van de pasgeboren Koning? En zingen we dan misschien zachtjes: Neem mijn leven, laat het, Heer, toegewijd zijn aan uw eer?

Zijn we bereid om van ons paard of onze kamelen af te komen en te bukken als we de deur van de stal of het huis binnengaan? Realiseren we ons ineens, dat de ster aan de hemel deze ster op de aarde is? Dat dit geboren Kind als een komeet de hemel heeft verlicht en als een vallende ster onder ons is verschenen om ons te verlichten en de weg te wijzen?

We gaan een nieuw jaar in en laten we daarbij steeds beseffen, dat we onderweg zijn en dat de Ster ons voorgaat en dat wij de Ster zullen volgen. Op dood en op leven, op hoop van heil en zegen! Hebt u het opgemerkt? Vanmorgen hadden we een ster op de kansel!

 

dinsdag, 02 januari 2018 14:45

Een Nieuwjaarsgebed

Geschreven door

 

Een Nieuwjaarsgebed

 

Matthew Distefano, een Amerikaanse theoloog in Californië, heeft op het Patheos.com-blog een Nieuwjaarsgebed geplaatst, dat ik in vertaling graag wil doorgeven. Als een nieuw jaar begint kun je van start gaan met goede voornemens en één daarvan kan zijn, dat je dagelijks of wekelijks – of in ieder geval van tijd tot tijd – dit gebed leest, zegt of prevelt en er ook naar probeert te handelen. “Feel free to make it your prayer”.

 

“Laat mij er op ieder moment in het jaar voor open staan om Uw genade te ontvangen.

Wanneer ik afdwaal, laat uw ontferming dan als een warme douche over mij komen.

Wanneer ik haatdragend ben jegens mijn broeders en zusters, laat mij dan spijt hebben van mijn verkeerde gezindheid.

Wanneer anderen zich zo tegenover mij opstellen, laat mijn mond dan overlopen van vergevingsgezindheid .

Laat mij op ieder moment van het jaar openstaan voor uw liefde.

Als ik tekort schiet in liefde, moge uw ontferming mij dan vervullen.

Wanneer ik te weinig liefde opbreng voor mijzelf en voor mijn medemensen, laat mij dan mijn hart openstellen, zodat uw liefde bij mij kan binnenstromen.

Wanneer anderen hun liefde jegens mij niet kunnen tonen, moge (de) goedheid dan vanuit mijn diepste innerlijk op hen afstralen.

Laat mij er op ieder moment in dit jaar voor open staan om uw vrede te ontvangen.

Als ik met mezelf overhoop lig, moge uw zachtmoedige Geest mij dan vertroosten.

Als ik met anderen overhoop lig, laat mij dan zoveel zelfbeheersing hebben, dat mijn manier van doen erdoor verandert.

Wanneer anderen met mij overhoop liggen, moge goedheid dan alles en iedereen omringen.

Laat mij op ieder moment van dit jaar openstaan voor de vreugde in U.

Als ik boos ben, wilt u mij dan leren rustig te gaan ademen.

Als ik ruzie of woorden heb met anderen, laat mij dan vriendelijk zijn en vervuld met empathie.

Wanneer anderen ruzie zoeken met mij, laat ‘shalom’ dan mijn alles zijn.

O God, hoor mijn gebed en ontferm U over ons allen. Amen”.



dinsdag, 26 december 2017 12:47

In de binnenkamer

Geschreven door

Overdenking gehouden in het 2e gedeelte van de Kerstnachtviering 2017. Het eerste deel “In de voorhof” bestond uit lezingen (in het Drents), samenzang en muzikale en dichterlijke ‘performances’, terwijl het tweede deel “In de binnenkamer” een meer meditatief-liturgisch karakter droeg.

En Maria bewaarde al deze dingen (woorden) in haar hart en bleef er over nadenken… (Lukas 2)

 

In de binnenkamer

 

Als Maria een beetje bijgekomen is van de bevalling en nadat Jozef nogal onhandig het kindje in doeken had gewikkeld – Maria moest er een beetje om huilen en lachen tegelijk: het leek wel een mummie – en nadat de herders hun wat zweverige verhaal hadden verteld, iets over verschijningen en lichtflitsen – allemaal een beetje vaag, vond Maria – en nadat zij weer waren teruggegaan naar hun velden en schaapjes, toen begon Maria alles nog eens te overwegen in haar hart.

Deze overdenking is a.h.w. een poging om daar wat dichterbij te komen. Dat we proberen Maria te volgen in haar gedachten en overwegingen.

Lukas, die op zijn manier ons dit verhaal verteld heeft – niet als een historicus of journalist, maar als een evangelist – gebruikt hier een uitdrukking, die hij ook al eerder heeft geopperd, namelijk dat zij ‘deze dingen, deze woorden bewaarde en erover bleef nadenken’. Datzelfde vertelt Lukas namelijk ook bij het prille begin, wanneer Maria verteld wordt, dat zij zwanger zal worden. Dat was ook allemaal een beetje vreemd en onnavolgbaar en ook dan bewaart Maria dat in haar hart en zij blijft erover nadenken.

Dat bewaren is als het bewaren van een geheim. Het is iets puur van jezelf, je kunt er eigenlijk niet over praten met anderen. Het is haar levensgeheim en als ze er iets over wil zeggen dan zingt zij erover.

Dat bewaren is ook een soort ‘bewaken’, er de wacht over houden, zoals de herders deden over hun kudde, zo houdt Maria de wacht over wat er allemaal gebeurd en gezegd is. Dat moet je a.h.w. in een doosje doen, een soort schatkistje, waarin je al je herinneringen bewaart. Die gaan van het begin af aan, van de eerste aankondiging, via alle stadia van haar zwangerschap: zo ging het kind in haar te groeien. Totdat zij het niet meer bij zich kon houden, het werd al groter en groter en zo ligt haar kind nu in de voederbak als in een bewaarkistje. Maar het kind bewaart ze vooral in haar hart, in haar binnenkamer. Dit kind is als God voor haar.

Zij blijft er maar over nadenken. Lukas schrijft eigenlijk, dat zij alles ‘bij elkaar werpt’, alle gedachten, alle gebeurtenissen, alle woorden, alle ideeën, - alle ingrediënten voegt zij bij elkaar en dan ziet zij zichzelf en haar kind worden tot een ‘symbool’ (dat is precies het woord, dat Lukas hier gebruikt nl. ‘sym-balloo’ = samen-werpen, bijeenbrengen)!

Maria nodigt ons uit om alles nog eens op een andere manier te bekijken en te overwegen. Dat we meer oog en oor krijgen voor de symbolische betekenis en waarde van het kerstfeest, dat wij moeder en kind als symbolen zien van geborgenheid en zorg. De geboorte van een kind, het meest kwetsbare en meest hoopvolle moment van ieders leven.

De hele situatie daar in Bethlehem is als een symbool van onze alledaagse werkelijkheid, grauw en bedreigd, zoals mensen op de vlucht zijn, geen plek vinden…, maar een kind wijst de weg naar de toekomst. Dit kind spoort later grote mensen aan om zelf te worden als een kind. Hij is het, die zelf geen steen heeft om zijn hoofd op neer te leggen, die mensen uitnodigt om Hem na te volgen door het op te nemen voor wie vergeten wordt en niet in tel is en dat je met je eigen miezerige kracht toch in staat bent bergen te verzetten. Noem het geloof, noem het hoop, al is het maar klein en onopvallend.

Ik hoop, dat we de geboorte van dit kind en van ieder kind altijd als een symbool blijven zien, als het begin van een verandering, een andere tijd begonnen.

En dat we ons niet laten afleiden door wat er van gemaakt is en van gemaakt wordt, dat wanneer je struikelt over de kerstversieringen en door de kerstbomen het bos niet meer ziet, dat we kern niet uit het oog verliezen, maar zoals Maria die altijd blijven bewaren en bewaken in ons hart. Anders wordt het, zoals ik onlangs hoorde van dat al wat oudere echtpaar, dat  over een feestelijke kerstmarkt liep en zij vergapen zich aan alle mooie snuisterijen, die er te koop zijn en hij staat vaak geduldig te wachten en zijn vrouw wil bij iedere winkel naar binnen en op een gegeven moment zien zij ook een aankondiging van een kerkdienst en op een flyer lezen ze ‘A babe is born’. “Het moet toch niet gekker worden”, zeggen zij tegen elkaar, “zij halen tegenwoordig Jezus ook overal bij…”

Ik wens u allen een vrolijk en meditatief Kerstfeest!

zondag, 03 december 2017 13:15

Enige troost

Geschreven door

Preek gehouden op de 1e zondag van Advent 3 december 2017 in de Oude Kerk n.a.v. Jesaja 40: 1-11

 

Enige troost

 

De adventstijd en de tijd van de ballingschap hebben wel iets van elkaar weg: in beide gevallen is er sprake van duisternis en van uitzien naar licht en verkwikking. We bevinden ons in een donkere ruimte, geen opening naar buiten, geen licht dringt naar binnen.

Dan is er ineens deze profeet, Jesaja II, die niet zozeer zelf het woord neemt, maar een Stem hoort. Hij wordt aangesproken. Het is alsof onverwacht de deur naar buiten opengaat en het licht als een vloed de duisternis opheft.

Wij staan ineens in het volle licht en de profeet krijgt te horen, dat hij moet troosten. Al die mensen in die donkere ruimte moet hij troosten en al die mensen moeten ook leren troosten. Dat zegt die Stem van de roepende.

Maar wat valt er te troosten dan? Wat is er aan de hand dan?

Nou, als we hoofdstuk 40, het 1e deel, tot ons laten doordringen dan komen we precies tegen, hoe onze situatie is: niet alleen van die mensen toen in de ballingschap, maar evengoed van ons in deze tijd.

Ik wil proberen het in een paar trefwoorden samen te vatten: er is een gevoel van eenzaamheid en verlatenheid. Er is een besef van schuld, spijt en schaamte. En er is ook de ervaring van tijdelijkheid en vergankelijkheid.

Soms zeggen mensen wel eens: in de kerk gaat het altijd over zonde en schuld, dood en vergankelijkheid. O ja, ik geef meteen toe, dat ik die kritiek ter harte neem en mij plaatsvervangend schaam voor alle overaccentuering en misbruik van deze thema’s :  er is veel te veel gebabbeld en gezwijmeld over deze onderwerpen en ze zijn als een last op de schouders van de mensen  gelegd. Maar ik zie het eerder zo, dat het ter sprake brengen van deze thema’s  bij het aanduiden van onze situatie, van ieder mens, behoort. Het betreft een constateren van een werkelijkheid, waaraan iedereen deelneemt. Zo zit de wereld in elkaar, zo beleven wij die en niemand ontkomt daar aan. Zoals wanneer je bij de dokter komt en je vraagt: kunt u mij zeggen wat mij mankeert? Kunt u de diagnose stellen?

Als we er dan zo aan toe zijn – of we dat nu dagelijks beseffen of niet, of we er vaak of weinig bij stilstaan, dat doet er allemaal niet toe, feit is dat we vroeg of laat tegen onze vergankelijkheid oplopen, dat we inzien, dat we fouten hebben gemaakt of tekort geschoten zijn – als we er dan zo aan toe zijn, is er dan nog hoop, of is er ook enige troost? En wat is dat dan?

Als je opgedragen wordt om te troosten dan sta je wel met lege handen en een mond vol tanden, toch? Mensen zien er tegenop om op bezoek te gaan bij iemand, die ziek is of die een zwaar verlies heeft geleden. “ik weet niet wat ik moet zeggen”, hoor je dan. Misschien moet je wel niks zeggen en gewoon er-zijn.

Wij denken vaak, dat troosten allereerst een ‘verbale’ activiteit is, dat we iets moeten zeggen. Maar ik denk, dat troosten meer een doe-woord is dan een zeg-woord.

Als we het Nederlandse woord ‘troosten’ wat preciezer bekijken zou je kunnen zeggen, dat het te maken heeft met ‘tot rust brengen’. Iemands hart is onrustig in hem, hij of zij mist een middelpunt en rustpunt en de gedachten en gevoelens schieten alle kanten op. Het is een hele troost en opluchting als je onrustige hart rust vindt, uiteindelijk in God, zoals Augustinus ervaren heeft, toen hij kon zeggen: mijn hart is onrustig in mij totdat het rust vond in God.

Daar heb je vaak de ander bij nodig. Het is daarom niet voor niets dat we in andere talen het woordje ‘con’ (samen met) terugvinden in het woord troost en troosten. Het Franse ‘consolation’: daarin zit ‘solo’ – ‘alleen’ en ‘con’ – samen met. Samen het alleen-zijn volhouden. Je voegen bij de eenzame en samen de situatie uithouden. Dat is troosten. Dat is troost ervaren.

‘Comfort’ in het Engels: dat betekent letterlijk ‘samen sterk zijn’. Dan ben je bij de ander om hem te ondersteunen en er samen tegenaan te gaan. Dankzij die hulp van de ander wordt het leven weer comfortabel en kun je weer verder.

In het Hebreeuws heeft ‘troosten’ te maken met weer op adem komen, weer lucht krijgen. Het leven maakt je soms kortademig, je rent en je vliegt en je raakt buiten adem. Dan is er iemand die zegt: doe nu eens rustig aan en kom op adem.

Allemaal vormen van ‘troosten’. Troosten is niet verdoezelen en verzachten of het leed ongedaan maken, maar het is eerder het samen uithouden, er samen doorheen komen. En dan komt er weer licht in de duisternis. Er gaat een deur open. Er blijkt toch weer een weg vooruit te zijn. Wat een onbegaanbare en doodlopende weg leek blijkt toch een begaanbare weg te zijn. Een weg, die God zelf voor ons baant.

Zie je het al gebeuren? Het eerste lichtje is al ontstoken. De eerste woorden zijn al geroepen en de stem om uit je benauwde situatie tevoorschijn te komen is al gehoord. Nu zullen we ook op weg gaan, niet alleen getroost worden, maar ook zelf troosten. Laat de kerk een plek zijn waar mensen op adem kunnen komen en vertroost worden. Maar laat het ook een troost-fabriek zijn, waar mensen geïnspireerd worden om erop uit te gaan, de wijde wereld in of de ogen open te hebben voor het leed en de leegte vlakbij en er te zijn, met een luisterend oor en een daadkrachtige hand! En ja, daar hoort een ‘bakkie troost’ ook bij.

Heel gewoon en alledaags, maar zo eenvoudig en diepzinnig kan troosten zijn!