Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Ook plaats ik hier korte inleidingen of publicaties (in het kerkblad), een vertaalde preek van Paul Tillich en andere beschouwingen. U wordt uitgenodigd om ook daarop te reageren.

Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

Blog

Blog (99)

woensdag, 02 november 2016 10:44

Ik ben toch zeker Sinterklaas niet...

Geschreven door

IK BEN TOCH ZEKER SINTERKLAAS NIET...!

 

Geloven ze nog...? is de vraag, die ouders met elkaar bespreken bij de nadering van het Sinterklaasfeest. Als ze nog geloven dan moet er heel omzichtig over Sinterklaas gesproken worden en moet alles in het werk gesteld worden om dat geloof overeind te houden. De kinderen mogen niet merken, dat het pap is die stiekem iets in hun schoen verstopt of dat het eigenlijk de meester van school is, die verkleed als Sinterklaas in de deuropening verschijnt.

Maar er zal toch een dag aanbreken, waarop zij niet meer geloven. Dan is de mythe verbroken. Dan komen ze tot de conclusie, dat zij eigenlijk bedot zijn, dat het niet echt was. Het was een spel.

Geloven ze nog...? Diezelfde vraag doet zich voor bij het geloof in God en de sprong van Sinterklaas naar God is gemakkelijk gemaakt. Hoeveel mensen horen we niet beweren, dat geloof in God net zoiets is als geloven in Sinterklaas? Wie gelooft dat nu nog? Sinterklaas bestaat niet en God bestaat niet...dat ziet toch iedereen wel in?

Toen ik onlangs een gesprek zijdelings bijwoonde over de gewichtige vraag of Sinterklaas bestond of niet en al gauw het overstapje gemaakt werd naar al of niet geloven in God bracht ik naar voren, dat je best in Sinterklaas kon geloven zonder dat je geloofde dat hij bestond.

De oorsprong van het Sinterklaasfeest gaat terug op een vriendelijke bisschop en jaar in jaar uit denken we aan zijn gulheid voor kinderen en dat spelen we zo goed mogelijk na. Natuurlijk is de man bij jou aan de deur een verkleed iemand, maar hij staat daar wel voor iets, voor iemand: hij verbeeldt het karakter en de betekenis van een goedheilig man en hij inspireert tot goedheid voor elkaar en vooral voor kinderen.

Zo geloof ik in Sinterklaas, hoewel ik niet geloof dat hij bestaat. Of dat die man in de straat op dat paard echt Sinterklaas is. Nee, maar hij beeldt hem wel uit. Door de onechte heen zie ik de echte, door de zichtbare word ik verwezen naar de onzichtbare. En de onzichtbare is de enige echte!

Zouden we in dezelfde sfeer over geloof in God kunnen denken en spreken met elkaar, vooral met mensen, die zeggen niet meer in God te geloven? Zij geloven niet meer in de oude man met een baard op een wolk, maar betekent dat dat je niet meer in God kunt geloven? Misschien geloof je wel beter en anders in God als je dat soort beelden juist loslaat. Kom je tot geloof door geloof los te laten... En het was Meister Eckhardt die steevast tot God bad om hem vrij te maken van allerlei hinderende beelden van God, hoewel hij ook besefte dat we niet zonder kunnen, maar God valt nooit samen met de beelden die wij van Hem hebben of maken.

vrijdag, 30 september 2016 20:06

Hoe bid je als je niet in magie gelooft?

Geschreven door

HOE BID JE ALS JE NIET IN MAGIE GELOOFT?

Door Rebecca Todd Peters (op het Progressive Christian Patheos Blog)

 

De Patheos-blogs, waarop ik een abonnement heb, geven vaak verrassende en pastorale adviezen voor mensen, die zijn vastgelopen met traditionele opvattingen en gebruiken. Zo vond ik vandaag dit mooie artikel van Rebecca Todd Peters, dat ik hier in vertaling ter lezing aanbied.

 

Mijn oudere zus kreeg onlangs te horen, dat zij kanker had. Na allerlei onderzoeken en operaties bleek, dat er weinig aan te doen was. Uiteindelijk was zij opgegeven, uitbehandeld. Zij is pas 51 jaar oud. Haar eerste kleinkind was zojuist geboren. Zoveel om voor te leven! Een waar woord voor alle mensen, die te vroeg sterven. Wij hebben de kans ouder te worden dan vele van onze voorouders en daarom verwachten wij ook allemaal te kunnen genieten van onze ‘oude dag’.

Oog in oog met deze diagnose voor haar keek ik ook recht in de ogen van haar sterfelijkheid en uiteindelijk ook die van mijzelf. Dat is niet gemakkelijk. Ik ben mijn leven lang al christin, doe al jaren dienst als presbyteriaans predikant en ik ben beroepshalve ook ethicus. Ik heb een rijk spriritueel leven en verdiep me graag in de Schrift en in theologische teksten en ideeën. Ik heb een sterk rechtvaardigheidsgevoel en eerbied en ontzag voor de wereld, zoals die is en ik erken de aanwezigheid van het heilige in de wereld en in mijn dagelijks bestaan.

Als gezin zeggen we dikwijls dank voor de maaltijd, voor ons eten en voor alle mensen, die meegeholpen hebben dat het op tafel komt. We zeggen dank voor ons gezin en allen die aan tafel zitten en we denken aan hen, die er niet bij kunnen zijn en soms ver weg zijn. En we brengen onze zorgen en moeiten voor Gods aangezicht en vragen aan de Hoogheilige om hulp en leiding en zo proberen wij ons dagelijks leven in geloof te leiden.

Maar kanker is toch een ander verhaal. Op de drempel van onze sterfelijkheid zie ik mijzelf ineens wankelen tussen het simpele geloof van mijn kinderjaren, waarin ik mij een God wens, die haar kan genezen en mijn meer volwassen geloofsperspectief, waarin ik de verwoestende theologische implicaties doorzie van het geloof in een God, die haar zou kunnen genezen, maar er blijkbaar voor kiest haar te laten sterven.

Met het ouder worden ben ik het geloof in de magische God kwijtgeraakt. Als kind waren mijn gebeden altijd gericht tot God om dingen ‘te doen’ voor mij, vroeg ik God de zieken te genezen en de hongerigen te voeden of een einde aan het onrecht te maken. Dat is het je God voorstellen als een Wezen, die op een sprookjes godmoeder lijkt, die de macht heeft om bepaalde wensen van ons in vervulling te laten gaan, als we maar nederig genoeg zijn en ze zo wel verdienen.

Dit soort ‘verstaan’ van God (dit Godsbegrip) schiet op allerlei vlakken ernstig tekort. Als wat ik aan God vraag niet gebeurt volgt daar blijkbaar uit, dat ik het op een of andere manier niet waard ben en dat God ervoor gekozen heeft het mij niet te geven. Of, ik ben het wel waardig, maar God is grillig en besluit eenvoudigweg om mijn wens niet in vervulling te laten gaan. Een andere mogelijkheid is, dat God het te druk heeft om zich bezig te houden met mijn armelijke leven en wensen.

Misschien is nog wel het meest gevaarlijke dit geloof, dat indien ik krijg wat ik wens, dat dat dan een teken is, dat ik een door God gezegende ben. Van de weeromstuit zijn alle anderen, die niet krijgen wat zij vroegen, niet-gezegenden door God.

Dit hele redenerrcircus heb ik ook een keer horen weerleggen, doordat men zei, dat God al onze gebeden beantwoordt, maar dat het antwoord soms ‘Nee’ is. In al deze scenario’s is het beeld van God er één van een goddelijk wezen, dat hoogst veontrustend is. Een grillige God, één die er lievelingetjes op nahoudt, één die kan handelen, maar ervoor kiest dat niet te doen – ik heb het nodig gevonden om al deze Godsbeelden te verwerpen!

En zo sta ik daar samen met mijn zuster te staren in de afgrond...

Ons geloof in haar genezing is in de handen van de dokters en andere genezers, die voor haar zorgen de komende weken en maanden.

Ons geloof in onze familie is, dat we er zullen zijn, bij haar en voor elkaar, als zij de strijd tegen de bierkaai heeft te leveren.

Ons geloof in God houdt in, dat we weten, dat we er niet alleen voor staan, als we de afgrond inkijken. Mijn ervaring met het goddelijke is, dat er een heilige kracht in de wereld is die mijn begrip en macht teboven gaat. God is geen genie, Hij is geen sprookjes-godmoeder. God is geen welwillende vader in de hemel-Heer, die voor ons zorgt.

Ik ga ervoor om bij mijn zus te zijn. Ik zal haar hand vasthouden als ze weer aan de chemo moet. We zullen elkaar verhalen vertellen en we proberen onze angsten te overwinnen. We zullen lachen, huilen, elkaar vasthouden in onze kwetsbaarheid, gebrokenheid en angst. En we zullen niet alleen zijn!

Mijn gebed is, dat God bij ons zal zijn en ons kracht wil geven om voor elkaar tot een zegen te zijn. We zullen bidden om moed om samen onze vrees te boven te komen. Ik zal bidden om genade, dat we van elkaar houden en aardig voor elkaar zullen zijn en hoopvol als zij de uitdaging onder ogen moet zien van genezing en herstel of niet.

maandag, 08 augustus 2016 12:58

Het 'ongeloof' van Arjen Lubach bij "Zomergasten"

Geschreven door

Arjen Lubach, atheïst en/of agnost?

 

Arjen Lubach was te gast bij Zomergasten op zondag 7 augustus. Hij is bekend geworden als schrijver en cabaretier en heeft als TV-programma “Zondag met Lubach”, een satirisch-komisch-kritisch programma, waarin hij gebeurtenissen en nieuwtjes van de week doorneemt.

Interessant werd het toen gevraagd werd naar zijn opvoeding en geloof. Hij vertelde, dat hij in Lutjegast was opgegroeid in een (gewoon) gereformeerd gezin en naar een ‘school met de Bijbel’ was geweest. Thuis werd wel eens uit de Bijbel gelezen en ook ging hij ’s zondags met zijn ouders mee naar de kerk. Allerlei liedteksten kon hij nog zonder moeite reciteren.

Toen hij 12 jaar was overleed zijn moeder en sindsdien (hoewel niet alleen daardoor) begon hij meer en meer afstand te nemen van het geloof in God. Toen hem gevraagd werd hoe hij God dan ‘zag’ kwamen beelden als ‘alziend, almachtig, algoed’ e.d. naar voren, maar dat kon niet zo zijn. De werkelijkheid en de wetenschap weerspraken dat overduidelijk. Het is maar de vraag of er zoiets als een Opperwezen bestaat, aldus Arjen, niemand heeft het ooit kunnen bewijzen. Het is kinderachtig om van ongelovigen te vragen om te bewijzen dat Hij niet bestaat. De bewijslast ligt bij hen, zo stelde hij triomfantelijk vast en daar was nog nooit iets zinnigs van terechtgekomen.

Waarom zou ik in allerlei zelfverzonnen sprookjes moeten geloven, terwijl ons gezonde verstand en de wetenschap voldoende helderheid bieden in hoe de wereld ontstaan is en in elkaar zit? Je kunt wel zeggen, dat er een theepot in het heelal rondvliegt, maar nog nooit is die door iemand waargenomen. Waarom zou ik zoiets geloven? Waarom zou ik dan in God geloven?, aldus Arjen Lubach. Zijn uitgekozen filmfragmenten over Uri Geller en Chopra moesten zijn standpunt nog eens hard maken: er is veel kwakzalverij, bedrog en quasi-wetenschap en daar moeten we ons niet door laten inpakken. Geloven in God is net zoiets als geloven dat je met mentale energie lepels en vorken kunt ombuigen. Allebei flauwekul!

De spirituele guru Chopra probeerde met behulp van de quantum-fysica het bestaan van God aan te tonen of aannemelijk te maken, maar zijn kennis betr. die wetenschapstak was dermate gebrekkig, dat enkele fysici hem de les lazen. Maar wat denk je als gelovige met behulp van dat gebied van kennis te bereiken? zo vroeg ik mij af.

Geloven en weten zijn twee verschillende ‘werelden’, zo wilde Arjen Lubach ook vooral onderstrepen. Weten en wetenschap gaan over harde feiten en bewezen inzichten, terwijl geloven zich bezighoudt met aannames, veronderstellingen, onzekerheden, vage verzinsels. Ook het terrein van de homeopathie behoort tot die categorie, zo liet Arjen weten. En zo werd de wereld heel netjes ingedeeld in vakjes en kwam de werkelijkheid er heel overzichtelijk uit te zien.

Maar Arjen leek mij toch een beetje teveel op iemand, die zijn kruit aan het verschieten is met een geweer, dat geen vizier heeft. Hij doet de bijbelverhalen af als zelfverzonnen sprookjes, zonder zich af te vragen, waarom die ‘sprookjes’ ontstaan zijn en verteld werden (worden) en welke betekenis die ‘sprookjes’ zouden kunnen hebben. Zijn kritiek is even onzinnig als van iemand, die zegt nooit meer een Donald Duck te willen lezen, omdat hij nog nooit eendjes heeft zien of heeft horen praten. Onzin! Weg ermee!!

Ook zijn ‘beeld’ van God is ‘naïef en mythisch’ en heeft als basis, dat we te doen hebben met een ‘bovennatuurlijke grootheid’, die zich echter niet vertoont en waarvan we het bestaan alleen maar kunnen aannemen. Geloven is in de opvatting van Arjen Lubach het voor waar aannemen van onbewijsbare en voor een deel onzinnige dingen.

Al eeuwen lang hebben veel nadenkende gelovigen en theologen erkend, dat we over God niet kunnen spreken als een ‘zijnde’, maar dat Hij de grond van alle zijn is en deze omvat. Paul Tillich vatte dat samen door te zeggen: “God is not a Being, but Being Itself”.

Geloven in God betekent niet zozeer, dat je aanneemt, dat er wel ergens een Hoger Wezen bestaat, helaas onzichtbaar en meestal onmerkbaar. Dat is ‘geloven’ reduceren tot ‘believing’ en Arjen’s kritiek daarop snijdt in zekere zin wel hout. Maar daar gaat het bij ‘geloven’ eigenlijk helemaal niet om. Geloven is niet zozeer aannemen, dat er wel iets is (maar ik weet het niet zeker en ik weet ook niet wat), maar is eerder te omschrijven als ‘gegrepen zijn door de overmacht van het Zijn’. Bij gebrek aan adekwate namen of bewoordingen kies ik daarvoor het woord ‘God’, een woord dat uit de lange religieuze traditie komt en waarin ik a.h.w. geboren en ‘gedoopt’ ben. Dat ‘overweldigd zijn’, dat ‘gegrepen zijn door wat mij ten diepste aangaat’ dat noemen we in de christelijke traditie geloof (faith).

Ook Albert Einstein had zo zijn bedenkingen tegen de mogelijkheid, dat er een persoonlijke God zou bestaan. In zijn optiek was dat een wetenschappelijke onmogelijkheid (net zo’n pretentieuze uitspraak als die van Chopra, maar dan vanuit de andere kant).

Ik citeer nu even wat Paul Tillich hem daarop antwoordde:

 

"The symbol of the Personal God is indispensable for living religion. It is a symbol, not an object, and it never should be interpreted as an object. And it is one symbol besides others indicating that our personal center is grasped by the manifestation of the inaccessible ground and abyss of being".

 

Arjen ontkent dus iets wat in wezen geen onderdeel van het christelijk geloof uitmaakt. Ieder weldenkend christen zou met hem moeten instemmen, dat het in het christelijk geloof niet over 'zo'n God' gaat. Maar als wij het woord ‘God’ in de mond nemen dan willen wij daarmee verwijzen naar het Geheim van ons leven en van de wereld en spreken we ook de hoop uit, dat deze werkelijkheid niet zinloos en betekenisloos is, maar voortgaat in de richting van het Koninkrijk. Op hoop tegen hoop! (naar Hoping against Hope van John D. Caputo). ‘God’ staat altijd in de vocatief (het is een ‘aanroep’!) en nooit in de ‘accusatief’, waarover je kunt redeneren zodat je God kunt ‘object-iveren’. Nee, Hij is het die mij in de accusatief zet en mij bevraagt: “Mens, waar ben je?” en “Mens, waar is je broeder/zuster?”

Dat zijn de vragen, die ertoe doen als het om geloven (faith) gaat en jouw manier van leven, jouw omgaan met mensen en de wereld, laten zien, in hoeverre jij die vragen hebt gehoord en serieus neemt.

Een gesprek met Arjen over wat ‘geloven in de kern van de zaak’ betekent zou een heel andere inhoud opleveren, denk ik. We zouden ons niet meer op het terrein van de fysica, metafysica en kennisleer bevinden, maar ons gaan begeven op het gebied van de levenskunst, ethiek en politiek, muziek en poëzie, waarbij hij en ik geen objectieve waarnemers en buitenstaanders meer zijn, maar existentieel betrokkenen, geen outsiders, maar insiders.

Als ik Arjen zo bevlogen heb horen redeneren over God, kerk en geloof dan denk ik, dat er ook in de kerken nog een hoop werk aan de winkel is. Hoe is het met de bespreking van de Bijbel in de zondagse erediensten en/of op de catechese gesteld? Ik vrees dat er te oppervlakkig of te onoplettend voorbijgegaan wordt (en is) aan de bedenkingen en kritische vragen van mensen als Arjen Lubach. Een meer doordachte respons en een doordringen tot de kern van waar het bij ‘geloven’ om gaat zouden veel frustratie kunnen voorkomen en tot wellicht minder zogenaamde ‘afvalligheid en ongeloof’ leiden.

Mensen als Arjen Lubach reken ik tot de niet-kerkelijke gelovige schare, die niemand tellen kan en hun kritiek zou moeten leiden tot een kritische reflectie over veel kerkelijk gedachtengoed, dat blijkbaar aanleiding geeft tot dit soort misvattingen.

Een gesprek over waar het werkelijk over gaat zou de zogenaamde kloof tussen gelovigen en niet-meer-gelovigen kunnen overbruggen en ook zouden veel miverstanden aan beide kanten opgehelderd kunnen worden. Helaas kruipt iedereen graag bij club- en soortgenoten op schoot en zo komt men doorgaans niet veel verder dan ronddraaien om en in zijn/haar eigen gelijk.

Een leerzaam programma, “Zomergasten”!

 

 

vrijdag, 22 juli 2016 17:04

Kijk eens naar de lelies op het veld

Geschreven door

Kijk eens naar de lelies op het veld

 

Op een verrassende en welsprekende manier probeert John D. Caputo aan te duiden, wat het betekent, wanneer wij God ter sprake brengen in de ‘schepping’ en in de geschiedenis. Zijn uitgangspunt vormen de beide scheppingsverhalen, toegeschreven aan P (Priestercodex) en aan J (de Jahwist) en zo kan hij onderscheid maken tussen het karakter van Elohim enerzijds (P) en Jahwe (J) anderzijds. Omdat Elohim het eerste woord heeft en spreekt zal dat ook in onze waarneming en beleving van de wereld van kracht moeten blijven om te voorkomen, dat wij wegzinken in moedeloosheid en treurnis vanwege alle misère in de wereld. Er waait inderdaad een gure wind vanuit het paradijs, maar vergeet het zachte waaien van de bries van de Geest niet, zoals o.a. zichtbaar wordt in de lelies op het veld.

Ik heb deze paragraaf zo goed mogelijk vertaald, zodat de lezer een indruk kan krijgen voor de manier waarop Caputo de bijbelteksten interpreteert en betrekt op de vragen van vandaag en ze bovendien in gesprek brengt met interpretaties uit het verleden.

Kortom, lezenswaardige stuff!

 

John D. Caputo, “The Weakness of God. A Theology of the Event” (2006)

pp. 176-181

 

Leven als de lelies op het veld en de bries, die vanuit het paradijs waait

 

Wat betekent het dan om te leven als de lelies op het veld?

Benjamin (Walter B.)[i] heeft eens gezegd, dat de geschiedenis een storm is die rechtstreeks uit het paradijs waait, een verwoestende wind, die enorme schade heeft aangericht de eeuwen door en puinhoop op puinhoop achterlaat. Dat is zondermeer waar en het is aantoonbaar altijd zo geweest, meteen vanaf het begin, ja zó waar, dat het er toe leidde, dat Jahwe – het lijkt er inderdaad op, dat Benjamin verwijst naar Jahwe’s uitbarsting in Gen. 3: 14-19 – zijn handen in wanhoop de lucht ingooit en zich voorneemt alles schoon te wassen en de hele geschiedenis opnieuw te laten beginnen (met geen aanwijsbare verbetering de tweede keer, overigens). Maar dat is toch maar het halve verhaal, alleen de tweede van beide vertellingen, die de Redactor niet zonder goede reden op de tweede plaats heeft gezet. Er is goed nieuws en slecht nieuws, maar eerst het goede nieuws en dan het slechte. Want er is ook nog een andere wind, de adem van een andere bries, die uit het Paradijs waait, de adem van een andere Geest, vriendelijker en zachter, hoewel op zijn eigen manier ook krachtig. Dat is de context waarin ik mijn visie op de lelies op het veld wil inbrengen, hetgeen nu volgt.

 

Als we God dan willen benaderen als een zwakke kracht, als een onvoorwaardelijkheid zonder soevereiniteit, als de machteloze macht van een roep en niet als ‘de Here der heerscharen’, die een leger op de been brengt tegen zijn vijanden, wat kan dan ‘het heersen van God’ in de tijd en in de geschiedenis mogelijkerwijs betekenen? Als Benjamin gelijk heeft, dat tijd en geschiedenis hun bloedige spoor trekken tot verwarring van de moralisten en tot verlegenheid van de theologen, in wat voor zin ‘heerst’ God dan over iets? En wat kan leven als de lelies op het veld mogelijkerwijs betekenen, als we niet denken dat God zal ingrijpen in onze zaken en de boosdoeners op hun nummer zal zetten en de rechtvaardigen zal oprichten? Wat zou het dan betekenen vertrouwen in God te stellen? Als de gelovige vertrouwt op God, wat kan God dan anders doen dan dat vertrouwen doet, dat (ook) iets teweeg brengt zonder God? Is er überhaupt wel vertrouwen (mogelijk), met of zonder God? Als de schepping, zoals ik heb voorgesteld, inderdaad een dobbelsteen-affaire is en de elementen aanduiders zijn van het onherleidbare risico van het leven, wat kunnen we dan nog leren van de lelies op het veld?

In mijn ‘strijd’ (argumentatie) tegen een interpretatie van God als het beginnende centrum van macht en van kosmische energie, die de heiligheid van God vestigt in de macht van de arche (het oer-begin) dan argumenteer ik m.n. tegen een thaumaturgische opvatting of beeld van God. In de wat soberder aankleding van Gods creatieve handelen, dat ik heb voorgesteld, komt er ook meer ruimte voor een zekere ‘machteloosheid’ van God, wanneer ik bijv. zeg, dat de scheppingsverhalen iets vertellen van een ‘inscriptie’ – door het gesproken woord avant la lettre – van een fundamentele goedheid in/van de dingen. Het goddelijke woord roept dingen in het leven in P’s vertelling en noemt het leven goed, maar kort erna vermoordt Kaïn Abel, waardoor meteen de leven-gevende daad van God omgekeerd wordt. Dus moest het woord maar blijven roepen, telkens weer opnieuw roepen (te binnen brengend), waartoe de dingen geroepen zijn om te zijn – namelijk levend (zijn) en niet dood, vruchtbaar, niet onvruchtbaar, gevuld, niet leeg. De schepping is niet een kant-en-klare daad, maar eerder een voortgaand proces van her-schepping (re-creatie). De daad van oorsprong gaat gepaard met het roepen van het woord ‘goed’, zodat het woord goed alles omvat en omarmt, maar het houdt de dingen niet absoluut in haar greep.

Wat mij betreft geeft “schepping” de wereld betekenis en belofte, en duidt het niet een oorzaak aan. Het is het werk van een woord (een ‘spreek-daad’ die een einde maakt aan alle spreken, of die juist op gang brengt!), en dat geeft de wereld betekenis. De scheppingsverhalen bieden geen natuurkundige informatie over of een metafysische verklaring van de oorsprong van het heelal, en dan nog wel één die zou kunnen concurreren met de astrofysica en waar de wetenschap rekening mee zou moeten houden. Nee, de scheppingsverhalen zijn schitterende poëzie, geen dubieuze metafysica of compleet denkbeeldige fysica. Zij beschrijven echter een poiesis in de zin van een gedicht, als een werk van religieuze verbeelding; het is beslist geen product van fysica of metafysica.

 

De wereld is ‘daar’ (er) – il y a, es gibt – leuk of niet leuk, met of zonder God, met of zonder een verklaring: zij was er altijd (al). Om Gertrude Stein een beetje te variëren: daar is er, daar. God is daar niet verantwoordelijk voor, dat de dingen er zijn. God verschaft een interpretatie. De naam van God bergt een gebeurtenis (event) van interpretatie in zich. In de vertellingen is het zo, dat de elementen er gewoonweg zijn, als een gegeven, als een voor-gegeven, voorondersteld, eeuwig in gezelschap van Elohim, die daarover nooit geraadpleegd werd. Dat staat niet ter discussie, er wordt nooit over gesproken of over onderhandeld. Dat is precies wat het vóór-bestaan van de elementen in de vertellingen betekenen, wat zij zeggen door niets te zeggen, wat het verhaal vertelt d.m.v. het feit, dat de elementen totaal niets zeggen. De elementen zijn letterlijk stom: niet dom, nietszeggend en betekenisloos, gewoonweg stil/zwijgend. Zij zijn niet absurd of chaotisch, alleen maar stil en woordenloos, onschuldig en vóór goed en kwaad, in één woord: ongeïnterpreteerd. Zij zijn niet de trop (te) of een anoniem gerommel – dat zou een anachronisme zijn, een retrospectieve illusie; zij zijn er gewoon, domweg, like it or not!

Echter, al het spreken komt van Elohim, Elohim is het ‘woord’, degene die spreekt, die betekenis introduceert, articulatie, begrip (aanbrengt). Binnen een strak monotheïsme is het zo, dat Elohim eigenlijk tot zichzelf spreekt, een soort goddelijke privé-taal spreekt (filosofen zullen je, op volstrekt legitieme gronden, vertellen, dat dit eigenlijk onmogelijk is, een tegenwerping echter die geen hout snijdt als je poëzie aan het lezen bent!). Historisch-kritisch bezien is hier nog een overblijfsel van het polytheïsme waarneembaar, waar Elohim overleg pleegt met zijn goddelijke raad(gevers) en zij stemmen er allen mee in om iets te scheppen in (naar) ‘ons’ beeld. Hoe dat ook zij, God is verantwoordelijk voor het ‘woord’, het werk van de taal, geeft betekenis, sens in de bubbele zin van het woord: zin en richting. Elohim spreekt een oordeel uit, een woord, een verdict, vere dictum, een zegening (benedictie), bene dictum, over de dingen; hij waardeert ze als ‘goed’. Elohim ontwerpt uitgestrekte en uitdijende universa en zeeën – en het is goed – en dan vervult Hij ze met levende wezens en de levende dingen en die zijn goed en Hij hangt lichten als lantaarns aan het hemelgewelf en ook dat licht is goed. En hij maakt mensen als levende wezens en maakt ze vruchtbaar zoals Hijzelf is en de menselijke vruchtbaarheid is goed!

Goed, goed, goed, goed, goed – zeer goed, Ja, ja! Dat is het woord, dat is de wereld! Dat is de interpretatie, de hermeneutiek. (Een andere interpretatie is die van Nietszche, dat de elementen geen weet hebben van goed of kwaad).

 

Zo is Elohim dus de reden ervan, dat de dingen goed zijn. Schepping is niet een beweging van niet-zijn naar zijn, een gedachte die het hart van de metafysici sneller doet kloppen, maar van ‘zijn’ naar ‘goed’, over het zwijgen van het zijn heen naar het spreken van ‘goed’, hetgeen het hart van de Hebreeuwse poëzie uitmaakt.

Dan vermoordt Kaïn Abel en vanaf dat moment begint de geschiedenis aan haar bloedige verloop. Een geweldige storm raast over de mensheid vanuit het paradijs over de uitgestrektheid van de geschiedenis, om Benjamin’s beeld te gebruiken. Gods werk was nog maar net begonnen: het woord van Elohim is op z’n best een voor-woord, zijn uitspraak niet veel meer dan een min of meer voortijdige aanloop tot een oordeel. De ‘roep’ moet opnieuw gezegd worden (re-called), telkens opnieuw. Want de geschiedenis heeft die inscriptie onleesbaar gemaakt, verwoest en bij tijden soms bijna uitgewist zelfs. Het geschreeuw van het eindeloze geweld de geschiedenis door heeft dat woord bijna tot zwijgen gebracht. Beschouw de verhalen over de schepping als een uitgestrekte kaart van de wereld, waarop het woord ‘goed’ met zulke enorme letters is ingegrift, uitgestrekt over zo’n enorme wijdte, dat we ze nauwelijks kunnen lezen. Hoe nader je de dingen bekijkt, hoe minder je ze ziet en hoe meer je alleen maar de rampen waarneemt.

God zegt ‘ja’, roept ‘ja’ tegen ons vanuit de verte, van een oneindige afstand. ‘Ja’ terugzeggen, mede onze handtekening zetten onder die van God, die hij heeft uitgeschreven over het oppervlak van de wereld, dat betekent niet dat wij dan rekenen op een of andere goddelijke interventie vanuit den hoge om de dingen hier beneden op te lossen. Het is om P’s majestueuze verklaring te bevestigen, opnieuw te bevestigen, dat wat God gemaakt heeft erg goed was, maar tegelijkertijd er rekening mee houden, dat de geschiedenis een bloederig verloop heeft gekregen, die dat geloof op de proef stelt door ramp op ramp te stapelen in een geschiedenis, die een eindeloze rij ruïnes laat zien. ‘Ja’ zeggen tegen God, zijn Naam aanroepen – en hier komen we echt tot de kern van de zaak – betekent niet tekenen voor een geloof, dat de natuurwetten op een magische wijze buiten werking stelt om het mogelijk te maken, dat God natuurrampen afwendt, of dat God bepaalde zaken in de geschiedenis verdedigt (en andere niet), bijv. van een land, een politieke partij, een godsdienst, een ras of geslacht om te laten zien, dat uiteindelijk één historische ‘zaak’ (kwestie) over de andere zal zegevieren.

God stuurt geen wervelstormen weg van het vasteland de zee op, net zomin als God een favoriet heeft in de Super Bowl, de NCAA Final Four of de World Soccer Cup wedstrijden. God is niet een machtige maar onzichtbare hand, die op een magische manier natuurlijke en historische krachten ombuigt naar zijn goddelijke doeleinden, zodat zij uiteindelijk precies uitlopen op datgene wat God gepland had, zolang wij maar geduldig genoeg zijn en bereid zijn alles op langere termijn te zien. Dit is een essentieel thaumaturgisch [ii]idee van God, dat de New Age boekenindustrie draaiende houdt en ook de Hollywood films over engelen, maar het is tevens een metafysisch idee, die stelt, dat uiteindelijk deze wereld de beste van alle werelden is of waar je althans op kunt hopen. Maar deze visie houdt geen stand tegenover de werkelijke en meedogenloze loop der dingen, niet als je kijkt naar het historisch verslag met een zekere onpartijdigheid en wanneer men het onfalsifieerbaar geloof terzijde schuift, dat uitgaat van de onweerlegbare aanname dat het goede nieuws goed nieuws is en bewijst dat God ons nauwlettend over ons waakt en dat het slechte nieuws ook goed nieuws is, omdat God met kromme lijnen toch recht kan schrijven of een mysterieus doel op het oog heeft, al is het op zijn verborgen goddelijke manier. De waarheid is echter, dat het slechte nieuws gewoon slecht nieuws is!

 

 

Maar wat hebben de lelies op het veld ons dan te vertellen in dit koele kosmisch-hermeneutische schema? De lelies zijn overblijfselen van het werk van Elohim, bloemen aanvankelijk door Jahwe in de tuin geplant, op plaatsen waar Elohim’s ‘goed’ tevoorschijn komt en raakt aan het oorspronkelijke plan, zoals een stukje zonlicht kan doorbreken door de wolken of water kan opborrelen naar de oppervlakte vanuit verborgen bronnen in een oase in de woestijn. De lelies opmerken is zoiets als het vinden van Elohim’s oude inscriptie in/op de aarde, die door de wind al lang geleden onzichtbaar was geworden.

De lelies op het veld zijn trekken, echo’s of restanten van het eerste ‘ja’, geuit door het woord. Zij getuigen van de overeenkomst, die Elohim maakte met de wereld en zij verzekeren ons dat die niet verbroken is. Zij vragen ons onze handtekening te zetten onder God’s ‘ja’ en erop te vertrouwen, dat de wereld ten laatste geen vijandige plek is, waaruit we zouden moeten wegtrekken, zoals de asceten of de oude gnostici, die dachten dat een transcendente God niet de auteur kon zijn van zo’n immanente puinhoop. De lelies op het veld verzekeren ons, dat de voorbijgaande schoonheid van de wereld en de vreugde, die het leven in zich bergt, niet overspoeld (behoeven te) worden door het zinloze en tragische lijden. Zij getuigen van het ‘goede’. Zie de lelies op het veld, merk het ‘goede’ op, dat Elohim heeft gemaakt en laat de hoop niet sterven. Het leven gaat door temidden van de ruïnes en de verwoestingen. Vertrouw in het ‘momentum’ van het leven, want Elohim heeft leven geblazen in de levenloze elementen en overal waar leven is, daar ademt de Geest! Het fundamentele contract dat wij hebben met het leven – “en Elohiem zag alles wat Hij gemaakt had en zie, het was zeer goed”- , dat op voorhand voor ons door Elohiem werd getekend, is niet verbroken en ons wordt niet meer en niet minder gevraagd dan ook onze handtekening eronder te zetten, om ‘ja’ te zeggen tegen de lelies op het veld. Hoewel dat wel ‘risky business’ is.

 

Neem één dag tegelijk en laat de levensadem door je heen gaan en laat de stormen van het kwaad je niet overweldigen. Zeg ‘ja’ tegen vandaag en laat morgen voor zichzelf zorgen. Morgen zullen we opnieuw ‘ja’ zeggen, wat er ook gebeurt. Vandaag is de dag, die de Heer gemaakt heeft, de dag om ‘ja’ tegen te zeggen en morgen, dat is de dag voor een nieuw ‘ja’ en zo komt alles terecht. Iedere dag zijn eigen ‘ja’. Voor iedere dag is er iets goed en iets kwaads, maar altijd in een bepaalde mate, op een proportionele manier. Neem niet de last van iedere dag op je nek en zit er niet over in de war of je wel krachtig genoeg bent om telkens ‘ja’ te zeggen. Als je de maat van het totaal probeert vast te stellen, van de hele geschiedenis, van de hele toekomst of van het hele verleden, dan bezwijk je daaronder. Het leven heeft meer iets van een herhaling: ja, ja, ja, elke dag weer, elke dag. Kom, Schepper Geest, ja. Vandaag is de dag die de Heer gemaakt heeft en ‘ja’ zeggen tegen vandaag is als het openhouden van de toekomst. Houd de toekomst open – en laat de last van het verleden los. Vertrouw op het moment van deze dag, zorg ervoor dat de toekomst jou niet opsluit en laat het verleden gaan, dat ons met knopen vastbindt en ons wil vastzetten.

Luister naar het woord dat door de lelies op het veld wordt gesproken, luister naar hun ‘ja’, het parole soufflé dat de bries van ‘goed’ door de dingen heenademt. De winden, die over de uitgestrektheid van de tijd heenwaaien zijn niet alleen de krachtige en verwoestende winden van Benjamin’s rampen, maar (ook) de vriendelijke bries van Elohiem’s ‘goed’, dat de tijden door klinkt en ons inspireert en onze harten opheft. ‘Goed’ is het woord, dat Elohim in den beginne uitroept, dat a.h.w. in een grote akoestische ‘shift’ ook ons voowaarts roept en ons vooruit lokt.

 

Het heersen van God, zijn bestuur, is in/op de wijze van het woord, en dat is de roep van God, de roep die ‘goed’ zegt, dat is het woord dat Elohim over de schepping blaast, een roep die alles verheft voorbij het zwijgen van het zijn, dat onze geest altijd neerslachtig dreigt te maken. De macht van God is de zwakke kracht van het woord, een betekenis, een zin, een uitnodiging, eerder een hermeneutische dan een fysisch of metafysisch heersen, een roep die ons boven onszelf en onze bezorgdheid over onszelf uittilt, die ons verzekert dat de wereld niet alles in alles is (het één en het al is). Want de stelregel van de wereld, ik bedoel datgenet waardoor de wereld beheerst wordt, de economie van de wereld, waarbij alles een prijs heeft en iedereen er alleen maar is om te betalen, wordt van binnenuit onrustig gemaakt door de lelies op het veld. De lelies op het veld vertegenwoordigen de dwaasheid van het niet allereerst zijn eigen belang te kiezen; zij laten de kracht van de machteloosheid zien, de zwakke kracht van iets dat onvoorwaardelijke schoonheid heeft.

De lelies op het veld leven helemaal ‘voor niets’, gratuit, bijna toevallig, zoals een geschenk, niet-economisch; en kijk eens hoe prachtig zij zijn ‘aangekleed’. Zij trekken er niet op uit om te gaan werken om geld te verdienen in het zweet ‘huns aanschijns’. Brutaal en dapper weerstaan zij de vloek van Jahwe, de vloek op het werken (Gen. 3: 14-19), de aankomende storm, die Benjamin aan voelde komen. Zij leven zomaar, zonder te werken en God zegent hen (dat moet wel Elohiem zijn) meer dan Salomo en David bij elkaar. De lelies op het veld zijn een ‘event’, een bestaan vol van ‘event’ en gratie.

Wees als de lelies, zonder waarom en zonder zorgen. Zij buigen en bukken onder het zachte lispelen van de bries en dat is de ruach Elohim, het zachte waaien van de Geest, die alle perioden doorwaait vanuit de schepping, die om ons geeft. Sta open voor deze gratie, dit gratuite, deze kans, misschien juist wel voor dit ‘misschien’ in het leven, dat het leven open houdt, in beweging. Zeg ja tegen de genade van de dag, laat de ketenen van het verleden gaan/los en houd de toekomst open, want vandaag is vol van leven, vervuld van genade, vol geest, een gratuite gift, waar de lelies van genieten.

 

Het leven is een riskante onderneming en wij zijn voortdurend bezorgd over de toekomst, over wat zal komen voor onszelf, voor anderen – en daarom moeten wij ons wel zorgen maken, maar we zouden ons zorgen moeten maken zonder bezorgd te zijn en dat doen in de naam van Elohim, die zei dat alles wat Hij gemaakt had ‘goed’ was. Morgen is het misschien beter of misschien ook wel slechter, maar dat is een andere dag. Vandaag is het de dag om ‘ja’ tegen te zeggen. Het leven is een prachtig risico en de lelies maken er prachtig deel van uit.

Voor de gelovige is Auschwitz – ieder Auschwitz, iedere moord en iedere etnische zuivering, de dood van ieder onschuldig kind – een onverklaarbare en niet te rechtvaardigen schending van het leven, een vergrijp aan Gods schepping, zoals met Kaïn (en Abel) begonnen is, die dezelfde toorn van Jahwe opriep en hem ertoe bracht de dag te vervloeken waarop de aarde gemaakt was. Auschwitz, ieder Auschwitz is een onheleidbaar en niet goed te maken verlies en zelfs God kan het niet ongedaan maken. En als soms ergens (toch) iets goeds uit voortkomt dan zou het nog een obsceniteit zijn te suggereren, dat dat of een verklaring of een rechtvaardiging ervan is. Moltmann heeft terecht gezegd dat Auschwitz het einde van iedere ‘theodicee’ betekent. Trouwens, zo’n goed einde (eind goed, al goed) zou voor de doden geen enkel voordeel opleveren, die immers te laat aankomen. God verhindert het kwaad niet vantevoren en evenmin kan God, zoals Petrus Damianus meende, achteraf het kwaad wegnemen nadat het feitelijk heeft plaatsgevonden.

God ‘gebeurt’ niet op het vlak van het zijn, maar op dat van de ‘event’; hij is de naam van een betekenis(geving) of van een interpretatie, niet een substantie (of ‘wezen’). De naam (van) God geeft het kwade een andere betekenis omdat het ons geloof geeft ten overstaan van het kwaad, een geloof dat sterker is dan de dood en machtiger dan het zwaard. Maar als dat zo is – en ik denk dat het zo is – dan moet de kracht van deze zwakke kracht nooit verward worden met een zwaard of een leger of met thaumaturgische 'oplossingen'.

Beschouw geloof, net als (de) schepping, als een soort akoestisch ‘event’. Het geeft ons oren om een aloude stem te horen, met een licht Joods accent, die ritmisch over de tijden heen resoneert: ‘goed, goed, goed, goed, goed, kortom, zeer goed’. Beschouw geloof als een meteorologisch gebeuren, gedragen door een bries, die vanuit het paradijs waait: zie de lelies op het veld, hoe ze wiegen op de wind. Zie, dat is de ruach Elohim[iii].

 

 

 



[ii] Thaumaturgisch betekent ‘wonderbaarlijk’; het uitzonderlijke, bovennatuurlijke ingrijpen door een godheid.

[iii] Ruach is het Hebr. woord voor ‘Geest’ of ‘het waaien’.

zondag, 17 juli 2016 16:22

Geloven in de keuken

Geschreven door

Preek gehouden in de dienst van Schrift en Tafel in de hervormde gemeente ‘De Ontmoeting’ in Nunspeet op zondag 17 juli 2016 n.a.v. 1 Samuël 1: 1-11 en Lukas 10 (slot).

 

Geloven in de keuken

 

In de Bijbel komen we heel veel dubbeltallen tegen: Adam en Eva, Kaïn en Abel, Abraham en Lot, Mozes en Aäron, David en Saul, Hanna en Pennina, Martha en Maria, de farizeëer en de tollenaar, de rijke (man) en de arme Lazarus enz. En vaak is het dan zo, dat de ene een pluim krijgt en de ander een standje. En wordt de één een voorbeeldfiguur om na te volgen en de ander een voorbeeldfiguur om afstand van te nemen. Wie de verhalen leest of hoort identificeert zich vaak met één van hen en meestal met hem of haar, die een pluim krijgt. Zo vertoeven we graag in de buurt van de tollenaar, van de arme Lazarus (ook al zijn we nog zo rijk), van de vrome Maria, want zij krijgen een beloning, een waardering en dat is het wat ons wel aanstaat.

In de lezingen van vanmorgen kwamen we vier vrouwen tegen, vier verschillende vrouwen, in verschillende posities en met verschillende ambities. En ieder van hen kan model staan voor een bepaald type mens of ieder van hen vertegenwoordigt een situatie, die herkenbaar is, ook in ons eigen leven.

Pennina was de vrouw, die het gemaakt had: succesvol, geliefd, moeder en ‘alles koek en ei’. Daardoor ook neerbuigend en kritisch naar anderen; geen aardig en meelevend mens, maar eerder egoïstisch en koel.

Hanna is iemand, die niet meetelt, een ‘lelijk eendje’ dat door niemand wordt opgemerkt en zelf haar weg moet zien te vinden. Kinderloos en toekomstloos.

In de tempel wordt echter alles anders: de rollen worden omgedraaid, want daar wordt helder, hoe het in het Koninkrijk Gods toegaat: de eersten worden de laatsten en wie onvruchtbaar was wordt een moeder in Israël. In het Koninkrijk Gods wordt het onmogelijke mogelijk en gaat alles onderste-boven en binnenste-buiten.

Maria en Martha worden ook neergezet als twee archè- of proto-typen: zij verbeelden ieder een manier van leven, een wijze van zijn. De ene is naar binnen gericht, denkt na over de vraag wat het leven nu werkelijk betekent en gaat daarover in gesprek met de grote Meester. Maria is iemand die behoefte heeft aan bezinning, diepgang en meditatie. Misschien overweegt zij wel in een klooster te gaan of zich helemaal af te zonderen, zodat ze niets anders aan haar hoofd heeft dan God en haar ziel.

Martha is een heel ander type. Zij is voortdurend aan het schrobben en boenen, aan het koken en wassen. Haar hoofd is altijd rood van inspanning en ’s avonds valt ze als een blok in bed en tijdens haar avondgebed valt ze al in slaap. Martha is een bezige bij en heeft weinig behoefte aan bezinning of verdieping. Ze ergert zich zelfs een beetje aan mensen, die alleen maar mediteren en zingen, studeren en getijden in acht nemen. Er moet brood op de plank komen, er moet gewerkt worden, want voor niks gaat de zon op.

Maria heeft het beste deel gekozen en Martha krijgt een standje. ‘Martha, prima dat je eten kookt en ons bedient, maar je bent eigenlijk wel wat al te oppervlakkig bezig. Je zou ook bij ons moeten aanschuiven’.

En zo is zij de geschiedenis in gegaan en nog steeds wordt Maria op een voetstuk gezet en Martha gekleineerd. Maria laat zien wat belangrijk is en hoe wij allemaal zouden moeten leven: we zouden een contemplatief leven moeten leiden, veel bidden en zingen, mediteren en stil-zijn met een boekje in een hoekje. Maria is het voorbeeld geworden van piëtistische vroomheid. En of iemand gelovig is wordt vaak – in de gesprekken, die we daarover hebben - afgemeten aan zijn of haar betrokkenheid bij de kerk en de kerkdiensten. ‘Praktiserend gelovige-zijn’ wordt gezien als een bezinnend en mediterend leven leiden en regelmatig naar de kerk gaan.

Maar nu wil ik toch vanmorgen even een lans (een lansje) breken voor Martha. Wat zij doet doet zij voorbeeldig. Haar leven is dienen. Zij denkt alleen maar aan anderen en hoe zij hun ten dienste kan zijn. Haar leven is één en al activiteit en zij brengt in de praktijk wat Maria alleen maar overweegt en bedenkt.

Als iemand een praktiserend christen (avant la lettre) is dan is het Martha wel. In haar doen en laten laat zij precies zien, wat christen-zijn in de praktijk van alle dag betekent. De vaat en de vloer, het bed en de tafel, het eten en het drinken zijn niet iets minderwaardigs of onbelangrijks. Nee, integendeel, het brood en de wijn doen er juist toe. Gods goede schepping is niet te verwaarlozen en verdient al onze aandacht. Wie met zijn hoofd in de wolken wil lopen heeft van het evangelie weinig begrepen.

Martha, jij laat zien, dat de werkelijke vroomheid geactualiseerd wordt in een leven van aandacht voor de ander en voor de concrete dingen. Een ‘vita activa’ kun je dat noemen.

Het is Meister Eckhardt, die wel bekende middeleeuwse mysticus, die als eerste aandacht heeft gevraagd voor Martha en haar manier van zijn en geloven, die de wat passieve en naar binnengerichte vroomheid van Maria verre overtreft.

Maar misschien is het eigenlijk niet zo zinvol om de beide manieren van leven tegenover elkaar te plaatsen en de ene te verheffen boven de andere. Beide zijn even waardevol, denk ik, en de ene kan niet zonder de ander. Alleen maar altijd actief zijn en praktisch bezig-zijn leidt tot kortademigheid en overspanning en altijd maar zingen en mediteren leidt tot zweverigheid, navelstaren en doe-loosheid.

Laten beide manieren van zijn elkaar liever aanvullen, dan kan het leven in de wereld een leven voor Gods aangezicht zijn.

Jezus zelf liet het zich allemaal welgevallen: hij hield van lekker eten en van een goed glas wijn, maar in de keuken tref je hem nooit aan, althans de evangelisten zwijgen er in alle talen over. Eén keertje, helemaal op het einde van het Johannes-evangelie, horen wij iets van zijn kookkunst en heeft hij iets bereid, waarmee hij zijn vrienden wil verrassen. Daar aan de oever van het Meer reikt hij hun als de Opgestane – ongetwijfeld naar een beproefd recept van Martha - brood en vis aan en zegt: Neemt en eet. Dit heb ik voor jullie klaargemaakt!

 

maandag, 11 juli 2016 13:39

Een lied(tekst) in opspraak

Geschreven door

Een lied(tekst) in opspraak

 

Sneuvelde eerst mijn favoriete nummer uit het oude Liedboek “de Heer heeft mij gezien en onverwacht, ben ik opnieuw geboren en getogen”, omdat in een vervolgcouplet een seksistisch getinte passage voorkomt, die alleen maar vermoed kan worden door degenen, die zelf wellicht wat ‘oversekst’ zijn, nu struikelt ‘de politie van het puritanisme’ over een andere tekst, namelijk die van Willem Barnard in Lied 737, waar hij in couplet 19 de negers en de joden vrolijk laat meedoen met de dans, die er in de hemel zal zijn. Voldoende reden, zo vindt men, om ook dit lied te kuisen en/of te weren! Maar is men hier niet al te 'overgevoelig' bezig en verliest men de intentie van de dichter en de context van  het gehele (en oorspronkelijke) lied niet te zeer uit het oog?

Het lied bezingt (immers) het land van ooit – God weet wanneer - , waarin de rollen zullen zijn omgekeerd en de mensen, die vroeger te lijden hebben gehad van onderdrukking, vervolging of discriminatie nu mogen delen in de vreugde van het Koninkrijk Gods.

Tom Mikkers (rem.) en Karin van den Broeke (PKN) vinden de tekst echt niet meer kunnen. Zo zet je mensen weg, je stigmatiseert hen en eigenlijk discrimineer je en is het zelfs racistisch.

Nu is Willem Barnard de laatste, die dat zou gedaan of gewild hebben, lijkt mij. Bovendien vraag ik mij af, of hier inderdaad gediscrimineerd wordt en mensen als ‘minder’ worden weggezet.

Is het woord ‘neger’ ook al in de ban gedaan? Ik wist het nog niet, maar volgens mij betekent het gewoon ‘zwart’. Dan moet het woord ‘blanke’ of ‘witte’ ook in de ban. Dat is dan ook discriminerend.

Natuurlijk moet je altijd zorgvuldig op je woorden letten en uitkijken, dat je door mensen op een bepaald kenmerk te specificeren hen niet stigmatiseert of kleineert. Maar volgens mij is dat hier totaal niet aan de orde.

Het gaat om groepen mensen, die in het verleden (door ons, blanken!) in een bepaalde positie zijn terechtgekomen als slaven, als uitgestotenen. Daar konden die mensen niets tegen doen. Wij, westerse rijken en blanken, waren het, die dit deze mensen aandeden. De joden droegen een ster, omdat wij, de machthebbers in West-Europa, dat voorschreven. Die vernedering en verdrijving uit de samenleving is door ons gedaan, oogluikend gedoogd – sommige helden protesteerden ertegen – en die mensen krijgen nu in dit lied ‘hun verdiende loon’: zij gaan ons voorop in de richting van het Koninkrijk en zij krijgen de eerste plaatsen.

Dit lied discrimineert niet, maar bezingt het einde ervan. Dat groepen mensen nog steeds te lijden hebben van een naam, die hun geschiedenis weerspiegelt, verhelp je niet door hun naam niet meer te noemen of een couplet weg te laten. De loftrompet en de jazz waren trouwens al uitingen van verzet en van hoop en nu zouden wij hun die ontnemen, omdat wij denken, dat het stigmatiserend en discriminerend is? Maken zij er trouwens zelf bezwaar tegen en weigeren zij ‘en masse’ dit lied te zingen? Ik heb er nog niets over gehoord.

 

 

 

zondag, 10 juli 2016 19:19

En de HEER sprak tot Mozes...

Geschreven door

Preek gehouden op zondag 10 juli 2016 in de Grote- of Mariakerk n.a.v. Numeri 27: 12-23 en Lukas 10: 25-37

 

“En de HEER sprak tot Mozes…”

 

Het is vandaag de laatste keer, dat we uit het boekje Numeri lezen. In H. 27 vindt een wisseling van de wacht plaats; er breekt een nieuwe tijd aan. Andere namen, andere gezichten, andere aanpak, andere leiding.

Dat is altijd spannend. Wie gaat wie opvolgen? Wie zal president Obama opvolgen? Trump of Clinton, that’s the question! En in Engeland is er ook een wisseling van de wacht gaande, sinds de uitslag van het Brexit referendum, terwijl sommige leiders van de campagne het hazenpad al hebben gekozen.

Ook in de kerk doen zich dergelijke momenten voor, wanneer ambtsdragers terugtreden of wanneer een predikant vertrekt. Dan is de brandende vraag: wie volgt op? En zal hij of zij de lijn van de voorganger voortzetten of juist niet?

Er was eens een rabbi, die in een joodse gemeente zijn vader opvolgde, die daar jarenlang gediend en gewerkt had. “En?”, vroegen de mensen, “ga je het net zoals je vader doen?” “Ja, zeker!”, zei de jonge rabbijn, “precies zoals mijn vader, die alles anders deed dan zijn voorganger!”

“De HEER zei tegen Mozes”, zo begint het verhaal over het aftreden van Mozes. Het is een zin, die wij vaak in de Bijbel tegenkomen en wie al die verhalen goed kent kijkt er niet meer van op zoiets te lezen. Dat is de verteltrant van de Bijbel. Pas later, veel later gaan mensen daar vragen bij stellen: Hé, hoe ging dat dan? Op welke manier vond zo’n gesprek dan plaats? Of er kwamen andere vragen bovendrijven, waarbij vooral gedacht werd aan de verhevenheid van God. het past toch eigenlijk niet bij Hem, de eeuwige en ontoegankelijke God, om Hem zomaar een gesprek te laten aanknopen met een sterveling. En vanaf dat moment komen de engelen meer in beeld: die zijn een soort tussenpersonen, die de afstand tussen de hoge God en de aardse mens overbruggen.

En als we dan in het Nieuwe Testament aankomen dan komen we dit soort zinnetjes eigenlijk helemaal niet meer tegen. De afstand tussen God en mens is groot, groter geworden (d.w.z. in het denken van de mensen) of de afstand is juist kleiner geworden, wanneer we de stem van God gaan vernemen in het spreken van Jezus. Dan wordt het gesprek bij de bron ineens ook een gesprek met de Allerhoogste, die present is in deze mens.

Maar nu weer even terug naar Mozes. Een telkens terugkomende vraag is: hoe hoorde Mozes dan de stem van God? Of is dat eigenlijk een onzinnige vraag en doet zo’n vraag geen recht aan de vertelling?

De voorstelling, dat er een reporter bij stond, die het gesprek kon horen en opnemen, is onzinnig. Toch kom je dergelijke verbeeldingen wel eens tegen, bijv. in tekenfilmpjes over bijbelverhalen, waarin je dan vaak de stem van God kan horen, vaak een heel zware, sonore stem, die bulderend over het lege landschap rolt. Eerder vreeswekkend dan indrukwekkend.

Dat lijkt op wat mij als kind werd geleerd: stil te zijn, als het onweerde, want “de HEERE sprak” (met twee/drie E’s!)…ik dacht dan altijd: ‘mag wel iets duidelijker!’ Dat is de stem van God in het natuurgeweld, waarover ook Psalm 29 zingt, maar is dat bedoeld als een werkelijk verstaanbare stem? Was dat ook juist niet wat Elia moest (af)leren, toen hij bij de Horeb stond, dat God niet aanwezig was in de aardbevingen, donderslagen en tornado’s, maar juist in het tegendeel daarvan, in het suizen van een zachte bries?!

Maar, zo denk ik dan, is het vooral niet een manier van vertellen, wanneer we lezen “En de HEER zei tegen Mozes”, zoals je ook in een roman of een stripverhaal allerlei dialogen kunt tegenkomen, waarbij je ook niet vraagt: he, hoe konden ze elkaar bereiken of verstaan? Ik was vroeger dol op de boekjes van Flipje Tiel, waar een frambozenjongetje allerlei gesprekken had met een aangeklede aap (die Jasper heette) en een vrolijk biggetje (Bertje). Nooit heb ik mij afgevraagd: hoe kan dat nou? Nee, want in de context van dat verhaal is het noodzakelijk om het zo te vertellen. Dat geldt voor Bijbelverhalen precies zo. De vraag: hoe wist Mozes dat God tot hem sprak en hoe sprak God tot Mozes zijn vragen vanaf de zijlijn, van buiten het verhaal zelf.

Maar nu nog even een andere invalshoek: misschien is er in het gelezen gedeelte nog wel een aanwijzing, die ons richting kan geven in ons nadenken hierover. God wordt hier namelijk de God van de levensadem van alle mensen, de God van alle geesten genoemd. Dat houdt in, dat ieder mens in een directe verhouding tot God staat, zodat er op inividueel niveau sprake is van een rechtstreekse communicatie. Mijn geest en de Geest van God zijn verwant; mijn geest, mijn denken, mijn ‘mind’ is afkomstig van God, ja maakt er zelfs deel van uit, zou ik willen zeggen (in Hem zijn wij en bewegen wij ons) – zoals ook Paulus ergens schrijft, dat zijn (onze) geest met de Geest van God getuigt, dat wij kinderen van God zijn.

Zo kan er een dialoog ontstaan, die ook op een monoloog lijkt. Mijn overwegingen krijgen de vorm van een gesprek met God, zoals bijv. ook Augustinus in zijn Belijdenissen doet. “En de HEER zei tegen Mozes” kan dan ook ‘vertaald’ worden als: “En Mozes dacht (bij zichzelf): wat wil God nu van mij, nu ik aan het einde van mijn loopbaan ben gekomen?” En in gebed en tweespraak, die ook weer veel lijkt op een alleen-spraak ontdekt Mozes wat hem te doen staat.

Zo hoorde Mozes de stem van God in zijn leven en zo kunnen ook wij de stem van God in ons leven horen. Het is een soort tweede stem in ons zelfgesprek; een corrigerende of aansporende stem. Een stem of gedachte, die ons aanzet tot bezinning of tot actie; een stem of gedachte, die mij verder helpt en oproept om sterk te zijn of juist los te laten.

Mozes moest gaan loslaten en overdragen. En hij mag het land van de toekomst alleen maar zien, niet binnengaan.

En hij protesteert niet. Wonderlijk vind ik dat, maar ook voorbeeldig. Wij zouden op onze strepen gaan staan en verwijzen naar onze verdiensten. Een bedankje zo op het einde zou niet misstaan. Maar Mozes taalt er niet naar. Het woord ‘verdienste’ staat niet in zijn woordenboek. Hij aanvaardt het leven, zoals het is en hij is meer begaan met de gemeenschap dan met zichzelf!

En hij krijgt te zien, zo vertellen de rabbijnen, het land van Zuid naar Noord, alle dalen en heuvels, alle steden en dorpen, alle bloemen en dieren…en ook de tijd, die nog komt van Jozua en Samuel, van David en Hizkia, van de opbouw van het land en van de afbraak en de wegvoering, van de tempel en de messias, ja Mozes’ ogen zagen verder dan Jozua’s voeten ooit zouden gaan.

Ik wacht hier wel, zei Mozes…ik wil nog niet binnengaan, als er nog zoveel moet gebeuren. Laat mij maar als laatste binnentreden…ik wil nog niet van de vrucht van de wijnstok genieten voordat alles voltooid is. Mozes vindt het okay dat zijn leven onvoltooid voltooid wordt.

Messiaanse gestalte, die Mozes. We kunnen ons afvragen hoe hij de stem van God gehoord had, maar het is wellicht zinniger onszelf af te vragen of wijzelf hierin soms iets van de stem van God te horen hebben gekregen, voor onszelf, voor onze omgang met de wereld en de toekomst?!

Stem van God? Die man op doorreis – in het Evangelie van vandaag - hoorde de stem van God klinken vanuit de bosjes, waar een man in elkaar geslagen lag te creperen. De roep van deze uitgetelde mens klonk in zijn oor als een roep van God. En hij kwam van zijn ezel af en hij keek en hij zag… en hij begon te verbinden en te verzachten. “Hé, arme man, hoe heet je eigenlijk?” “Joshua”, stamelde de man onverstaanbaar…

Soms zeggen mensen wel eens – en ik sluit mijzelf niet uit – en ik hoop u uzelf ook niet – ‘ik heb de stem van God nog nooit gehoord’. Dan horen wij vandaag in ons dof geworden oor: “Mankeert er dan soms iets aan je ogen?”

 

 

 

donderdag, 07 juli 2016 18:58

Niks is meer weerd as vandage

Geschreven door

Preke veur zundag 3 juli 2016 in de Oude Kerk n.a.v. Prediker 3 en Matth. 6 (slot).

Preek geschreven door mij (CH), in het Drents 'vertaald' en voorgedragen door Hendrik van Belkum uit Uffelte

 

Niks is meer weerd as vandage

 

Mar eerst mag ik oe anspreken als

Gemiente van oenze Heer Jezus Christus

Daniël Lohues kan het zo mooi zingen en vertellen ien het Dreens dat mij zo lief is. “Niks is meer weerd as vandage” bijveurbeeld. Het lek op het eerste geheur een simpel liedtie, een magere tekst, mar aj wat langer lustert en er over naodenkt dan moej toegeven dat hij een snaore rak (en niet allennig die van zien gitaar), dat hij een waorheid vertolkt of een levenswiesheid onder woorden brengt,die oens allemaole angiet.

 

Het bizundere is ook, vien ik, dat Daniël Lohues helemaol gien karkelijke of geleuvige liedties schref, mar dat ze toch voluut relegieus te nuumen bint.

Het bint liedties en teksten, die ansluut bij oenze diepste vraogen en antwoorden wilt geven op oenze leste vraogen.

Zonder God te nuumen zingt hij toch overdat wat oens te boven giet, over wat oens ten diepste angiet en sommige teksten van Lohues zulden daorumme niet misstaon ien de Biebel.

“Niks is meer weerd as vandage” zul zomar ien het boekie Prediker kunnen staon. Ie weet wel, dat kleine geschriffie ien het Olde Testament, dat het veurtdurend hef over de ”ijdelheid van het leven”, over de veurbijgaonde tied en over de greens van de dood. Ie wordt er niet altied even vrolijk van, aj der ien leest en daorumme loopt veule meensen er misschien wel mit een grote boge umhen.

Mar ik vien het ook een vrolijk boekie.

Het wet van de gevaoren en de bedreigingen van oens bestaon, en de kwetsbaorheid van oens leven, mar juust daorumme speurt hij oens an um te genieten van elke dag, die God oens gef. Onder de zunne, zo voegt hij er vake an toe. Wi’j staon elke dag weer ien het locht van Gods vriendelijk angezicht.

Daniël Lohues hef ook een liedtie dat het “De wereld ien de zunne”en dat is ook precies zo as Prediker het vertelt.

 

Een tiedtie elene is er een onderzuuk edaone, naor de vroomheid van de meensen ien Drenthe.. En daor was het volgens de onderzuukers niet zo best mit gesteld..Er was veule ontkarkeling ien Drenthe en de meensen hadden weinig op mit de karke en het geleuf.

 

Ik zul toch wel wat vraogtiekens bi’j zo’n uutkomst willen zetten. De Drenten bint zeker niet a-religieus. Zi’j bint misschien minder betrokken bi’j het karkelijk reilen en zeilen, dat wil niet zeggen dat men ien Drente gien religieus gevuul hef. As dat zo zul wezen dan zulden de liedties van Lohues niet zo gewaardeerd worden. “Prachtig mooie dag: de wereld ien de zunne” lek zo op het eerste gezicht een vlakke tekst mar dat is het niet: Er sprek een grote waardering uut veur het geschenk van het leven en van iedere neije dag, precies zoas ook Prediker verwoordt.

En “Ëlk meens dat hef een kruus te dragen” komp ook niet zomar uut de lucht vallen, mar hef duudelijk wortels ien de Christerlijke traditie.

 

Natuurlijk is het niet altied gemakkelijk um vanuut dit perspectief te leven.Dat weet Prediker en Daniël Lohues ook wel: Het leven zit vol onvolkomenheden en onverwachtse wendingen en gebeurtenissen. Wi’j ervaart het elke dag:

Ie vuult wat ien oen rugge of ien oen boek,de dokter kek ernaor.Die vertrouwt het niet en ie moet naor het ziekenhuus veur naoder onderzuuk en dan is het of stiet oen hart stille as de scanmachine over oen lichaam gledt. Wat zul er ontdekt worden? Toch niks arnstigs? Hoop ie dan.

Of oen relaotie lop niet zo lekker:er is vake ofstandelijkheid of ruze. Zomar woorden vake over niks. Hoelange zul het nog kunnen deurgaon zo?

Of ie kiekt naor de wereld via TV en ie heurt het op de radio en ie heurt van allerlei problemen en rampen: Ie kunt er niks andoen mar het mak oe wel onrustig en ie denkt wordt het dan nooit aanders of beter? Komp er dan nooit een ende an?

 

Ie gaot oe zorgen maken over morgen en overmorgen. Ie probeert de gevaoren zoveul meugelijk te ontlopen of buuten de deure te holden. Oen leven kreg iets van sleur en de heugte- en diepetepunten gaon steeds meer ontbreken. Ie durft eigelijk niet goed meer te leven, alles wordt mat en leeg, um daj het veilig en overzichtelijk wilt holden.

Mar de Prediker, en ook oenze man uut Nazareth en ook Daniël uut Drenthe – zi’j koomt onverwachts mit een hiel aander idee: Geniet van iedere mooie dag, die God oe gef en wees vrolijk. Zomar oe ien de schoot eworpen.

Probeer iens te leven as de veugels ien de locht of as het graan op de akker en de bloemen op het veld. Die bint er zomar.

Veugels ien de locht, zomar nutteloos en doelloos hen en weer vliegend. En de bloemen op het veld, bint ze argens goed veur? Welnee. Zi’j staot er zomar mooi te wezen. Verder niks. Probeer zo iens te leven, al was het mar iene dag, of een uurtie, of iene seconde, dan hef de ieuwegheid oen hart bereikt en gef het oen leven een neije glaans en een neije kaans!

Probeer een beetie onder de zwaorte en de krampachtigheid uut te komen.

“Niks is meer weerd as vandage” dat is precies het evangelie dat Jezus oens anrek uut de Bergrede: God is er veur oe, zoas Hi’j er is veur de bloemen en de veugels.

Aj now denkt: “Lekker makkelijk” dan hei’j het nog niet echt begrepen, denk ik.

Aj denkt: “ö. Wat moeilijk! Dit kan nooit en het is ook onverantwoord” dan heijt ook nog niet goed begrepen. Dan vatte wi’j de woorden van Jezus teveule op as een Wet, as een plicht…..zo moeij leven, zo moeij het zien.

Nee, wat Jezus oens anrek is ëvangelie”, een wending die oens leven kan veraanderen, as wi’j er veur open staon en oens er deur laoten anraken.

Een kaans van oen leven, een kaans veur oen leven: now en elke dag opneij.

AMEN

dinsdag, 19 april 2016 12:41

De kerk op weg naar 2025 volgens het EW

Geschreven door

“Dichter bij God en meer ‘down to earth’”

 

Hans Maat, voorzitter van het Evangelisch Werkverband (EW) en Ilonka Terlouw, predikante en bestuurslid van het EW, laten in een artikel in Trouw van 19 april jl. hun licht schijnen op de veranderende positie van de kerk in de samenleving. Daarbij geven zij hun commentaar op de visienota van de PKN over de kerk van 2025.

Het EW is niet zo ‘mijn club’, maar het is goed, dat ook vanuit die hoek de problematiek van de kerk anno nu wordt belicht. De kerk van Christus bestaat nu eenmaal uit vele gelovigen en zij zingen niet allemaal hetzelfde liedje. En daarom is er ook verscheidenheid in visie op de toekomst van de kerk.

Wat beiden missen in het visiedocument van de PKN noemen zij de aandacht voor de Heilige Geest. Die wordt daarin amper genoemd, zo stellen zij vast.

Misschien hoeft dat ook helemaal niet, denk ik dan. Wij geloven van de Heilige Schrift dat die doorademd is van de Heilige Geest, maar dat betekent niet, dat die Geest ook op iedere bladzijde genoemd wordt. Helemaal niet – vaker niet dan wel. Zo kan het ook wel eens met dit visiedocument zijn: het feit dat dit geschrift er is, waarin men zoekt naar wegen, waarlangs de kerk kan gaan, is voluit werk van de Geest. Dat is misschien wel het grote misverstand, dat men denkt, dat er pas sprake is van Geestkracht als dat er ook telkens expliciet bij vermeld wordt. Niks nodig, dunkt mij: de Geest waait waarheen zij wil en niemand weet precies vanwaar en waarheen. Dat hoort typisch bij de Geest. Onzichtbaar present, zoals een fotograaf als afwezige aanwezig is op iedere foto (geldt niet voor selfie’s natuurlijk J).

Maat en Terlouw leggen terecht de vinger bij de onvruchtbare vergadercultuur in de kerk en de al te vaste patronen in kerkdiensten, die best gevarieerder zouden mogen. Er zijn meerdere smaken en die moet je als kerkgemeenschap tot hun recht laten komen en honoreren.

Ook willen zij beiden preciezer uitgedrukt zien, wat nu eigenlijk “back to basics” betekent, waarover de visienota schrijft. Voor hen zit dat vooral in het accent op een persoonlijke relatie met God, die liefst een grote mate van diepgang moet hebben en zo kan die persoon een belangrijke functie vervullen in zijn/haar eigen netwerk. Hier verschuift m.i. de centrale aandacht van Christus naar de gelovige mens, die als een soort baken in zee de gemeente kan sturen en verder helpen. Hier wordt m.i. de gelovige mens niet alleen overvraagd, maar gaat ook het geloof van de mens een belangrijker rol spelen dan het geloof in Christus, die het Hoofd is van zijn Kerk. Leiderschap van gelovigen met een plusje leidt vaak tot teleurstellingen en soms tot tirannie.

Ook de nadruk, die beiden op het gebed leggen als ‘middel’ om gemeenteopbouw te bevorderen vind ik wel vroom klinken, maar lijkt mij ook meer passen bij ‘pinkstergelovigen’ dan bij ‘nuchtere protestanten’. “Een kerkenraad nam echt de tijd om te bidden en te luisteren. Om de gedachten op te schrijven, die ze naar boven (of: naar beneden?) hoorden komen. Ja , zo moet het: Hem laten spreken!”

Ik heb zo mijn aarzelingen bij dit soort vormen van gebed, waarbij een rechtstreeks antwoord van Boven meteen de weg gaat wijzen. Niet iedereen zal hetzelfde antwoord krijgen en dan zal er uiteindelijk toch vergaderd moeten worden, wat de juiste weg zou kunnen zijn. Kortom, dit soort aanbevelingen bezorgen mij vooral kromme tenen en koude rillingen en dat verklaart ook meteen waarom ik geen lid ben (noch zal worden) van het EW.

Ik ben benieuwd welke koers de synode inslaat, nadat al deze en andere geluiden gehoord zijn en dat zij uiteindelijk zal mogen concluderen: “Het heeft ons - en de Heilige Geest - goed gedacht deze en andere plannen te gaan ontwikkelen en uitvoeren”.

woensdag, 13 april 2016 15:21

Wie was Gerardus Kuypers?

Geschreven door

Gerardus Kuypers

 

Tijdens het laatste Tafelgesprek op 12 april jl heb ik iets verteld over de Nijkerker beroeringen en de beslissend rol van Gerardus Kuypers daarin. In breder en actueler verband zou je kunnen zeggen, dat het hier gaat om de plaats en functie van de emotie in het geloof(sleven) en de kerk(dienst).

 

 

GERARDUS KUYPERS (1722-1798)

Mijnsheerenland 11 okt. 1722, † Groningen 5 juni 1798, zv. François Kuypers, pred., en Anna Onderdewyngaard. Stud. theol. Leiden 1739. Geref. hulpprediker Amsterdam 1744. Geref. predikant Jutphaas 1745, Nijkerk 1749, Winschoten 1759, Scheemda 1760. Hoogl. theol. en academieprediker Groningen 1765. Gehuwd met Anna Catharina Huysinkvel(d)t op 28 apr. 1748 te Woudrichem. Na haar overlijden opnieuw gehuwd met Josina Petronella Alberda (1724-1804) (weduwe van A.E. Sichterman) op 16 dec. 1759. Zoon Christiaan François Kuypers (1752-1798) was geref.predikant, laatst in Wolphaartsdijk.

Levensloop
G. Kuypers trad in de voetsporen van zijn vader door predikant te worden. Daartoe volgde hij de studie theologie aan de universiteit van Leiden, waar hij o.a. les kreeg van de befaamde A. Schultens. Onder diens leiding verdedigde hij in 1743 zijn dissertatio, waarin hij het belang van de studie van het Arabisch aantoonde. Zijn theologische scholing ontving hij van prof. J. van den Honert. Studiegenoten waren o.a. J.E.J. Capitein, P. Chevallier, J. Schultens en Joh.J. Heringa.
Na een jaar hulpprediker geweest te zijn in Amsterdam nam hij het beroep aan naar Jutphaas. In 1749 vetrok hij naar Nijkerk, waar zich bijzondere gebeurtenissen gingen afspelen, die bekend zijn geworden onder de benaming ‘Nijkerker beroeringen’ (zie aldaar). De discussie over de betekenis en waarde van deze gemoedsuitingen werd breed uitgemeten in de pers en andere publicaties. Na enkele jaren keerde de rust weer.
In 1759 vertrok Kuypers naar het Noorden des lands, toen hij een beroep aannam naar Winschoten en een jaar later naar Scheemda. Mede door zijn huwelijk met een telg uit het invloedrijke geslacht Alberda kwam hij in aanmerking voor een benoeming als hoogleraar aan de hogeschool te Groningen als opvolger van D. Gerdes. Zijn vriend en studiegenoot Paulus Chevallier doceerde hier ook. Van 1765 tot aan zijn dood heeft hij deze functie bekleed.
In de jaren 80 begon Kuypers zich kritisch uit te laten over het functioneren van de stadhouder Willem V en toonde hij openlijk sympathie voor de ideeën van de patriottenbeweging. Hij noemde zichzelf graag christen-patriot. Kuypers overleed in 1798 en werd geprezen om zijn vroomheid en vriendelijkheid door de rector Thomassen à Thuessink.

Geschriften
De geschriften van Kuypers zijn onder te verdelen in wetenschappelijke publicaties, gelegenheidsgeschriften en homiletisch werk. Een volledig overzicht is te vinden in C. Huisman’s Geloof in beweging. Gerardus Kuypers, pastor en patriot tussen vroomheid en Verlichting (Zoetermeer 1996), pp. 202-204.
Als vertegenwoordiger van de Nadere Reformatie kan hij zeker aangemerkt worden, m.n. wanneer men let op zijn rol en houding inzake de Nijkerker beroeringen. Zijn publicaties in die periode geven er blijk van, dat Kuypers open stond voor het werk van de Heilige Geest in de bekering en vernieuwing van mensen, wat zich kon uiten in heftige gemoedsbewegingen. Zie vooral zijn Getrouw verhaal en apologie. Hierover meer onder * Nijkerker beroeringen. Er zijn enkele preken van Kuypers gepubliceerd, die duidelijk ingaan op de politieke situatie in de Republiek, o.a. De Christen Patriot.

Betekenis
Kuypers heeft zijn bekendheid en betekenis vooral te danken aan zijn betrokkenheid bij de Nijkerker beroeringen. Zijn prediking sloeg dermate aan, dat sommigen hevig geëmotioneerd
raakten en meer zekerheid zochten betreffende hun zielenheil. Kuypers hield de mogelijkheid open, dat de Heilige Geest op deze wijze de gemeente verlevendigde en tot meer geloofszekerheid bracht. Kuypers verdedigde het goed recht van de emotie en kan in die zin als een vertegenwoordiger van het piëtisme worden beschouwd. Hij zag de ‘aandoeningen’ niet zozeer als een voorwaarde tot het verkrijgen van het behoud, maar wel als een mogelijk kenmerk van een waar geloof, evenwel geen noodzakelijk kenmerk.
In de traditie van de NR is zijn sympathie voor de patriottenbeweging uniek te noemen.
Literatuur BLGNP, deel 5; C. Huisman, Geloof in beweging. Gerardus Kuypers, pastor en patriot tussen vroomheid en Verlichting (Zoetermeer 1996); J. Spaans (red.), Een golf van beroering. De omstreden religieuze opwekking in Nederland in het midden van de achttiende eeuw (Hilversum 2001); J. Fekkes in: Een veelzijdige verstandhouding (2007).