Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Ook plaats ik hier korte inleidingen of publicaties (in het kerkblad), een vertaalde preek van Paul Tillich en andere beschouwingen. U wordt uitgenodigd om ook daarop te reageren.

Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

Blog

Blog (105)

zondag, 08 oktober 2017 13:15

Synagoge en kerk

Geschreven door

Synagoge en kerk

 


Onderstaande column schreef ik voor de Meppeler Courant van vrijdag 6 oktober 2017 in de week van/na de Israëlzondag en nadat een herdenkingsconcert in de Grote of Mariakerk was gehouden n.a.v. 75 jaar gedenken van de deportaties naar Westerbork.

 

Eeuwenlang is de verhouding tussen de kerk en de synagoge gespannen en vaak zelfs vijandig geweest. De Reformatie van de 16e eeuw heeft daar niet veel verandering in aangebracht. Hoewel binnen het protestantisme hernieuwde aandacht kwam voor het Oude Testament en de Hebreeuwse Bijbel a.h.w. werd herontdekt, toch overheerste ook binnen het protestantisme de afwijzing van het Jodendom als een religie, die haar tijd had gehad sinds de verschijning van Jezus als de Messias (Christus). De kerk ging meer en meer op het standpunt staan, dat zij in de plaats van de synagoge was gekomen, zoals de Doop in de plaats van de besnijdenis (zo stelde het oude doopformulier ongefundeerd vast).

Zondag jl. vierden wij in de Protestantse Kerk de zgn. Israëlzondag. Deze zondag is ingevoerd nadat in de kerk(en) meer en meer het besef zich begon te ontwikkelen, dat de kerk haar wortels heeft in de synagoge en dat de kerk eigenlijk niet compleet is zonder de synagoge. Dat inzicht is mede opgeroepen door de verschrikkelijke gebeurtenissen en de moedwillige wegvoering van het Joodse volksdeel tijdens de bezettingsjaren van 1940-1945. Ook vanuit Meppel werden Joodse stadsgenoten, die allerlei posities bekleedden in de maatschappij, uit hun huizen gehaald en gedeporteerd naar Westerbork en vandaar verder, waarvandaan (bijna) niemand terugkeerde.

Na die verschrikkingen kwam binnen de (protestantse) kerken een verandering in denken op gang t.a.v. het (nog) levende Jodendom: dat de kerk er is dankzij de synagoge, dat God zijn verbond met zijn volk niet heeft geannuleerd, dat wij veel kunnen leren van de Joodse uitleg van het Oude Testament (Tenach), dat Jezus ‘onze Heer’ een Jood is (F.-W. Marquardt), dat kortom de band met Israël onopgeefbaar is, zoals de ‘nieuwe’ kerkorde stelde.

Ook vóór de oorlog was door sommige theologen in dit opzicht al e.e.a. in de week gelegd. Zo wil ik hier met ere nog even de naam van de theoloog K.H. Miskotte noemen, die van 1925-1930 predikant was in Meppel en die in 1932 promoveerde op ‘Het Wezen der Joodsche Religie’.

De synagoge als huis van gebed en als leerhuis is helaas in Meppel niet meer tastbaar en zichtbaar aanwezig. Het had maar een haar gescheeld of in de jaren 50 van de vorige eeuw was de synagoge omgebouwd tot een kerkgebouw, maar daarmee zou de verhouding tussen synagoge en kerk voorgoed vertroebeld en onzichtbaar zijn geworden en dan zou de kerk gedemonstreerd hebben, dat zij wel zonder de synagoge verder zou kunnen.

In de Handelingen der apostelen staat een opvallend berichtje, namelijk dat in Korinthe de eerste christelijke gemeente zich huisvestte náást de synagoge. Eerst predikte Paulus in de synagoge zelf, maar toen dat niet langer gewaardeerd werd betrokken hij en zijn volgelingen het pand ernaast (Hand. 18: 7). Bij alle verschillen wilde men blijkbaar dicht bij elkaar blijven en dat is in alle tijden broodnodig!

 

 

 

 

 

zondag, 01 oktober 2017 10:49

Meer dan 'echt gebeurd'...

Geschreven door

Preek gehouden op de 2e zondag van de herfst 1 oktober 2017  (Israëlzondag) in de Grote of Mariakerk n.a.v. Daniël 9 (fragm.) en Lukas 7: 11-16

 

Méér dan ‘echt gebeurd’…

 

Mijn moeder – en zij was niet de enige - vond moederdag maar flauwe kul, want, zei ze: het is iedere dag moederdag. Zoiets zou ik ook wel over de zgn. Israëlzondag kunnen zeggen, want het is iedere zondag Israëlzondag: iedere zondag zijn wij ons ervan bewust, dat wij wortelen in Israël, dat wij van oorsprong Joodse geschriften lezen, als wij het zgn. Oude Testament opslaan, dat wij geboren zijn in de synagoge en dat onze Leidsman van het geloof een Jood is, namelijk die Jezus van Nazareth. Dat moeten wij ons iedere zondag realiseren en al zijn de verhoudingen soms heel gespannen geweest en al heeft de kerk lange tijd gedacht, dat zij in de plaats van Israël was gekomen en dat het joodse volk geen recht van bestaan meer had, die tijd is hopelijk voorgoed voorbij en ook al blijven er verschillen van inzicht en beleving, ten diepste zijn wij allen geroepen door de ene God en Vader en vormen wij samen het volk van God, dat in tweeheid en eigenlijk ook wel in drieheid (de Islam meegerekend) de gehele mensheid vertegenwoordigt en omvat.

Gisteren was het Grote Verzoendag en op die dag wordt het gebed van Daniël gelezen, zoals wij dat ook vanmorgen hoorden: een gebed in de ballingschap, een gebed over de verwoesting van Jeruzalem en haar tempel, een gebed van inkeer en schuldbesef, een gebed dat een beroep doet op Gods barmhartigheid en vergeving, een gebed dat op toekomst hoopt vanuit de dood. Kyrie-eleison, Heer, ontferm U, zo klinkt het vanuit Babel, een roep die nooit verstomt en ook wij hebben ons aangesloten bij die lange rij van verdrukten en ontgoochelden, mensen in den vreemde, opgejaagden en ontheemden en zo is het gebed van Daniël a.h.w. een voorbeeldgebed geworden, een proef-gebed, een proeve van joodse spiritualiteit, die eeuwenlang voorbeeldig en inspirerend is geweest, tot op de dag van vandaag. Je hart luchten, lucht geven aan je hart: Heer, luister naar ons!

Maar al bleef de hemel gesloten en de ballingschap voortduren, de hoop bleef gericht op de levende God, dat er eens een keer zal komen in hun lot of dat zijzelf tot inkeer zouden komen en alles anders zouden gaan zien en beleven… Ja, dat zij zouden opstaan uit de dood en zouden leven!

Daar gaat het eigenlijk steeds weer over in de Bijbelverhalen, over hoop, over toekomst, over leven.

Neem nou dat wonderlijke verhaal over die ontmoeting tussen Jezus en die rouwstoet uit Naïn. Ik denk, dat we wat hier verteld wordt niet al te letterlijk moeten nemen, want dan blijven we met een boel vragen zitten en wordt het een plat verhaal zonder perspectief. Wat zou dat uiteindelijk opleveren? De jongeman zou er hooguit een paar jaar bijgekregen hebben om voor zijn moeder te zorgen, maar uiteindelijk zou hij toch alsnog sterven en dan was hij toch weer even ver van huis als eerst.

Ik denk niet dat dit verhaal bedoeld is om ons in wonderen te doen geloven en dat Jezus ons zou willen aansporen om hetzelfde te leren en te doen. In Amerika schijnen er cursussen ‘dodenopwekking’ te bestaan, maar ik denk dat we het Evangelie dan overvragen en ons vertillen, als we dit soort conclusies gaan trekken uit zo’n prachtig verhaal als wij vanmorgen hebben mogen horen.

Laten we proberen iets verder en dieper te kijken dan ‘echt gebeurd’…

Er komt een rouwstoet vanuit het plaatsje Naïn, een bedroefde moeder achter de baar van haar zoon: hoe verdrietig kan het zijn, hoe hartverscheurend, omdat deze vrouw, die weduwe is, nu zelf kinderloos en brodeloos zal zijn. Ze komen uit Naïn dat ‘aangenaam’ betekent, maar dat ligt nu voorgoed achter hen. Zij zijn de poort uitgegaan, het aangename leven van samenzijn en samenwerken, van nabijheid en liefde, dat ligt nu allemaal achter hen. Zij komen nu buiten de stad, in onaangenaam gebied, de doodsvallei, waar geen leven en toekomst is. Dit droevige tafereel herinnert mij aan de uitdrijving uit de Hof van Eden, het herinnert mij aan de ervaring van de ballingschap, weg uit het eigen huis, de eigen stad en vertoeven in een land en omgeving, waar je de weg niet kent.

Het is een weg, waar alle mensen ervaring mee hebben: dat je op een gegeven moment weg moet uit de vertrouwde omgeving, dat je moet opbreken uit je dagelijks bestaan, omdat je ziek bent geworden, omdat je man is overleden, omdat je je baan verliest, omdat alles ineens anders is dan je dacht – het leven is ineens niet meer aangenaam, het goede en verrukkelijke leven ligt achter je en vóór je zie je alleen maar dorre vlakten van woestijnen en een doodlopende weg ‘in the middle of nowhere’.

Maar nu proberen we nog eens goed te luisteren naar wat het Evangelie ons vertelt: dat Jezus de dode tegemoet komt en de dood een halt toeroept. En dat Hij met ontferming bewogen is en dat Hij aanspoort niet te wenen.

Hij opent ons de ogen voor een andere werkelijkheid of de werkelijkheid anders. Hij komt ons tegemoet voorbij de dood, aan de andere zijde wekt Hij ons tot leven en zo komt ons leven terecht, tot zijn recht. Wat een bevrijdend gericht!

Ik geloof, dat ieder mens oog in oog komt te staan met de Opgestane, Heer over dood en leven. En dat ieder mens in zijn dode oor mag horen: Sta op en leef! Dat zodra wij de ogen sluiten ze zullen opengaan en dat wij zullen opstaan en lachen en juichen en leven.

Dat is niet alleen toekomstmuziek, ook midden in ons huidige leven kan dat zich voordoen, als we zijn weggekropen onder een steen van wanhoop of depressie of wanneer we bewegingsloos alleen maar afwachten de dingen die komen en we het gevoel hebben alle grip te hebben verloren en dat er alleen maar met ons wordt gedaan, wanneer we alle gevoel voor licht en ruimte zijn kwijtgeraakt en alles dor en doods is, dat dan toch onverwachts het water des levens weer kan gaan stromen, dat we toch weer beginnen te lachen, voorzichtig en onwennig en dat we opleven en weer toekomst zien en dat de eeuwigheid oplicht in het NU.

Als we dat beleven – al is het maar even – dan kunnen we wel lachen en juichen en leven!

zondag, 17 september 2017 11:56

Wij en zij?

Geschreven door

Preek gehouden op zondag 17 september 2017 in de Oude Kerk, waarin aftredende ambtsdragers afscheid namen en nieuwe bevestigd werden n.a.v. Jesaja 56: 1-8 en Lucas 17: 11-19

 

Wij en zij?

 

Onlangs was er de uitslag van een onderzoek op TV, waarin werd vastgesteld, dat de Bijbel op veel christelijke scholen steeds minder belangrijk wordt gevonden. Veel kinderen op die scholen hebben geen christelijke achtergrond  meer, in die zin, dat men thuis vertrouwd raakt met bijbelverhalen en rituelen.

Zo heten de scholen nog wel ‘school met den bijbel’, maar men doet er niet veel meer mee.

Dat kun je betreuren en je kunt je hoofd er over schudden en de verslaggeefster stelde daar aan de onderwijzeres ook een bijzondere vraag over: Wat zou God ervan vinden, dat de Bijbel maar zo weinig a/d orde komt op school?

Heel treffend antwoordde de juf, dat zij natuurlijk niet in staat was om weer te geven wat God ergens van vond. Maar zij wilde wel een soort richting aanwijzen, namelijk dat zij hoopte en dacht, dat God er verheugd over was te zien, hoe de kinderen leren om met elkaar om te gaan, ook als ze allemaal een andere religieuze achtergrond hebben, hoe men meer tolerant met elkaar omging en dat dat ook helemaal in de lijn van de Bijbel was!

Over zoiets gaat het ook in de lezingen. De religieuze praktijk groeit vaak in de richting van exclusivisme: er is een groep, die zich uitverkoren acht en men weet precies, wie er bij hoort en wie niet. Misschien was die manier van denken en omgaan met elkaar vroeger sterker dan nu. Vijftig jaar geleden leefde men als kerken volstrekt langs elkaar heen, maar ook politieke partijen en stromingen en omroepen en dagbladen wilden niks van elkaar weten, dus nam men ook geen kennis van elkaar. Het waren allemaal gescheiden werelden, die elkaar wel uitsloten en beoordeelden.

Daar is wel veel in veranderd en dat twee kerken, die elkaar jarenlang niet zagen staan (of zitten) nu in Meppel één gemeente vormt mag wel een Godswonder heten, waarvoor wij ook dankbaar mogen zijn en ook aan moeten blijven werken!

Maar bij iedere kerk en vereniging of club blijft er altijd iets van beslotenheid aanwezig, een idee van ‘wij zijn wij’ en ‘zij zijn zij’.

Vanmorgen openen de lezingen onze ogen en oren, want zowel Jesaja als Jezus hebben niet zoveel op met dat exclusieve en zij doen niet liever dan de grenzen verleggen en die openstellen voor anderen, zodat iedereen er bij kan.

Maar waarom en wanneer zullen anderen ook deel uitmaken van het volk van God? Binnen het joodse geloof, waarvan het Oude Testament getuigenis aflegt, gaat het vooral om een ‘geboren-zijn’ binnen het Joodse volk en als teken van Gods verbond met Abraham moeten de jongetjes ook besneden worden. En die geloofstraditie zet zich via voortplanting door, generatie op generatie. En men moet leven volgens de voorschriften en regels van de Thora.

Maar wat is nu het meest beslissende? Dat je binnen het volk geboren bent? Of dat je besneden bent? Of dat je je bijdrage levert aan de voortgang van de generaties? Of dat je je precies houdt aan de regels en voorschriften van de Thora?

Dan zegt Jesaja: het meest beslissende is, dat je niemand kwaad berokkent, dat je keuzes maakt in overeenstemming met de wil van God. Dat stelt alle andere kenmerken in de schaduw. Iemand, die geen kinderen kan verwekken, zoals met eunuchen het geval is, misschien ook niet besneden kan zijn, die zou buiten Gods verbond vallen? Nee hoor, zij horen er ook bij, want zij gedragen zich, zoals God het wil.

Met diezelfde ruime en open blik treedt Jezus de Samaritanen tegemoet, die doorgaans met de nek werden aangekeken en als tweederangs burgers werden beschouwd, die ook, zo vond men, een heel verkeerd geloof hadden.

Jezus is blij om die mensen te helpen en zo geneest hij tien melaatsen, die al gaande op weg naar de tempel gereinigd worden. Eén van hen keert terug en spreekt zijn blijdschap en dank uit, omdat hij genezen is. Uw geloof heeft u gered, zegt Jezus. Dat is zijn vertrouwen in het woord van Jezus, dat hij fiducie had in wat Jezus zei en met hem voorhad. Die anderen werden ook genezen, maar op hen maakte het niet zoveel indruk. Zij keerden niet om. Hun leven bleef eigenlijk onveranderd, zij bleven onderweg en maakten geen beslissende wending mee. Niemand kan dat ook forceren en we zullen die negen niet met de vinger mogen nawijzen. Want ook zij horen er uiteindelijk bij!

Zo is het ook voor ons een roeping en een uitdaging om een open gemeente te zijn. Waar niemand buiten staat, omdat de grenzen vloeiend en beweeglijk zijn en iedereen erbij hoort en mee doet, er toe doet en in tel is.

 

maandag, 11 september 2017 15:12

Harry Kuitert uit de tijd

Geschreven door

Harry Kuitert uit de tijd

 

Dat las ik vandaag in de krant. Althans, niet zozeer precies dit opschrift, maar wel dat hij onlangs is overleden, op zeer hoge leeftijd. Dan is hij “oet de tied”, zoals Herman Finkers in het Twents zou zeggen.

Maar ik las ook, dat Harry Kuitert’s theologie ‘uit de tijd’ is geraakt, omdat de nieuwe, jongere generatie theologiestudenten hem niet meer kennen. Zij laten zich ook niet meer door hem leiden of inspireren. Kuitert is voor hen iemand van vroeger. Hij stelde andere vragen dan zijzelf doen en in die zin is Harry Kuitert ook ‘uit de tijd’. Kuitert reageerde op de vragen van zijn tijd, van zijn generatie en dan m.n. die van de Gereformeerde Kerken, waarin hij predikant (later hoogleraar aan de VU) was en mee verbonden bleef.

Kuitert had een fijne antenne voor wat er aan de hand was in die kerk en traditie. Hij had een scherp oor voor de vragen, die er begonnen te ontstaan in een wereld, die eens zo stevig gefundeerd leek op Schrift en belijdenis, maar die steeds meer scheuren begon te vertonen en Kuitert deed er graag een schepje bovenop. Door sommigen werd hij daarom verguisd, door anderen juist vereerd. Hij heeft een proces van onttakeling begeleid met zijn scherpe pen en dito geest, maar hij heeft dat proces niet veroorzaakt, zoals sommigen meenden. Hij kon beschouwd worden als een katalysator, een ‘uitpeller’ van een geloofstraditie. Wat echter voor de één beangstigend was, was voor de ander bevrijdend.

Ik weet zelf nog heel goed, dat begin jaren 90 zijn “Het algemeen betwijfeld christelijk geloof” verscheen. In Leeuwarden heb ik hem er toen ook een keer over horen spreken en hoe fel de reacties van sommigen toen waren. Hij tornde aan zekerheden en vaste waarheden sneuvelden waar je bij stond.

Beroemd en berucht werd zijn uitspraak “Al het spreken over boven komt van beneden”. Daarmee bracht hij heel kort door de bocht op formule, dat alle theologie mensenwerk is. Hij nam hierin stelling tegen een in de gereformeerde traditie lange tijd overheersende “openbaringstheologie”, die stelde dat al ons spreken over God allereerst bij Hem begon en dat die kennis ons van Boven werd aangereikt.

Ik heb – eerlijk gezegd - moeite met beide standpunten. Ik vind ze allebei te rigoureus en te pedant. Bij Kuitert verdwijnt ieder besef van transcendentie en wordt geloof in God gereduceerd tot een zelf bedachte ‘act’. In de fundamentalistische openbaringstheologie blijft er weer veel te weinig ruimte over voor mijn eigen rol als ontvanger en dreigt het gevaar van iets te moeten slikken, iets te moeten accepteren waarvan men geen idee heeft. Autoriteitsgeloof kun je dat noemen.

Ik denk, dat ons spreken over God natuurlijk begint bij onszelf en bij onze verwondering over het bestaan. Ik moet daar ook begrippen voor gebruiken, die voorkomen in de menselijke taal. Dat zou ook niet anders kunnen. Maar ik kan over ‘God’ alleen maar in symbolische taal spreken, taal die verwijst naar een ‘hogere’ laag of naar de grond van het bestaan, in taal, die mijn hart opent voor het Ultieme, het Onkenbare, het Heilige.

Natuurlijk moet ik om het Hogere aan te duiden woorden en symbolen gebruiken, ontleend aan mijn omgeving en leefwereld, maar daarmee is niet gezegd, dat datgene waarnaar ik verwijs ook deel uitmaakt van of opkomt uit mijn denk- en leefwereld. Al komt mijn spreken over boven inderdaad voort van beneden, dat betekent niet dat mijn spreken over boven leeg en zinloos is.

Die suggestie heeft Kuitert met zijn uitspraak wel gewekt en dat heeft voor veel verwarring gezorgd. Als kritiek op al te zelfverzekerde en autoritaire uitspraken over God deed zijn uitspraak dienst als noodzakelijke correctie, maar op zichzelf staande lijkt mij zijn uitspraak ook zeer aanvechtbaar, zoals hierboven aangetoond.

Harry Kuitert was een heel rationalistisch denkend theoloog, die m.i. (in alle bescheidenheid)  te weinig oog had voor waar de woorden naar verwezen en verwijzen. Hij zong nog graag de Psalmen en het ontroerde hem te zingen “God die helpt in nood, is in Sion groot”. Kuitert erkent wel, dat het helpt om zo’n tekst te zingen als je in de piepzak zit, maar vervolgt dan dat God natuurlijk helemaal niet helpt in nood. In zekere zin heeft Kuitert hierin wel gelijk, als hij bedoelt, dat je na het zingen van zo’n lied je meteen van al je problemen af zou zijn of wanneer je verwacht, dat God op een wonderbaarlijke manier jou ineens van je ziekte geneest. Als volwassen gelovige moet je inderdaad loskomen van je geloof in een thaumaturgische God, maar daarom is het nog niet nodig om de hulp van God – op welke wijze dan ook – volstrekt te ontkennen. Misschien helpt Hij jou door je die regel te binnen te brengen. Ik denk, dat Kuitert ervaren heeft, dat het geloof steeds kaler is geworden, minder spectaculair, meer iets van jezelf, minder verheven en alledaagser. Misschien doet het zich wel aan je voor ‘onder de schijn van het tegendeel’, zodat je wel met die verwarde vader kunt roepen: ‘Ik geloof (o ja, nee toch?), kom mijn ongeloof te hulp!’

Je kunt een ui (je geloof en je traditie) uitpellen, zoals je een ui schilt (een vergelijking die vaak op Kuitert’s theologiseren van toepassing werd geacht) en, zo zei men dan, uiteindelijk houd je niks over. Toch wel, zou ik zeggen: ook het laatste snippertje is 'ui' en ook de geur aan je vingers en ook de tranen in je ogen: ze horen er allemaal bij!

 

zondag, 10 september 2017 11:25

Zacheus verdreven uit zijn belastingparadijs

Geschreven door

Preek gehouden op de startzondag van 10 september 2017 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Lukas 19: 1-10

 

Zacheüs verdreven uit zijn belastingparadijs

 

Het verhaal van Zacheüs is eigenlijk een heel grappig verhaal. En ook een serieus verhaal en dat gaat heel goed samen.

Zo zag ik bijv. een heel grappige tekening van Zacheüs in de boom: hij hangt als een aapje aan een tak te bungelen en zijn tas met belastingpapieren, vorderingen en geïnde kwitanties hangt losjes over zijn schouder. De boom is helemaal kaal, geen vijgenblad om achter weg te kruipen: iedereen kan hem zien hangen in die boom. Haha, moet je die Zacheüs daar zien! Nee, Zacheüs, jij kunt je niet verstoppen, want overal word jij gespot en gezien, al ben je nog zo klein. Want iedereen kent jou en iedereen háát jou!

Waarom dan? Wel, “Zak-cheüs” was zijn naam voluit, maar de meeste mensen beperkten het uitspreken van zijn naam tot de eerste drie letters. Daarmee typeerden zij hem zoals hij was: een zakkengraaier en een zakkenvuller: graaien in andermans zakken en het vullen van zijn eigen zak, dat was zijn beroep. Daarom noemden de meeste mensen hem kortweg ‘zak’!

Hoe was dat zo gekomen dan? Nou, heel simpel eigenlijk: de Romeinen maakten de dienst uit in het land van belofte en die wilden natuurlijk belasting innen. De bezetting van het land moest wel betaald worden en dat moesten de mensen zelf opbrengen. Zo gaat dat altijd. Maar de Romeinen vonden het teveel werk om iedereen netjes een belastingaanslag te sturen, waar mensen dan de rente van hun hypotheek in mindering konden brengen en ook reiskosten voor hun werk enzo. Nee, ze zeiden: Jericho is een welvarende stad met veel in- en uitgaand verkeer, zo’n stad moet wel 500,000 euro per jaar kunnen opleveren aan de staatskas. Wie wil dat even voorschieten? En toen kwam Zacheüs om de hoek kijken en hij zei: Ja, dat wil ik wel. En zodra hij dat aan de Romeinse overheid betaald had, toen begon voor hem het grote graaien en afpersen. Hij verzon allerlei listen en trucs om de mensen geld afhandig te maken. Hij zette overal mannetjes in hokjes neer en slagbomen en borden met de tekst “eerst betalen, dan doorrijden” en zo haalde Zacheüs in een jaar tijd een veelvoud van die 500,000 euro op: het ene jaar ging het beter dan het andere jaar, maar gemiddeld zat hij op de 2 miljoen. Kassa! Zaken zijn zaken!!

Maar vanmorgen zien we deze Zacheüs met zijn aktentasje in de boom bungelen als een aapje. Wat is er met hem aan de hand?

Wel, hij had opgevangen, dat Jezus langskwam, die man uit Nazareth, die zo gewoon was, dat hij bijzonder was, die de mensen nam zoals ze waren. Die wilde hij wel eens zien. Maar wat moet je als je zo klein van stuk bent als Zacheüs? Dan kun je altijd nog de boom in…en dat is precies, wat hij doet.

Hij wilde ongezien en een beetje op afstand iets van Jezus opvangen.

Vandaag is het ‘kerkproeverij’ en dat lijkt er ook een beetje op. Mensen kunnen vandaag onopvallend en zonder dat ze meteen aan hun jasje getrokken worden, proeven, de sfeer proeven. Smaakt het verhaal van het Evangelie naar méér of is het iets, waar je al gauw de buik van vol hebt?

Laat het a.u.b. weten, want misschien moet de receptuur wat aangepast worden. Ik weet niet of u wel eens kijkt naar ‘Heel Holland bakt’? Daar zijn amateurbakkers en -baksters druk bezig om iets lekkers te bakken, maar het mislukt ook wel eens: het baksel is verbrand of klef of het ziet er niet uit of het smaakt nergens naar. Misschien is dat met de kerk ook wel zo. Zij doet wel haar uiterste best om met iets goeds voor de dag te komen, maar misschien vindt u het toch wat teleurstellend, …de kerk bakt er eigenlijk niks van?!

Hoe dan ook, Zacheüs is eigenlijk ook zo’n ‘proever’ en hij zat al wat te wikken en te wegen, te menen en te beoordelen. Maar opeens wordt alles anders.

Als daar Iemand langs komt, die hem ziet. Naar hem op-ziet, omhoog kijkt – niet op hem neerkijkt – hem a.h.w. tegen de blauwe hemel ziet afgetekend, hem ziet als mens, niet als  ‘Zak’ de zakkenvuller, maar als ‘Zacheüs’, de mens.

Kom maar tevoorschijn, Mens, je hoeft je niet te verstoppen, ik weet allang wie je bent: Kind van God!

Zoiets moet Zacheüs hebben opgevangen uit de blik en de stem van Jezus, die tegen hem zegt: Kom maar naar beneden, ik heb jou allang gezien en ik wil vandaag bij jou op visite komen. Ja, daar sta ik op. Dat wil ik graag. Dat moet gewoon!

Zacheüs klautert naar beneden – z’n tas met belangrijke papieren blijft aan een tak hangen – laat maar hangen, zei ‘ie nog bijna onverstaanbaar – en gastvrij nodigt hij Jezus in zijn huis. De mensen spraken er schande van…wie gaat nu bij zo’n collaborateur op de koffie en misschien zelfs wel overnachten? Jezus trapt op de ziel van alle rechtge-aarde inwoners van Jericho. Hij lijkt wel gek.

Dat klopt. Jezus en de volgelingen van Jezus zijn een beetje gek of ze worden in ieder geval voor gek versleten. Zij doen ongehoorde en onverwachte dingen. Niet normaal wat Jezus hier doet. Hij stapt met uitgestoken hand de villa van Zacheüs binnen…en misschien zouden we verwachten, dat hij nu een preek gaat afsteken tegen Zacheüs, zo in de trant van: jij bent toch wel een enorme ‘zak’, Zak-cheüs – zo word je door iedereen genoemd, terecht, en dat weet je toch wel, neem ik aan? en weet je wel, wat je de mensen aandoet en denk je nou echt, dat je zo in de hemel komt?

Nee, helemaal niet. Het enige wat Jezus doet is hem omhelzen. Ik zag ergens een fraai schilderij, waar Jezus de kleine Zacheüs, die niet verder komt dan zijn middel, omhelst (ik zal vanmiddag beide afbeeldingen, waarover ik het vanmorgen heb gehad, op mijn website zetten).

Het is deze omhelzing, dit gezien en bemind worden, dat Zacheüs raakt en verandert. Hij laat iemand snel zijn tas met paperassen uit de boom halen en hij pakt een rijtje ordners met vorderingen uit zijn kast en hij begint ze stuk voor stuk door midden te scheuren of de bedragen, die hij te goed heeft door te krassen. Zacheüs is helemaal blij. Hij is een ander mens geworden. Al dat geld, dat hij opgepot heeft zal hem een worst zijn – hij heeft ineens doorzien, dat hij mensen benadeeld heeft en nu wil hij hun weldoen. Hij wil het allemaal goed maken, ook al kost het hem een vermogen en ook al zullen de Romeinse autoriteiten nooit meer zaken met hem doen.

Maar het interesseert hem allemaal geen lor meer. Dat zo’n vreemde, onverwachte en ook grappige en komische ontmoeting zoveel kon teweeg brengen, dat had hij nooit kunnen denken of dromen. En toen al die kwitanties en vorderingen daar verscheurd op de grond lagen, toen hebben ze daar ook allebei kostelijk om gelachen.

Ja, Zacheüs, zei Jezus toen nog, jij hoort er ook bij, je bent ook echt een kind van Abraham. Je bent gered uit de klauwen van de Mammon en nu ben je echt helemaal wie je bent.

En als mensen later aan Zacheüs vroegen, hoe dat toch zo was gekomen, dan vertelde hij altijd met een glimlach om zijn mond het verhaal van de boom en de aktentas en die vreemde ontmoeting met Jezus, die hem gezien had en onverwacht was hij opnieuw geboren en getogen. Hij had de liefde van God geproefd en dat had hem veranderd.

 

 

zondag, 27 augustus 2017 09:51

Aan Tafel...!

Geschreven door

Preek gehouden op zondag 27 augustus 2017 in de Oude Kerk te Meppel in een dienst van Woord en Tafel n.a.v. Daniël 3: 34 ev (gebed van Azarja/apocrief) en Lukas 18: 9-14

 

Inleiding op de 1e lezing:

Wij volgen dit jaar tot 31 okt. het lutherse leesrooster, zoals u weet, en vandaag komt één van de lezingen uit de zgn. apocriefen. Dat zijn boeken, die niet in de canon van de Hebr. Bijbel (het OT) zijn opgenomen, maar het zijn Griekse toevoegingen, die ontstaan zijn in de tijd tussen het O en NT. Zo ook de lezing van vanmorgen, een kleine toevoeging aan het boek Daniël: het betreft het gebed van Azarja, een van de drie vrienden van Daniel, die in de vurige oven terecht waren gekomen, omdat ze het beeld niet wilden aanbidden.

Het is een in later tijd gecomponeerd gebed, dat a.h.w. met terugwerkende kracht Azarja in de mond wordt gelegd. Het is een gebed, dat inhoudelijk lijkt op het gebed van de tollenaar, in de gelijkenis die vanmorgen ook gelezen wordt. Een grote mate van schuldbewustzijn, een zich willen vernederen voor God, in de hoop, dat Hij ons opricht.

Luther kende de apocriefe boeken niet zoveel waarde toe, maar hij nam ze toch op in zijn bijbelvertaling, als een soort intermezzo tussen het O en NT.

Ik lees nu een paar fragmenten uit het gebed van Azarja (zijn naam betekent: de HEER is mijn helper).

 

Aan Tafel…!

 

 

Over het Avondmaal bestaan heel veel verschillende opvattingen. En als je een rondreis langs verschillende kerken in ons land zou maken dan zou je ook heel wat verschillende soorten vieringen kunnen meemaken.

In de meeste protestantse kerken wordt het Avondmaal maar een paar keer per jaar gevierd, terwijl het in de rooms-katholieke kerk wekelijks gebeurt. Het is een onmisbaar moment in de viering en tevens hoogtepunt ervan.

Wat daarbij opvalt is de centrale rol van de priester, die niet gemist kan worden  voor de wijding van de elementen. Hij moet een nauwkeurig vastgesteld ritueel opvoeren, waarbij het lichaam van Christus present gesteld wordt, zodra de ouwel omhoog geheven wordt en getoond wordt en gezegd wordt: dit is het lichaam van Christus en tegelijkertijd een knieval wordt gedaan en een belletje klinkt.

Er heerst een sfeer van mystiek en magie omheen. Hoc est corpus (dis is mijn lichaam) klinkt al gauw als ‘hocus pocus’ en zo komt de Maaltijd van de Heer in een sfeer van afstand en vreemdheid terecht, die voor protestanten niet te volgen is.

Het protestantisme – wij gedenken het 500 jarig bestaan ervan dit jaar – heeft van begin af aan een andere kijk op het Avondmaal naar voren gebracht. Men probeerde weer terug te gaan naar het oorspronkelijke begin, de maaltijd en maaltijden, die Jezus met zijn leerlingen hield, veel gewoner en nuchterder en meer oog voor de symbolische betekenis ervan, zonder magie en hocus pocus.

Maar binnen het protestantisme verschoof gaandeweg de aandacht steeds meer naar de deelnemer, naar degene, die het brood en de wijn ontving. Men geloofde niet meer dat brood en wijn veranderden in het lichaam en bloed van Christus, maar was het niet noodzakelijk, dat de mens, die deze elementen ontving zou veranderen? Moest de ontvanger niet zelf veranderen, veranderd zijn en zich onderscheiden van anderen?

In sommige kerkgemeenschappen kun je het dan meemaken, dat wanneer het Avondmaal aangericht wordt, er maar enkelen uit de gemeente naar voren schuifelen om aan de tafel aan te zitten. Dat zijn de mensen, die veranderd zijn, die het waard zijn om brood en wijn te ontvangen. Zij zijn de ware gelovigen en de rest mag toekijken.

Dan is het Avondmaal wel heel exclusief gemaakt en dan mogen we ons wel afvragen wat er overgebleven is van de brede gebaren, waarmee Jezus het brood uitdeelde en van de gulheid, waarmee hij al zijn leerlingen tegemoet trad aan de Tafel.

Het naar-binnen-kijken of men wel een waardige deelnemer aan de Tafel van de Heer zal zijn is in veel kerken nog altijd een belangrijke voorwaarde om deel te kunnen nemen aan de viering. Heb je jezelf wel kritisch onderzocht en denk je dat je goed genoeg bent om deel te nemen? Of nog erger: vinden anderen jou goed genoeg om deel te nemen aan de Tafel van de Heer? Er zijn kerken en kerkelijke groeperingen, waarin men zichzelf onderwerpt aan de geestelijke keurmeesters, die kunnen vaststellen of jouw geloof wel echt en waarachtig genoeg is om deel te nemen. Soms zal men zeggen: nee, ga nog maar niet aan de Tafel van de Heer, want misschien eet of drink jij je dan wel een oordeel… En zodra die geest en mentaliteit in een gemeente gaan heersen dan ontstaat er een hoogspanningshek om de Tafel, een schrikdraad van angst en schroom gespannen rond schaal en beker. Niemand durft meer: men is bang zich te vergrijpen aan het heilige, zoals die man, die zijn hand uitstak naar de ark van het verbond en ter plekke neerviel…

Natuurlijk kan en moet het anders. Laat het vooral een viering zijn, waarin beseft wordt, dat Jezus zelf de Gastheer is. Hij sluit niemand buiten en zoekt het verlorene op om ook die binnen te brengen. Er zijn geen voorwaarden vooraf: komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal jullie rust geven!

Misschien is het wel mogelijk onszelf uit te sluiten of buiten spel te zetten. Wanneer wij bijv. arrogant en zelfverzekerd de Tafel naderen en vol overmoed uitroepen: dit is voor mij, dit is voor ons en niet voor anderen. Niet voor die tollenaars en andere buitenbeentjes, die geen geloof tonen en zich buiten de gemeenschap ophouden. Nee, het is alleen voor ons…

Dan wil Jezus graag een appeltje met ons schillen en vertelt hij ons graag nog eens die gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar. De eerste dacht, dat hij het goed voor elkaar had en dat hij als kind aan huis in Gods huis overal recht op had, terwijl de ander schoorvoetend en aarzelend het ergste vreesde. Jezus zegt uiteindelijk, dat God de rollen omdraait. Niet één keer, maar telkens weer.

Als het brood en de wijn rondgaan en ook wijzelf een rondgang maken dan zullen wij ons bewust zijn van de genade, die ons geschonken wordt. Dat wij leven van wat ons in-geschonken wordt en dat de Gastheer ons zo tegemoet komt en ons leven opheft en ons bereid maakt te delen met elkaar.

Het Avondmaal slingert ons liefdevol uit ons eigen middelpunt en we worden deelgenoot van een groter geheel – zo zelfs, dat we het Avondmaal kunnen beleven als een voorproefje van het Koninkrijk Gods en dat we daarom zelfs iedere maaltijd mogen beleven als een Maaltijd van de Heer. Want voortaan is niets meer onrein of onheilig, brood en wijn, aarde en lucht, lichaam en ziel, alles is geheiligd en draagt de sporen van de liefde van God.

Daarom kunnen we alleen maar verwonderd en dankbaar deelnemen aan de Maaltijd van de Heer.

 

maandag, 21 augustus 2017 14:34

Een robuuste kerk

Geschreven door

Een robuuste kerk*

 

In de loop der eeuwen heeft de kerk – als instituut – zich op meerdere manieren gepresenteerd. Dat werd en wordt voor een deel bepaald door de wijze waarop men het Evangelie verstond, voor een ander deel door de situatie en de omstandigheden, waarin de kerk zich bevond. Tussen die twee ‘gegevens’ bestaat altijd een wisselwerking en een spanning. Soms is de kerk een duidelijk ‘tegenover’ t.o.v. de omringende cultuur, soms laat de kerk zich overrompelen door de omstandigheden en verliest zij veel van haar eigenheid.

Deze tijd van krimp en numerieke teruggang spoort ons aan eens kritisch naar onszelf te kijken en te overwegen hoe wij ons als kerk verhouden tot de ‘Umwelt’, waar wij natuurlijk ook zelf deel van uitmaken. Maar zijn we ons daarvan voldoende bewust en in hoeverre laten wij ons door het Evangelie leiden in onze houding daartegenover?

Als ik ‘een robuuste kerk’ boven dit stukje zet dan is dat een korte en krachtige samenvatting van hoe ik denk, dat de kerk er zou moeten uitzien in deze tijd.

Maar laat ik eerst kort schetsen, waar wij vandaan komen en in welke gestalten de kerk zich tot nu toe heeft voorgedaan.

We hebben een tijd gehad, dat de kerk een nationale gestalte had: de ‘gereformeerde kerk’ in de periode van de Republiek (1588-1795), daarna  gecontinueerd in Hervormde Kerk in de 19e en een groot deel van de 20e eeuw. Men was een goed burger, wanneer men bij de kerk behoorde. Bij de kerk horen was geen keuze. Niet bij de kerk (willen) horen was een keuze!

Dan is de kerk ook een lange tijd een verenigingskerk geweest: de kerk in haar verzuilde gedaante. Gelijkgezinden en -gestemden vonden elkaar in de eigen kerk. De statuten en regels waren bekend en men diende er zich aan te houden, anders werd men geroyeerd als lid. De veelheid van kerken is daar nog een afspiegeling en restant van.

Daaruit en daarbinnen ontwikkelde zich de familiale kerk: de kerk was de kerk van opa en oma, van vader en moeder en daar hoorde jij dan ook vanzelfsprekend bij. Geloof was een soort erfstuk van de familie geworden. Men schoof met het hele gezin de kerkbank in. Tot halverwege de jaren 60 van de vorige eeuw was dat een gangbaar beeld: “toen was geloof heel gewoon”. Ook die tijd is voorbij.

Van alle gestalten heeft de huidige kerk nog e.e.a. overgehouden en daarom zou ik de tegenwoordige kerk een rest(anten)kerk willen noemen. Mogelijk en hopelijk ontstaat er vanuit deze rest-situatie een nieuwe kerk, waarbij we zorgvuldig moeten omgaan met wat er (nog) is en anderzijds ook de moed moeten hebben om de kerk te ‘re-shapen’ tot een robuuste kerk.

Dat is niet een kerk met macht en aanzien, dat is niet een kerk, die precies vaststelt hoe het zit (geen leerstellige, dogmatische kerk), dat is niet een kerk, waar het alleen maar gezellig is en een ons-kent-ons-sfeertje heerst. Nee, een robuuste kerk is een ‘rondborstige’ kerk, stoer en soft tegelijk, een kerk, die de navolging van Christus serieus neemt en die zich onderscheidt van alles en iedereen, kortom een kerk, die een verschil maakt, kritisch is en oprecht begaan met ‘underdogs’ en de handen uit de mouwen steekt. Een kerk, die er niet alleen op zondag is, maar juist door de week laat zien, Wie haar inspireert.

 

  • De titel van dit stukje heb ik ontleend aan het boek van Stanley Hauerwas “Een robuuste kerk. De christelijke gemeente in een postchristelijke samenleving”.

 

zondag, 20 augustus 2017 09:57

Ergens bij horen

Geschreven door

Preek gehouden op zondag 20 augustus 2017 in de Grote of Mariakerk, waarin Maik Jarick Agterhuis werd gedoopt n.a.v. de lezingen Jeremia 23: 16-29 en Lucas 19: 41-48

 

Ergens bij horen

 

Vandaag zijn we samen met de ouders en de familie van Maik blij vanwege zijn doop: dat ook zijn naam verbonden is met de Naam van de drie-enige God. We hebben zichtbaar gemaakt, dat die twee bij elkaar horen. Waar kun je beter bij horen dan bij God?

Iedereen wil altijd graag ergens bij horen. Dat kan zijn bij een politieke partij of stroming, bij een voetbalclub: ik ben van Feyenoord, of van Ajax, of PSV of FC Meppel etc., Of je hoort bij een kerk of juist niet bij een kerk. Of je hoort bij een groep mensen, die de macht hebben of je hoort bij de zwijgende meerderheid. Iedereen wil altijd graag ergens bij horen: dan voel je je verbonden, dan sta je niet alleen en dan voel je je ook meetellen. En hoe groter de groep, hoe belangrijker men het ‘erbij horen’ vindt. Jonge mensen gaan graag naar festivals, waar men met duizenden naar muziek luistert en samen springt en danst – iedereen vindt dan diezelfde muziek mooi en iedereen danst op dezelfde muziek en dat geeft een kick. Op een ander festival voelt men zich niet zo thuis, want dat is weer andere muziek. En zo horen mensen uiteindelijk bij een deelgroep. Maar bestaat er ook iets, waar we allemaal bij horen?

Hoor je bij een heel kleine groep van gelijkgestemden of hoor je vooral bij een heel grote groep van misschien allemaal verschillende mensen, maar waar één idee of ideaal je samenbindt?

Je kunt zeggen: ik voel me vooral Nederlander en verbonden met die nationaliteit. Maar je kunt het nog verder uitbreiden en zeggen: Ik voel me vooral ook Europeaan en deelgenoot van de westerse cultuur. Maar je kunt nog verder denken en zeggen: uiteindelijk voel ik me vooral wereldburger, omdat ik net als iedereen op deze wereld mens ben. Ik voel me verbonden met alle mensen: wij zijn allemaal hetzelfde, van gelijke waarde. Maar is dat het eindpunt of is er nog iets groters dan de mensheid? Kun je die gedachte nog verder overstijgen? Ik denk, dat we dan beginnen over ‘God’ te stamelen en te zeggen: ja, uiteindelijk zijn al die mensen schepselen van God en zo komen we op een hoogste idee, waarboven niets gedacht kan worden en die alles omvat. En nu krijgen we hier te horen, dat we juist aan God  onze identiteit ontlenen. God is het hoogste goed.

Je hoort natuurlijk bij je familie, je stad, je land, je continent, je wereld, maar bovenal, oorspronkelijk èn uiteindelijk bij God. Als je familie het belangrijkste voor je wordt brengt God je te binnen: kijk eens naar Abraham, tegen wie gezegd werd: Trek weg, ga op weg en verlaat je vader en moeder, je clan en je land en Ik zal je het land tonen van de toekomst.

Als je stad of je land het belangrijkste voor je wordt dan zegt God tegen je: verlaat je stad en ga op weg naar de stad die fundamenten heeft, de eeuwige stad, de stad van vrede en recht. Zoals ook Jezus liet zien, in navolging van de profeet Jeremia, toen hij de tempeldienst waarnam en zag, dat men er een handeltje van gemaakt had. Niet God was meer het hoogste goed, maar de rituelen en het handjeklap. De religie was gecommercialiseerd, er was een winstgevende economie van gemaakt: geef jij wat geld dan zal God je belonen; of: wij zorgen dat alles op rolletjes loopt dan zal je geloof toenemen en jij zult succesvol worden.

Dan gaat het in de kerk en de religie niet meer om God, het hoogste goed, maar om de buitenkant en om de soepele organisatie. Jeremia doorzag dat in zijn tijd en Jezus prikte daar doorheen, toen hij zag hoe de tempeldienst functioneerde.

Beiden zijn vervuld van heilige woede, omdat zij zien, dat het mindere belangrijker wordt gevonden dan het hoogste. Om te huilen is het! En beiden worden door de mensen niet begrepen, want die denken, dat zij heiligschennis plegen. Jezus schopt tegen het heilige huis aan, zeggen ze, en daar zal hij voor boeten. En Jeremia is ook al zo’n onruststoker, die onze zelfgenoegzame rust verstoort en ons kerkelijk bedrijf in de war stuurt. Met hem zal het ook niet goed aflopen, dat zul je zien!

Maar ze hebben niet door, dat het hun beiden om het heilige, het hoogste,  gaat. Zij breken af – niet uit negativiteit en om het afbreken op zich -,maar om het zicht op God weer mogelijk te maken. Zij hebben maar één missie en dat is: de mensen bij God brengen. En dat blijkt dan een pijnlijk proces te zijn en vaak moeten dan eerst allerlei heilige huisjes omver en alles wat je nu belangrijk vindt moet je leren relativeren en op de 2e of 3e plaats gaan zetten, zoals Jezus in samenvatting zei: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en al die andere dingen vallen dan vanzelf op hun plaats. En ook je familie, je land, je baan en je club, je kerk komen in het juiste licht te staan! Zoals die vrouw, die mode- en koopverslaafd was en toen zij het licht van Gods goedheid over haar leven gezien had, bleef zij nog steeds dol op mode en kleding kopen, maar nu anders: zij wèrd er niet meer door beheerst, maar zij had het zèlf ‘in control’ gekregen!

De doop van een kind en twee tegendraadse lezingen brengen ons precies dat verschil te binnen!

donderdag, 03 augustus 2017 11:41

Toen was geloof heel gewoon

Geschreven door

Toen was geloof heel gewoon

 

Andries Knevel probeert in zijn nieuwe serie met bovengenoemde titel terug te blikken op 50 jaar Evangelische Omroep en de leegloop en de leegstand van de kerk(en) te duiden. Ik heb de vooraankondiging bij Jinek èn de eerste aflevering gezien en veel van wat daar ter sprake kwam houdt veel mensen bezig, ook in onze gemeente: hoe kan het toch, dat een halve eeuw geleden de kerken in ons land nog vol zaten en nu (doorgaans) niet meer? En: wat gebeurt er met al die overtollige kerkgebouwen?

In de eerste aflevering was te zien, hoe de ene kerk was omgetoverd in een appartementencomplex en de andere  een speel- en snoephal voor kinderen was geworden. Weer een andere kerk stond op de nominatie om gesloten te worden en een gemeentelid was daar erg verdrietig over, omdat zij haar ziel en zaligheid verbonden had aan dit kerkgebouw: hier was zij gedoopt en verzorgde zij wekelijks de bloemen en ook had zij graag vanuit deze kerk uitgedragen willen worden, maar dat ging hoogstwaarschijnlijk niet gebeuren…

Herman Pleij mocht langskomen om te verklaren, waarom en hoe het zo gekomen was, dat zovelen de kerk de rug hadden toegekeerd. Volgens hem kwam dat door de toename van kennis en de vergroting van het besef van zelfvertrouwen en zelfstandigheid. Men liet zich niet meer de wet voorschrijven door een gezagsinstantie als de kerk. De toename van kennis en wetenschap had het geloofsverhaal ondermijnd en men hechtte er dus geen geloof meer aan.

Ik vond die analyse nogal kort door de bocht, eerlijk gezegd. De kerk was autoritair en dom en de mensen werden wijzer en kregen meer zelfvertrouwen: voilà het gebeuren verklaard! Dat is altijd weer het de kop opstekende vooroordeel van kerkverlaters en quasi-atheïsten, die denken, dat zij zelf zo slim zijn en de mensen in de kerk zo dom. In het gesprek van de eerste aflevering van Zomergasten kwam diezelfde riedel langs, waartegen de geïnterviewde (Rosanne Herzberger) zich teweer stelde door vast te stellen, dat voor haarzelf er geen enkele tegenstelling bestond tussen haar geloof en haar wetenschappelijke arbeid. En zij kende vele collega’s, die er precies zo over dachten.

Maar het punt, dat ik vooral miste was, dat de analyse van Pleij voorbijging aan de vraag of de kerk in die periode wel vorm had gegeven aan haar eigenlijke en oorspronkelijke roeping. In hoeverre vertolkte die autoritaire gezagsverhoudingen de bedoeling van het Evangelie en had de kerk de Bijbel niet overvraagd, toen zij die als bron van (alle) kennis gebruikte?

Kortom, zou het niet nodig zijn de blik kritisch te richten op de kerk van toen – niet vanuit rationalistische arrogantie, maar vanuit het Evangelie zelf – in plaats van de kerk van voorbij kritiekloos als norm voor nu te beschouwen? Anders ontstaat een soort ongefundeerd heimwee naar vroeger, waar het programma inderdaad van overliep.

Vraag je allereerst eens af, of het wel zo’n zegen was, dat het geloof heel gewoon was. Misschien was het geloof wel zó gewoon geworden, dat het niet(s) bijzonder(s) meer was.

Freek de Jonge mag dan als zoon van een dominee ‘buitenkerkelijk’ zijn geworden, zijn opmerkingen over de essentie van het geloof en het kerk-zijn sneden, naar mijn mening, méér hout dan het sentimentele verlangen van Andries naar volle kerken.

 

zondag, 30 juli 2017 14:08

Zeven manden vol

Geschreven door

Preek gehouden op zondag 30 juli 2017 in de Grote of Mariakerk n.a.v Markus 8: 1-9

 

Zeven manden vol

 

Ik wil vanmorgen samen met u proberen te ontdekken wat er nou overblijft van zo’n verhaal. Een verhaal, dat in een paar zinnen verteld is, dat iedereen, die het evangelie een beetje kent, wel kan dromen en dat door de ene rationalist met een korrel zout wordt genomen en door de andere rationalist als een ‘echt gebeurd verhaal’ wordt aangemerkt.

Laten wij onze rol als toeschouwer laten varen en weest deelnemer. Zie jezelf als één van die vierduizend en wees met mij verrast over wat er (van) overblijft. Ik doe dat aan de hand van die zeven manden, die naderhand vol brokstukken zijn opgehaald. Ieder had daar wat hij of zij overhad gedeponeerd en zo staan daar uiteindelijk zeven manden. Ik wil me bij iedere mand afvragen: wat bleef er over? Zit er wat in, in deze mand? Er is bij wijze van spreken voor iedere dag een mand vol, restanten om wat mee te doen. Ik hoop, dat u even met mij wilt meekijken en meetellen. Dat is geen grote opgave, lijkt mij, want u hoeft niet eens tot tien te tellen…

De manden en de inhoud ervan hebben soms wat vreemde namen, maar die kunt u gerust weer vergeten: het gaat om de inhoud.

De 1e mand is de historische of de temporele mand. Ik wil precies weten, wat waar en wanneer gebeurd is. Daar worden wel een paar aanwijzingen gegeven, bijv. dat het in de woestijn is en dat ze al drie dagen met Jezus op pad zijn en dat de mensen honger hebben en dat er niets te eten is. Dat zijn een paar feitelijke gegevens, maar tegelijkertijd zijn het ook typeringen, die verder reiken dan toen en daar. De woestijn is immers het beeld van onze levensweg en levensreis: een weg vol gevaren, met ups en downs, met aanvechtingen en tekorten. Het is ons leven, zoals het er aan toe is, onze strijd om het bestaan, ons gevecht met de elementen, ons zoeken naar zin en verzadiging. En we vinden het niet, ja we zoeken het overal, maar wij vinden niets, wat ons vervult en verzadigt.

Dan wordt zo maar tussendoor een hint gegeven, die uitzicht biedt en dat is die aanduiding ‘na drie dagen’: dat is een keerpunt van dood naar leven, van duisternis naar licht, van gemis naar vervulling. Het is Pasen! In de woestijn van het leven wordt van tijd tot tijd Pasen gevierd, tussen herinnering en verwachting.

De 2e mand noem ik de ‘thaumaturgische’ mand, een mand vol wonderen en magie. Dat is wanneer we ons heil zoeken bij het buitengewone, het bovennatuurlijke, het ongewone, het ongerijmde, het fantastische en alleen op die manier iets van God in ons leven kunnen waarnemen. Jezus was bovenal een Wonderman, een thaumaturg, zoals er in die tijd meer rondliepen. Wonderen moeten altijd iets bewijzen en wonderen moeten ook altijd bewezen worden, maar kort door de bocht gezegd: een wonder bewijst niets en een wonder dat bewezen is is geen wonder meer. Kortom, ik vind die 2e mand een mand vol vraagtekens.

In de 3e mand ligt de vraag verborgen: ‘Wat heb je eigenlijk zelf allemaal in huis?’ Het is de verandering van blikrichting: van ‘we hebben hier in de woestijn niks te eten’ naar ‘hoeveel broden heb je zelf?’ Als zich een probleem voordoet is onze eerste reactie vaak: wat kan ik er aan doen? Ik kan er niks aan doen. Het is mijn probleem niet en er is ook niets aan te doen. Niemand kan er wat aan doen! Dat is vaak kortzichtig en het onderstreept ons gevoel van machteloosheid zo sterk, dat we tot dadenloosheid geraken. Daarom is het zo mooi, dat Jezus ons bepaalt bij wat we wèl hebben en wèl kunnen! Jullie hebben toch wel broden en hoeveel wel niet? ‘Zeven’, zeiden ze. Ze konden wel tellen, maar ze wisten niet wat zij er mee konden. Zij hadden eigenlijk meer dan zij nodig hadden: zij hadden voor alle dagen brood en had Jezus hun niet geleerd genoegen te nemen met het dagelijks brood: iedere dag genoeg?

En zo komen wij als vanzelf bij de 4e mand: de diaconale mand. Dat is de mand van het delen en vermenigvuldigen. Kijk eens wat je allemaal hebt en hoeveel de wereld daarmee geholpen kan worden. Ja, je moet het wel willen delen. Als je het voor jezelf houdt, als je het gaat oppotten en als appeltje voor de dorst angstvallig gaat bewaren dan dient het eigenlijk nergens toe, dan heeft niemand er iets aan. Die 4e mand moet je helemaal omkiepen en uitdelen, wereldwijd met brede gebaren. Komt en eet, wie geen geld heeft, koopt brood en word verzadigd en de prijs is gratis! Economen en rekenmeesters vinden dit natuurlijk de dwaasheid ten top, maar zo zijn de manieren van het Koninkrijk Gods en zalig zijn zij, die nu al daaruit leven: gul en vrijgevig!

De 5e mand noem ik de pastorale mand (heeft in de verte misschien enige verwantschap met de muzikale fruitmand). In deze mand zit een goed gesprek, een opbeurend woord, een zegenend gebaar, een helpende hand, een luisterend oor. Ik merk onderweg, dat mensen het verrijkend vinden als zij hun verhaal kwijt kunnen, hun levensverhaal opnieuw kunnen vertellen en kunnen wegen wat waardevol was en wat minder geslaagd was. En als het Woord in het verhaal ter sprake komt als het Levende Brood, waarvan wij leven en waar wij op teren dan ervaren wij dat als een Godsgeschenk. Nee, dat kun je niet als hapklare brokken uit je binnenzak tevoorschijn halen, maar als een vonk of als een glinstering kan dat Woord soms zomaar oplichten en alles in een ander licht plaatsen.

Het 6e mandje is inderdaad een klein schaaltje: ik noem het het liturgische, eucharistische mandje. Dat is aan de orde, wanneer wij zondag aan zondag met elkaar de verhalen opnieuw beleven door ze a.h.w. na te spelen en na te denken. Vooral als we ook brood en wijn laten rondgaan en met elkaar delen dan vieren wij de aanwezigheid van de opgestane Heer en is Hij in ons midden, zoals Hij ook in ons midden is als Hij tot en met ons spreekt, telkens ook wanneer wij in ons oor horen: neemt en eet, dit is mijn lichaam gebroken voor u. Hij deelt zijn presentie wereldwijd en overal waar het brood wordt gedeeld krijgt zijn Lichaam gestalte en komt iets van vrede en gerechtigheid in zicht. Ja, ja, dat blijven wij doen, totdat Hij komt!

Dat is meteen ook de laatste mand, die daar staat als de bazuinen klinken uit de hoogte links en rechts. De laatste, de zevende mand, de eschatologische mand, de mand waarin alles a.h.w. samenkomt en tot zijn eindbestemming komt. Deze mand zit vol hoop en verwachting. Juist wanneer alles hopeloos en verloren is kruipt de hoop uit deze mand omhoog en verheft haar hart naar boven en gaat op de uitkijk staan. De eeuwen door klinkt vanuit de gemeente en vanuit iedere diepte de roep: tot hoelang, o Heer? Wanneer zal het zijn, dat U alles in allen zult zijn en de tranen van de ogen zullen worden gewist?

Dat waren ze, alle zeven! Misschien bent u inmiddels de inhoud van de verschillende manden alweer vergeten. Dat is niet zo erg. Misschien neemt u een paar kruimels mee naar huis en hebt u daar genoeg aan voor vandaag en morgen. Misschien heb ik u aangespoord om zelf nog eens zorgvuldig na te gaan, wat er nu eigenlijk in zit in dit evangelieverhaal en ontdekt u brokstukken in de manden, die ik niet genoemd of gezien heb. Des te beter, denk ik dan, want de Bijbelverhalen zijn inderdaad onuitputtelijk!