Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Ook plaats ik hier korte inleidingen of publicaties (in het kerkblad), een vertaalde preek van Paul Tillich en andere beschouwingen. U wordt uitgenodigd om ook daarop te reageren.

Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

Blog

Blog (118)

woensdag, 13 april 2016 15:21

Wie was Gerardus Kuypers?

Geschreven door

Gerardus Kuypers

 

Tijdens het laatste Tafelgesprek op 12 april jl heb ik iets verteld over de Nijkerker beroeringen en de beslissend rol van Gerardus Kuypers daarin. In breder en actueler verband zou je kunnen zeggen, dat het hier gaat om de plaats en functie van de emotie in het geloof(sleven) en de kerk(dienst).

 

 

GERARDUS KUYPERS (1722-1798)

Mijnsheerenland 11 okt. 1722, † Groningen 5 juni 1798, zv. François Kuypers, pred., en Anna Onderdewyngaard. Stud. theol. Leiden 1739. Geref. hulpprediker Amsterdam 1744. Geref. predikant Jutphaas 1745, Nijkerk 1749, Winschoten 1759, Scheemda 1760. Hoogl. theol. en academieprediker Groningen 1765. Gehuwd met Anna Catharina Huysinkvel(d)t op 28 apr. 1748 te Woudrichem. Na haar overlijden opnieuw gehuwd met Josina Petronella Alberda (1724-1804) (weduwe van A.E. Sichterman) op 16 dec. 1759. Zoon Christiaan François Kuypers (1752-1798) was geref.predikant, laatst in Wolphaartsdijk.

Levensloop
G. Kuypers trad in de voetsporen van zijn vader door predikant te worden. Daartoe volgde hij de studie theologie aan de universiteit van Leiden, waar hij o.a. les kreeg van de befaamde A. Schultens. Onder diens leiding verdedigde hij in 1743 zijn dissertatio, waarin hij het belang van de studie van het Arabisch aantoonde. Zijn theologische scholing ontving hij van prof. J. van den Honert. Studiegenoten waren o.a. J.E.J. Capitein, P. Chevallier, J. Schultens en Joh.J. Heringa.
Na een jaar hulpprediker geweest te zijn in Amsterdam nam hij het beroep aan naar Jutphaas. In 1749 vetrok hij naar Nijkerk, waar zich bijzondere gebeurtenissen gingen afspelen, die bekend zijn geworden onder de benaming ‘Nijkerker beroeringen’ (zie aldaar). De discussie over de betekenis en waarde van deze gemoedsuitingen werd breed uitgemeten in de pers en andere publicaties. Na enkele jaren keerde de rust weer.
In 1759 vertrok Kuypers naar het Noorden des lands, toen hij een beroep aannam naar Winschoten en een jaar later naar Scheemda. Mede door zijn huwelijk met een telg uit het invloedrijke geslacht Alberda kwam hij in aanmerking voor een benoeming als hoogleraar aan de hogeschool te Groningen als opvolger van D. Gerdes. Zijn vriend en studiegenoot Paulus Chevallier doceerde hier ook. Van 1765 tot aan zijn dood heeft hij deze functie bekleed.
In de jaren 80 begon Kuypers zich kritisch uit te laten over het functioneren van de stadhouder Willem V en toonde hij openlijk sympathie voor de ideeën van de patriottenbeweging. Hij noemde zichzelf graag christen-patriot. Kuypers overleed in 1798 en werd geprezen om zijn vroomheid en vriendelijkheid door de rector Thomassen à Thuessink.

Geschriften
De geschriften van Kuypers zijn onder te verdelen in wetenschappelijke publicaties, gelegenheidsgeschriften en homiletisch werk. Een volledig overzicht is te vinden in C. Huisman’s Geloof in beweging. Gerardus Kuypers, pastor en patriot tussen vroomheid en Verlichting (Zoetermeer 1996), pp. 202-204.
Als vertegenwoordiger van de Nadere Reformatie kan hij zeker aangemerkt worden, m.n. wanneer men let op zijn rol en houding inzake de Nijkerker beroeringen. Zijn publicaties in die periode geven er blijk van, dat Kuypers open stond voor het werk van de Heilige Geest in de bekering en vernieuwing van mensen, wat zich kon uiten in heftige gemoedsbewegingen. Zie vooral zijn Getrouw verhaal en apologie. Hierover meer onder * Nijkerker beroeringen. Er zijn enkele preken van Kuypers gepubliceerd, die duidelijk ingaan op de politieke situatie in de Republiek, o.a. De Christen Patriot.

Betekenis
Kuypers heeft zijn bekendheid en betekenis vooral te danken aan zijn betrokkenheid bij de Nijkerker beroeringen. Zijn prediking sloeg dermate aan, dat sommigen hevig geëmotioneerd
raakten en meer zekerheid zochten betreffende hun zielenheil. Kuypers hield de mogelijkheid open, dat de Heilige Geest op deze wijze de gemeente verlevendigde en tot meer geloofszekerheid bracht. Kuypers verdedigde het goed recht van de emotie en kan in die zin als een vertegenwoordiger van het piëtisme worden beschouwd. Hij zag de ‘aandoeningen’ niet zozeer als een voorwaarde tot het verkrijgen van het behoud, maar wel als een mogelijk kenmerk van een waar geloof, evenwel geen noodzakelijk kenmerk.
In de traditie van de NR is zijn sympathie voor de patriottenbeweging uniek te noemen.
Literatuur BLGNP, deel 5; C. Huisman, Geloof in beweging. Gerardus Kuypers, pastor en patriot tussen vroomheid en Verlichting (Zoetermeer 1996); J. Spaans (red.), Een golf van beroering. De omstreden religieuze opwekking in Nederland in het midden van de achttiende eeuw (Hilversum 2001); J. Fekkes in: Een veelzijdige verstandhouding (2007).

woensdag, 23 maart 2016 14:21

Passie, Pasen en Brussel

Geschreven door

PASSIE, PASEN EN BRUSSEL

 

Als het kruis hoog wordt opgericht vervult ons dat met huiver en weerzin. Zo waren de manieren van de Romeinen, zo rekenden zij af met lieden, die subversief waren, met lui die gezagsondermijnend bezig waren en het Romeinse gezag tartten. Kijk maar goed: zo loopt het dan met je af!

Machthebbers de eeuwen door, ideologieën, terreurbewegingen in alle vormen en gedaanten – zij hanteren allemaal hetzelfde model: onze tegenstanders moeten met geweld uitgeschakeld worden. Wat met Jezus gebeurde is met velen vóór en na hem gebeurd. In Brussel gebeurde hetzelfde: onschuldige mensen geslachtofferd voor een machtswaan, een idee, een streven.

Jezus had zijn vrienden kunnen aansporen om wraak te nemen op zijn onschuldige dood. Hij had de machthebbers kunnen uitdagen, kunnen vervloeken en een verzetsleger op de been zien te krijgen. Maar dat doet hij allemaal niet. Wat hij doet is het ‘op zich nemen van het kruis’ en hij bidt om vergeving voor hen, die hem dit aandeden: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.

Dat is ongelofelijk sterk van deze man op zijn zwakste moment! Daarmee doorbreekt hij de spiraal van geweld en opent een nieuwe weg, die van verzoening en elkaar in de ogen zien.

Dit Koninkrijk van God is niet van deze wereld, staat haaks op vergelding en bruut geweld, maar als mensen zich laten inspireren door wat hij deed en zei dan zou dat de wereld ten goede kunnen komen. Misschien heel klein en kwetsbaar eerst, maar op den duur...

Wij vieren het Paasfeest binnenkort. Temidden van een wereld, die onveilig is en bedreigd wordt en deze situatie – en ik doel nu vooral op de aanslagen in Brussel van 22 maart – werpt haar schaduw over hoe wij Pasen graag willen vieren: onbezorgd en vrolijk, ongehinderd en ‘alles koek en ei’. Maar goed beschouwd vieren wij het Paasfeest altijd in een wereld, die in vuur en vlam staat en waar de dingen niet in orde zijn en de mensen uitzien naar vrede, die er niet is. Het evangelie van Pasen is als een oproep om deze Godvergeten wereld te omhelzen als Gods wereld, omdat de door God verlatene Zijn beminde is, die leven zal, ook al is hij gestorven. Pasen vieren terwijl alles in orde is lijkt aantrekkelijker, maar de kern en de draagwijdte van het evangelie zullen ongetwijfeld inboeten aan zeggingskracht en impact, terwijl het bovendien een illusie is te denken ooit te leven in een probleemloze tijd. Feesten – ook de bijbelse – zijn juist bedoeld om de sores van alledag even te vergeten en/of in een ander licht te plaatsen.

Wel is het natuurlijk zo, dat in de ene of andere tijdsperiode je je persoonlijk meer betrokken kunt voelen bij wat er in de wereld of de nabije omgeving gaande is. Het treft ons in sterkere mate wanneer een bom ontploft op een vliegveld in Brussel dan wanneer dat gebeurt in Istanbul, hoewel het voor de betrokkenen en de naastbestaanden even afschuwelijk is. Maar zodra gevaar of onheil dichterbij komt (ook qua geografische afstand) voelen wij ons er meer bij betrokken en kunnen ook wijzelf ons bedreigd en onveilig gaan voelen. Zal het Paasfeest dat wij gaan vieren ons bevend hart dan tot bedaren brengen of ons misschien ook juist aanzetten tot opstandige daadkracht?

Dat juist in tijden van crisis en onheil het uitzien naar een God, die van Hogerhand ingrijpt, verhevigt – of ook juist op de proef wordt gesteld – is begrijpelijk, maar we moeten ons dan tegelijkertijd afvragen of we dan nog wel de God van Pasen op het oog hebben. De God van Pasen is een God van passie, van solidariteit, van nabijheid in het lijden, van hoop, van machteloosheid, maar die niettemin zijn kracht in díe zwakheid volbrengt. In de diepte wordt zijn aanwezigheid vermoed en aanschouwd soms, in de verlatenheid betoont Hij zich de Nabije. Zijn Almacht, als wij die willen blijven belijden, is geen brute, onvoospelbare inwerking op de gewone loop der dingen, maar eerder een lokkende, zachte kracht, die ons oproept tot betrokkenheid en mededogen voor wie in nood zijn en hulp behoeven. Gods almacht is de almacht van de liefde, de kracht van een omhelzing, de niet te ontlopen zeggingskracht van een blik, die ons liefdevol (of) vragend en vergevend aanziet. Die almacht van God kan ons breken en (nieuw) maken! Pasen verbind ik daarom eerder met het zich voorzichtig oprichtende krokusje dan met luidruchtige fanfares, eerder met zachte krachten dan met bruut geweld. Geloof en geweld zijn sowieso water en vuur, of het nu om wapengekletter of om geestelijke overrompeling gaat. Dat heeft Pasen ons wel duidelijk gemaakt: “De zachte krachten zullen zeker winnen, in ’t eind...”

woensdag, 16 maart 2016 12:51

Swedenborg over Gods leiding in ons leven

Geschreven door

“Geleid worden door de Heer? Enkele spirituele vragen om jezelf te stellen”

door Morgan Beard

 

 Beslissingen nemen is vaak lastig. Vragen als “wat eten we vanavond?” of “wat zal ik vandaag aantrekken” zijn nog wel te doen, maar het wordt moeilijker als vragen aan de orde komen als “zal ik ingaan op dat aanbod om een nieuwe baan te nemen of zal ik bij mijn oude baas blijven?” Of: “Wil ik de rest van mijn leven samen doorbrengen met deze persoon?” “Hoe ga ik om met een conflict dat mijn gezin verscheurt?”

Op zulke momenten zou je wel willen, dat er zoiets als goddelijke leiding was. Nu is het zo, dat Emmanuel Swedenborg in feite veronderstelt, dat God ons inderdaad door ons dagelijks leven heengidst.

Bijv.: Vrede bevat in zichzelf vertrouwen op de Heer, een vertrouwen dat Hij alle dingen bestuurt en in alles voorziet en dat Hij alles tot een goed einde zal brengen. Als we dat van Hem geloven dan zijn wij ‘in vrede’ met onszelf, omdat we niets vrezen en niets wat ons kan overkomen maakt ons dan onrustig. In hoeverre we deze toestand kunnen bereiken hangt ervan af, hoever we komen met onze liefde tot de Heer. Al het slechte, m.n. vertrouwen op onszelf, berooft ons van deze toestand van vrede in en met onszelf (Secrets of Heaven, par. 8455).

Het is heel mooi zo’n gevoel van vrede en vertrouwen te hebben, maar in tijden van crisis en besluiteloosheid zouden we wel iets bijzonders en duidelijkers willen vernemen. Een richtingwijzende tekst bijv. als een wegwijzer wellicht: “De rest van je leven is - die kant op!” Maar omdat zulke aanwijzingen er niet zijn, is er dan misschien iets anders, waar we leiding uit kunnen afleiden?

Swedenborg schrijft op vele plaatsen van zijn werken over het open-zijn voor goddelijke leiding, maar in zijn Divine Providence wijdt hij er een hoofdstuk aan (par. 154-174) en beschrijft hij enkele methoden, die God gebruikt om ons te leiden. Swedenborg zegt, dat we vanaf het moment dat we geboren worden deel uitmaken van het goddelijke en daarom kunnen wij in principe geleid worden door Gods liefde en wijsheid, zelfs als we er later voor kiezen om dat te verwerpen (par. 164). Maar hoe meer wij God liefhebben des te meer vloeit Gods presentie in ons en die leidt ons in een proces, dat Swedenborg verlichting noemt.

Maar hij beschrijft nog een andere weg, waardoor God mensen leidt, d.i. door het Woord. “Lees de Bijbel” klinkt wel een beetje als het goedbedoeld advies van een vroom christen, maar voor Swedenborg is het Woord meer dan alleen maar de letterlijke tekst van de Bijbel; het bevat een diepere, innerlijke betekenis, die in wezen precies gaat over wat het betekent te leven en te groeien als een ‘geestelijk mens’: “Het Woord betekent alles wat goddelijk en waar is en dat komt van God en van het goede, m.a.w. de goddelijke wijsheid komt voort uit de goddelijke liefde” (Divine Providence, par. 172-3).

Hij zegt dan verder: De enige manier, waarop het Woord onderwezen kan worden, is indirect, door onze ouders, leraren, predikers, en door boeken te lezen. En toch zijn niet zij het die ons onderwijzen: de Heer gebruikt hen alleen maar als middelen. Predikers weten dat zelf ook heel goed, Zij zeggen ook, dat zij niet uit zichzelf spreken, maar uit de Geest van God en dat al het ware evenals al het goede bij God vandaan komt. Zij kunnen spreken tot het verstand van velen en velen zelfs overtuigen, maar zij kunnen niet iemands hart raken. En wat niet in het hart landt houdt ook geen stand in ons denken. (Divine Providence, par 172, 6).

Dit citaat bevat een belangrijk stukje van de puzzle, namelijk ‘liefde’. “Alleen wat in het hart (blijvend) binnenkomt is blijvend, als het alleen ons verstand raakt, verdwijnt het uiteindelijk uit onze gedachten ” betekent, dat zelfs wanneer we een geweldig stuk wijsheid horen, we het niet werkelijk horen, tenzij ook de liefde van en tot God in ons hart er als klankbodem is. Als we God (het goddelijke) niet liefhebben en de liefde tot andere mensen niet omhelzen (wat kenmerkend is voor het goddelijke), dan kunnen we niet geleid worden (door God).

Dus als we het Woord beschouwen als een aardse vertegenwoordiging van Gods liefde en wijsheid en als zijn lessen kunnen worden uitgedrukt door mensen, die wij kennen, dan betekent goddelijke leiding ontvangen niets anders dan aandacht schenken aan alle leraars rondom ons. Misschien spreekt God wel iedere dag tot ons door de mensen, die wij ontmoeten, door de lessen die wij van het leven zelf leren.

Hoe kan dit ons op een praktische manier helpen? Als geleid worden door de Heer betekent geleid worden door de liefde dan is het antwoord op bijna iedere vraag in het leven “Waar zou de liefde mij leiden om te doen?” Het antwoord op de vraag over dat aanbod van een nieuwe baan kan dan worden “Welke baan zou het beste zijn voor de meeste mensen?” Als de vraag is “Waar vind ik een goede relatie?” dan kan het antwoord zijn “Waar vind ik iemand, die in dezelfde dingen plezier beleeft als ik doe?”

Waar zou de liefde jou heenleiden, denk je?

 

vrijdag, 04 maart 2016 09:37

Veertig dagen in vieren (2)

Geschreven door

Veertig dagen in vieren (2e deel)

 

Dag 11

“Nu staan we weer op de begane grond, onder de berg. Het is de dag na de verheerlijking. Het leven in de wereld heeft iets druilerigs, de opgetogenheid is over. Waar wij vertoeven, aan de voet van de heiligheid, op voet van gelijkheid, past wel het gebed van Daniël, wanneer hij zegt, bij God op God aandringt: het is geen gezicht, de aarde zonder epifanie. Gij moet verschijnen. Er is verwoesting, erosie, zonsondergang” (Willem Barnard, “Stille Omgang”, pp. 128, 129).

Dag 12

Vandaag begint met Psalm 27: 1 ‘De Heer is mijn licht en mijn heil’. Het zijn altijd dezelfde woorden. Woorden die hunkeren naar schepping. ‘Licht’ is het inbegrip van Gods bemoeienis, het is het allereerste woord dat werd gesproken, het principe van alwat scheppende gedaan wordt. En ‘heil’, dat is ruimte en vrijheid, het is de taalstam waar de naam Jozua/Jezus aan ontbloeit.

‘Quem timebo?’ staat er achter: ‘Voor wie zou ik vrezen?’ ‘U, Heer! Ik kan niet bestaan voor U. Tenzij ik accepteer, dat Gij, die ik vrees als een duister onheil, mijn licht zijt en mijn heil’ (Willem Barnard, “Stille Omgang”, pp. 137-139).

Dag 13

Op deze woensdag stelt het oude brevier voor om een gedeelte uit het boek Esther te lezen en dan m.n. uit H. 13 – het behoort tot de apocriefe aanhangsels en is niet opgenomen in ‘onze’ Bijbel (wel in de uitgebreidere r-k editie van de Bijbel). Dat zgn. gebed van Mordechai heeft een smekende klank, maar de klachten van dat klaaggebed worden niet in het wilde weg geuit. “Het is ook niet explosief, de woorden worden niet als brokken alle kanten op geslingerd. Het is een soort bidden dat argumenteert en pleit. Eerst wordt er een beroep gedaan op het scheppingsbesluit: Gij hebt hemel en aarde gemaakt. Dat schijnt zich niet zozeer te beroepen op macht en mogendheid, als wel op gezindheid en welwillendheid. Gij wilt niet het niets!” (Willem Barnard, “Stille Omgang”, pp. 140, 141).

Dag 14

Onverwachts belanden we met de arme Lazarus in Abraham’s schoot, zoals we kunnen lezen in Lukas 16, de lezing van deze dag. In de vastentijd houden wij een gespannen blik op de Paasnacht, waarin gedoopt wordt en de Maaltijd gevierd. In Abraham’s schoot vertoeven is thuiskomen! De gedoopte krijgt het gewaad van de rijke, maar ook de tafel komt ter sprake. “Eten en kleding, feesttafel en feestgewaad, het is de droom van alle hongerlijders, lompendragers, bedelaars en paria’s. Het is ook de droom van de gelovigen, namelijk zo, dat het leven op aarde omwille van dit Paasgeheim zinvol is, namelijk dat het mysterie van de Messias alles meer waarde, grotere betekenis geeft”. (Willem Barnard, “Stille Omgang”, pp. 144, 145).

Dag 15

Op vrijdag en zaterdag worden twee verhalen uit Genesis gelezen over twee broers: eerst over Juda (oudste) en Jozef en dan over Jacob en Ezau (oudste). “Het lijdt geen twijfel, dat de oude kerk in Jozef een beeld zag van de Messias. Diens neerdaling ‘ad infernos’ (ter helle, in de diepte) werd voorafgebeeld in Jozefs neerdaling in de put. Het prinselijk gewaad en de vorstelijke messiaswaardigheid deden aan elkaar denken. Jozef in zijn ‘veelvervige rok’ is (voor ons pedagogisch besef een verwende dandy) voor het christelijk-theologische besef het beeld van de zondagsmens: de ‘nieuwe mens’, zou Paulus zeggen...” (Willem Barnard, “Stille Omgang”, pp. 146-149).

Dag 16

Gisteren meldde ik al, dat het deze dagen over tweetallen gaat, jongste en oudste zoon en dat zet zich voort in de gelijkenis van de ‘verloren zoon’, waarin ook sprake is van twee broers. Het gaat er niet om in wie wij onszelf herkennen of wie nu het beste af is, maar het gaat “om de verhouding van die twee, die altijd, van den beginne der mensengeschiedenis aan, met zijn tweeën zijn. Het gaat om Kain èn Abel, om Israel èn Isaäk, om Ezau én Jacob. Maar het zijn hier in het evangelie twee zonen zonder naam, de een en ‘de ander’. Het is een gelijkenis en dát alleen al, dat de geschiedenis gelijkenis wordt, wijst op de voortgaande beweging in de voortgang, dus op de waakzaamheid die wordt gevergd” (Willem Barnard, “Stille Omgang”, p. 151).

Dag 17

In deze dagen kiest het oude brevier voor lezingen waarin vrouwen domineren (!), waarschijnlijk om ons alvast voor te bereiden op hun belangrijke rol tijdens de laatste dagen van Jezus’ leven op aarde.

N.a.v. de Samaritaanse vrouw (Joh. 4) met wie Jezus een gesprek heeft over water en dorst merkt Barnard op, dat hij daar eens een versje van gemaakt heeft. Ik citeer het hier:

“Dit, Heer, is het gebed voor alle dorst.

Wees met uw kerk, die met uw water morst.

Wees met de vele dichtgeschroeide kelen

en met de monden die niet kunnen velen,

dat Gij U uitput in hun lafenis.

Graaf in ons hart zo diep te graven is,

tot Gij stuit op Uw leven en Uw dood

en leg de stromen van Uw oorsprong bloot,

opdat wij leren leven en verstaan

dat Gij met ons tot een begin wilt gaan”.

(Willem Barnard, “Stille Omgang”, p. 156).

Dag 18

De Paasgemeente is niet zomaar (hetzelfde als) de kerk. Het is toch dat genootschap niet waarvan ik lid ben? Dat vergadert en praat en doet nuttige dingen en legt beslag op wat vrije tijd en vergt wat bijdragen. Maar dat is toch geen Lichaam? Het kent geen verrukkingen, geen steigerende vreugde – omdat het de ernst en de angst ontwijkt. En het heeft daarom geen recht van spreken, want het weet van geen blijdschap, die zingt. Kon die zogenaamde kerk maar zingen, dan kon ze spreken. Nu praat zij, kortademig en ondiep.

Het bezielende moment is de liturgie, dat wil zeggen het Leven van de liturgie, d.i. van het Woord in Taal en Teken, dwars tegen onze tijd in. Ten bate van de mensen nu en straks. (Willem Barnard, “Stille Omgang”, pp. 163, 164).

Dag 19

“...in de leegte zal het allemaal opnieuw beginnen. In de ontkenning van het bestaande, de uitwissing van het gewordene. Daarom veegt Hij alles van tafel (Matth. 18). De gewoonten waren wisselgeld geworden. De leefregels ergerden Hem zoals het geld op de tafeltjes der wisselaars. In de tempel paste dat niet. De woorden van het evangelie vandaag zijn als een bezem. Hij is altijd weer nieuw en Hij veegt schoon. Hij vaagt onze optrekjes waarin wij schuilen weg...daarin lijkt Hij op onze anarchisten. Maar Hij wil een koninkrijk, geen vrijstaat. Hij maakt de tijd onherbergzaam omdat Hij de eeuwigheid wil vestigen. Hij schaft af, omdat Hij schept!” (Willem Barnard, “Stille Omgang” pp. 165, 166).

Dag 20

In Lukas 4 krijgen wij te horen, dat Jezus predikte in de synagoge, ja hij verkondigde om het precies te zeggen. “Binnen de muren van het heilige huis weerklinken de oude woorden, maar zij vinden geen weerklank. Hoewel er toch met kracht gesproken is. Wie zou niet een teospraak van deze rabbi willen horen? Zijn stijl van preken wordt trouwens verkondigen genoemd. Hij kondigt af, hij kondigt aan, dat is geen abstracte uiteenzetting geweest. Maar de respons komt van buiten. En niet van de mensen, want die zetten het verkondigde naar hun hand.

De gematigde godsdienst wekt geen tegenspraak, de vrijblijvende religie wordt niet vervolgd. Maar de opstand tegen het kwaad, de onvrede met het algemeen aanvaarde, die wekt wrevel. De demonen voelen zich bedreigd!” (Willem Barnard, “Stille Omgang”, pp. 166, 167).

zondag, 28 februari 2016 11:18

Waar zijn de vijgen?

Geschreven door

Preek(je) gehouden op de 3e zondag in de Veertigdagentijd 28 februari 2016 in de Oude Kerk n.a.v. Lukas 13: 6-9, waarna de Maaltijd van de Heer gevierd werd.

 

Waar zijn de vijgen?

 

In de wijngaard staat een boom, een vijgenboom. Hij valt wel op temidden van alle wijnranken. Hij steekt er een beetje bovenuit. Hij voelt zich ook anders, heel anders. Hij is bijzonder, dat zie je meteen.

Waarom ben ik er eigenlijk?, zo vraagt hij zich af. En wat doe ik hier eigenlijk? Wat is mijn taak? Of sta ik hier alleen maar voor de sier, voor het mooi?

En dan staat er ineens iemand bij de boom, met een stok in zijn hand, en hij vraagt aan de boom: hoe heet jij eigenlijk? De boom antwoordt keurig volgens het boekje en zegt: ‘vijgenboom’. Okay, zegt de man met de stok, ik zal eens kijken en hij kijkt goed naar de stam en naar de bladeren. Die lijken allemaal verrekt veel op die van een vijgenboom. Maar dan gaat hij verder met zijn onderzoek, tilt nog eens wat bladeren en takken omhoog en tuurt of hij ergens een vijg bespeurt. Nee, geen één...en hij zegt tegen de vijgenboom. Ben jij eigenlijk wel een vijgenboom? Of lijk je alleen maar op een vijgenboom? Want ben je niet pas echt een vijgenboom, als je ook vijgen aan je takken hebt hangen?

 

Ik ben een vijgenboom en ik sta midden in de wereld, midden in Gods wijngaard en iemand vraagt mij: hé, jij staat daar wel, maar waar zijn jouw vijgen? Hoe laat je zien, wie je bent? Hoe merken anderen, dat je bijzonder, anders bent? Je denkt misschien zelf, dat je een hele piet bent en je bladerdek is vol en wijds, maar wat heb je aan een vijgenblad, behalve dat je er iets mee kunt bedekken, wat je liever niet wilt laten zien? Speel je liever verstoppertje en ben je misschien bang voor de inspecteur?

De kerk is een vijgenboom, de gemeente van Christus in de wereld en in Meppel is een vijgenboom en zij staat daar fier en trots op het Marktplein, hier en daar. Hé, hoge boom, je staat daar al eeuwen en decennia, maar laat eens zien, wat je voortgebracht hebt? Verstop je je achter je tradities, achter je omvang, achter je vanzelfsprekende presentie, je uitgroei en je uitwassen? Ik kom eens even kijken onder je bladerdek...is er nog een vijg te bespeuren? Kunnen andere mensen van je opbrengst leven? Is jouw bestaan een bron van leven en voeding voor anderen of sta je daar alleen maar wat in de wind te wiegen en jezelf te kietelen?

 

Dan zegt iemand: nou, die boom kunnen we net zo goed omhakken. De beuk d’rin! Dat hoor en zie je overal: met de kerk gaat het bergafwaarts; het is één grote afbraak en teloorgang. Zo gaat dat met kerken, die er alleen maar voor zichzelf zijn; die misschien wel imposant lijken, maar weinig te bieden hebben, niets opbrengen.

Godzijdank is er iemand in deze wereld gekomen, die ons geleerd heeft geduldig te zijn, barmhartig en hoopvol. Die gezegd heeft: geef die vijgenboom nog een kans. Ik zal er nog eens wat omheen spitten, zodat hij zich wat steviger kan wortelen. Hij heeft wat verdieping nodig, zodat zijn wortels dieper reiken en raken aan de bronnen van het leven.

Hoe zou een gemeente kunnen blijven bestaan als zij zich nooit verdiept in haar bronnen, waaruit zij moet leven? Pas dan zal zij vrucht voortbrengen en er zijn voor de ander.

En een beetje mest eromheen kan ook geen kwaad. Laat ik het zo zeggen: een kerk, en ook wijzelf, zullen niet zonder ‘shit’ kunnen groeien! Natuurlijk hebben we allemaal de schurft aan ‘shit’, maar niemand komt er onderuit en we krijgen er allemaal een portie van. En soms zie je dan gebeuren, dat onze levensboom er door gaat groeien en bloeien. De verdieping en de mest gaan samen op en zorgen uiteindelijk samen voor vruchten aan de boom, vijgen aan de vijgenboom.

De tuinman ziet niets liever dan dat wij vrucht dragen en zó iets betekenen voor anderen.

Dank u wel, tuinman, dat U ons nog even laat staan en dat U ons nog kansen biedt om te groeien en te bloeien en vrucht voort te brengen. Deze samenkomst en de viering van de Maaltijd zijn daar het zichtbare bewijs van. Als wij allen dat zó mogen zien en beleven dan begint deze gelijkenis wortel te schieten in de werkelijkheid van het leven van alledag.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

dinsdag, 23 februari 2016 20:36

Veertig dagen in vieren

Geschreven door

Veertig dagen in vieren


Iedere dag tijdens de Veertigdagentijd plaats ik een korte meditatie op mijn Facebookpagina, vrnl ontleend aan "Stille Omgang" van Willem Barnard.

 

I. Hieronder de eerste 10 dagen:

 

Dag 1 Aswoensdag

 

Dag 2

Met het oog gericht op Jezus, die 40 dagen stand hield in de wildernis door zich te concentreren op het Woord van God, proberen ook wij keuzes en goede afwegingen te maken. “Het gaat eigenlijk altijd om dezelfde dingen: we willen wel vermenigvuldigen maar niet delen, wel behouden maar niet verliezen. Wij willen dat de stenen broden worden in plaats van te geloven dat het Woord Brood geworden is” (W. Barnard, “Stille Omgang”, p. 87).

Dag 3

Vrijdag is van oudsher de dag van het vasten. D.w.z. de vrijdag is bij uitstek de dag om het geloof vast te houden. M.n. de eerste vrijdag in de vastentijd is gewijd aan het vasten, wat het is en wat het niet is. Het is vooral geen zelfkwelling, geen vertoon van nederigheid, zak en as komen er niet aan te pas! Om dat te onderstrepen wordt Jesaja 58 gelezen: “Is dit niet het vasten, dat Ik verkies: je brood delen met de hongerigen, onderdak bieden aan armen zonder huis, iemand kleden die naakt rondloopt, je bekommeren om je medemensen? (vs. 7). (W. Barnard, “Stille Omgang”, p. 90).

Dag 4

Op deze ‘sabbat’ bezin ik mij op het Woord van morgen: de eerste zondag in de Veertigdagentijd. Ik heb vrij en ik ben vrij. Vandaag denk ik alvast aan ‘de verzoeking in de woestijn’, die Barnard liever omschrijft als ‘de beproeving in de wildernis’. Het betekent iemand ‘op de proef stellen’: kijken of hij het houdt. De wildernis is niet de zandwoestijn, maar het leven van mensen die als los zand samenleven (en dus niet samenleven), het gaat om de eenzaamheid. Het is die ‘wildernis’ die onze steden tot woestijn maakt en onze beschaving tot een verwilderde wereld. Wie houdt dat vol? (Willem Barnard, “Stille Omgang”, p. 95).

Dag 5

De lezing van deze maandag is Ezechiël 34, waarin de Herder zijn schapen-zijn volk Israël-weidt. “Ik zal naar verdwaalde dieren op zoek gaan, verjaagde dieren terughalen, gewonde dieren verbinden...” Dat weiden heeft betrekking op alle onderdrukte volken en mensen en is dus inclusief bedoeld. Barnard noemt bijv. de onderdrukte indianen in Bolivia. Ook daar en voor hen geldt de profetie: dat wij voor geronselde gastarbeiders en tobbende derde-wereldvolken grazige weiden mogen verwachten, ja dat zij die mogen opeisen als hun goddelijk recht. (Willem Barnard, “Stille Omgang”, p. 102).

Dag 6

In deze 40 dagen is het ook goed om stil te staan bij de mogelijkheid, dat religie geperverteerd raakt, bijv. zodra macht en geld er een grote rol in gaan spelen. Twee verhalen uit de H. Schrift, die dit thema aansnijden zijn die van het ‘gouden kalf’ (niet die van het Ned. Film Festival) en die van het omvergooien van de tafels van de wisselaars op het tempelplein door Jezus. “Het ‘gouden kalf’ is in de volksmond gaan betekenen: de macht van het geld. De wisselaars in de tempel zijn de kleine zetbaasjes van Aärons misgreep”. Het gangbare compromis tussen godsdienst en commercie moet in de vastentijd doorzien worden als voos en ‘werelds’ (Willem Barnard, “Stille Omgang”, pp. 106, 107).

Dag 7

Woensdag ‘gehaktdag’: de week wordt doormidden gehakt. Vanouds her behoort de woensdag in de vastentijd tot de ‘ingevulde’ dagen. “Wanneer men”, aldus Barnard, “op de zondag bij elkaar komt en de dienst viert, is men er op woensdag weer aan toe ‘enigheid te houden’, zoals de doopsgezinden dat zo treffend noemen. Het is ook lang gebruik gebleven op woensdagavond Schriftlezing te houden. Lezing met uitleg erbij. Ik zie niet in, waarom dat niet opnieuw gebruik zou kunnen worden. De stadionreligie houdt zich ook aan de woensdagavond. En de samenkomstruimte zou wat drukker gebruikt worden, niet zo’n hele week leegstaan. Het is onverantwoord, dat we alleen op zondag samenkomen. Het is een symptoom van een ingezakt christendom dat niets meer voorstelt. Men zou er avond aan avond moeten samenkomen om te zingen, om de adem te strekken en de stem te verenigen. Men zou er dagelijks moeten komen om uit de Schrift te horen en de gebeden te doen”.

(Willem Barnard, “Stille Omgang”, pp. 108, 109).

Dag 8

Vandaag zijn de lezingen nogal complex en ik volsta met een klein citaat over de betekenis van de naam Elia. Barnard vertaalt die naam als “de Stem, die ik gehoor geef, heet Ik ben”. De naam is eigenlijk niets anders dan een omschrijving van ‘gij’, anders gezegd: in die naam wordt te kennen gegeven, dat het leven geen ik-leven, maar gij-leven is, aangesproken leven, berustend op de Enige die ‘eerste persoon’, de eerste die Ik is. (Willem Barnard, “Stille Omgang”, p. 118).

Dag 9

Het evangelie van deze vrijdag (Joh. 5: 1-15) begint bij de vreugde. Er was een feest voor de Joden. Jezus gaat (ook) naar Jeruzalem. Echter, als altijd, de weg naar het feest leidt langs het leed. Bij de poort is dat badhuis vol zieken, Bethesda. Buiten de muur van Jeruzalem wordt gewacht op heil, genezing, vreugde.

Buiten de poort van Jeruzalem vindt ook het wonder plaats. Het feest dat binnen de muren gevierd zal worden wordt buiten de stad voorbereid met een opstandingsteken. ‘Sta op, neem uw bed op en wandel’, zegt Jezus. Hij maakt van de verlamde een feestganger, die dan ook letterlijk in kan gaan tot de vreugde van de Heer. Hij maakt van de berustende een opstander, van de eenzame iemand die tot de feesthoudende menigte behoren kan. (Willem Barnard, “Stille Omgang”, p. 120).

Dag 10

Die eerste week van de vastentijd – inderdaad deze week geen druppel alcohol gebruikt J - die week van de eerste zondag vandaan geteld, begon bij het verhaal van de beproeving in de woestijn. En zij eindigt op de sabbat met het verhaal van de verheerlijking op de berg. Dat is vanouds een sabbatsevangelie...’en na zes dagen nam Jezus en mee, de berg op’. Zo is deze week een gang van ondergang naar opstanding, door het duister heen naar het nieuwe licht. (Willem Barnard, “Stille Omgang”, p. 124).

 

zaterdag, 13 februari 2016 19:54

Paul Tillich (1886-1965)

Geschreven door

In "Woord & Dienst" van febr. 2016 (jrg. 65, nr.2) verscheen een bijdrage van mijn hand over Paul Tillich in de serie 'contouren van grote theologen'.

 

 

woensdag, 10 februari 2016 10:26

Dag 1: Aswoensdag

Geschreven door

Aswoensdag: 10 februari 2016

 

Vanavond zet ik de eerste stap in de Veertigdagentijd en ontvang ik mijn as-kruisje. Om heel eerlijk te zijn: het is voor mij de eerste keer. Vasten was nooit zo ‘mijn ding’. Protestanten hadden zichzelf losgemaakt van allerlei verplichtingen en dingen die ‘moesten’ en wie weer begon te vasten keerde weer terug naar voor-reformatorische gewoonten. Niet doen!

Ik begin echter steeds meer in te zien, dat het afwijzen van vasten ook heel gemakzuchtig kan zijn en dat de zogenaamd verworven vrijheid tot een ongestructureerde manier van leven kan leiden. Kortom, er zijn genoeg goede redenen om het vasten in de Veertigdagentijd wel serieus te nemen en zo wil ik op mijn manier deze periode bewust afstand doen van bepaalde gewoonten. Zo heb ik me voorgenomen om de 40 dagen voor Pasen geen alcohol te gebruiken. Ik moet bekennen, dat het drinken van één of meer glazen wijn per dag tot de vaste gewoonten is geworden en die gewoonte wil ik nu doorbreken. De zondag zal een uitzondering zijn en die behoort dan ook niet tot de veertig dagen, inderdaad.

Geen alcohol gebruiken betekent, dat je nuchter blijft, je niet laat verdoven en waakzaam en alert in de wereld staat. Je kunt je niet afschermen tegen de harde kanten van het leven en je verstopppen voor de nood van anderen. Daar is de Veertigdagentijd ook voor bedoeld: dat je mee-lijdt met het lijden van anderen en hen terzijde staat, solidair bent. Ook zie ik er een mogelijkheid in om me meer verbonden te voelen met mijn moslim-broeders en –zusters, die principieel afzien van het gebruik van alcohol.

Ik geef toe, het is maar een kleine stap. Ik ga er geen ‘issue’ van maken of het van de daken schreeuwen: ik doe het vooral voor mezelf en ik zal er niemand verder mee lastig vallen. Vasten is vooral – net als het bidden – iets van de ‘binnenkamer’.

Dus vanavond haal ik mijn eerste kruisje op. Geen elfstedenkruisje of vierdaagse-kruisje,- dat zijn bewijzen van geleverde prestaties-, maar dit is er eentje van ‘stof en as’, dat ons te binnen brengt onze vergankelijkheid en tijdelijkheid. Toch past hier m.i. geen sombere of pessimistische stemming bij, want zelfs vasten moet je doen met een vrolijk hart. Juist in deze periode ben je je bewust van het wonder van je bestaan en dat je adem in Gods hand is.

De HERE God heeft tegen zijn vriend Abraham twee dingen gezegd, die gelijktijdig waar zijn en bedacht mogen worden: ten eerste: de wereld is voor jou geschapen! En ten tweede: jij bent stof en as!

Zo voeg ik mij vanavond in een oude traditie, die ook binnen het protestantisme herontdekt wordt. Een kerk, die haar tradities vergeet of bij het grof vuil zet gaat op den duur lijden aan vergeetachtigheid. De Amerikaanse evangelicale theoloog Tim Suttle zegt het zo: “Rejecting tradition means submitting ourselves and our churches to the tyranny of the relevant, the oligarchy of the innovative, and the arrogance of the avant-garde. More than ever before, the church needs to rediscover our tradition”.

Het is bovendien mijn voornemen om iedere dag iets van bezinning op mijn Facebook-pagina of blog te plaatsen en ik denk, dat ik dat vooral zal doen aan de hand van Willem Barnard’s “Stille Omgang”.

Keep an eye on it!

 

 

zondag, 07 februari 2016 11:35

Opgevist

Geschreven door

 

 

Preek gehouden op de vijfde zondag na Epifanie 7 februari 2016 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Jesaja 6: 1-9 en Lukas 5: 1-11

In deze dienst werd de Heilige Doop bediend aan David Johan Willem Rietman en was er bijzondere aandacht voor enkele ZWO-projecten.

 

Opgevist!

 

In mijn fotoalbum zit een foto van toen ik een jaar of tien was (moet toch wel meer dan 40 jaar geleden zijn, denk ik J). Ik sta er wat merkwaardig op: ik kijk achterom en ik heb een wat verstoorde of verbaasde blik. Dat komt, omdat iemand achter mij onverwachts mijn naam riep en toen ik daarop reageerde snel die foto maakte. Mijn roeping werd vastgelegd, zou je kunnen zeggen.

Er is iemand die roept en wij horen dat en wij geven antwoord of reageren op een of andere manier.

Hoe iemand geroepen wordt of de roeping in zijn of haar leven hoort is zo veelvoudig als dat er mensen zijn. Misschien zullen veel mensen het niet eens als roeping aanmerken. Het is hun enthousiasme, hun drive om iets te doen, een gegrepen-zijn door iets, dat sterker is dan henzelf. En op alle mogelijke manieren doet zich dat voor in ons leven, maar wat al die verhalen en ervaringen verbindt is, dat er iets verandert, dat je even stilstaat, even achterom kijkt, misschen wel verstoord of met tegenzin, maar hoe dan ook pas op de plaats maakt en denkt: wat heeft dit te bekenen? Wat hoor ik temidden van het lawaai van alledag? Heeft iemand mij nodig? Heeft Iemand mij gezien en wat wil Hij van mij?

De lezingen van vanmorgen en de Doop van David en alles wat wij hier vandaag beleven sporen ons aan om bij onszelf te rade te gaan en ons af te vragen: herken ik die vragen? Misschien vind je het woord ‘roeping’ te overweldigend en past het niet in jouw denkpatroon, maar het kenmerkende van beide verhalen vanmorgen is, dat de omstandigheden zo verschillend kunnen zijn, dat de situaties zo persoonlijk en tijdgebonden zijn, dat we eigenlijk niet meer hoeven te zeggen dan: hé, ik ben Jesaja niet, maar toch herken ik iets van zijn verwondering in mijn leven; hé, ik ben Petrus niet, maar wat hem overkomt heeft ook mij een keer getroffen, toen ik begon te beseffen, hoe rijk gevuld de netten van mijn leven zijn en dat ik niet anders kon doen dan bedenken: waar heb ik dat allemaal aan verdiend?

De ervaring van aangesproken-zijn gaat diep en is onvergetelijk, ook al duurt het op je horloge maar een tel: de eeuwigheid dringt zich op en maakt zich van je meester en je wordt vervuld van ontzag en Jesaja begint zelfs stemmen te horen en dingen helder te zien. Zijn geest verruimde zich dermate, dat de zomen van Gods mantel aanraakbaar werden en Zijn nabijheid zo tastbaar werd, dat Jesaja wel leek te hallucineren. God moet soms de schillen en pantsers van onze zintuigen dermate oprekken, dat Hij pas dan verstaanbaar wordt en gehoord wordt.

Het zijn vreemde ervaringen, die ook onze tijdgenoten soms meemaken, soms aan de grens van hun leven, soms er midden in.

Petrus had een heel andere ervaring: hij werd overweldigd door de zeggingskracht van Jezus, die zomaar in zijn bootje stapte. Ongevraagd stapt die vreemde figuur zomaar je leven binnen. Hij staat niet te soebatten of je wel wat in Hem ziet en Hij stelt geen eisen en vraagt geen goede voornemens: nee, Hij legt beslag op je bezittingen, je tijd en je leven. Ongevraagd. Zonder te vragen roept Hij ons; zonder aan te dringen maakt Hij zich van ons meester. Niet jullie hebben Mij uitgekozen, maar Ik jullie. “David, wil je de Heer volgen op dood en op leven?” “Ja, Heer, ik zal er het doen...nee, Heer, ik heb het veel te druk...Ik weet het nog niet, Heer, ik zal er eens over nadenken en alle voors en tegens tegen elkaar afwegen”.

Maar de Heer is er al en als een vis heeft Hij jou gevangen en op het groene land gezet. Voor je het wist was je al opgevist!

Ja, dat vissen van mensen dat het beroep van Petrus gaat worden - zijn roeping! -, is een vreemde taak. Het is de roeping van de kerk: mensen vangen, mensen in het net zien te krijgen, mensen aan de haak slaan?!

Toen ik pas predikant was vroeg iemand mij eens: “En, kun je ze nogal vangen?”

Ik wist precies wat hij bedoelde, maar ik vond het een vraag, die zoveel misverstanden opriep, dat ik niet zoveel wist te zeggen. Ja, Jezus heeft het over ‘visser van mensen’ worden, maar als je weet, hoe vissen gevangen worden, met een net of een haakje, dan denk ik: nou, zo wil ik niet met mensen omgaan! Dan lijkt het net of ik ze in een fuik laat lopen, dat ik ze in de val moet lokken en dat ze daarna voor altijd gevangen zullen zijn in het netwerk van de kerk. Waar blijft dan de vrije keuze van ieder mens en hoe verbind je de boodschap van heil en bevrijding met ‘vangen’?

Misschien helpt het als we begrijpen, dat de zee de wateren van de dood verbeelden en dat opvissen uit het water dus een beeld is van gered worden uit de dood naar het leven. In deze beeldspraak verhuist de vis dan van de onderwereld naar de bovenwereld: hij komt aan het licht! Zo wordt een mens gered als hij zich laat vangen – hij spartelt eerst tegen misschien en hij denkt, dat hij – net als Jesaja – vergaat. Maar in werkelijkheid vindt hij het leven.

Het net van Petrus zit stampvol met vissen: mensen snakken naar leven en bevrijding; zij willen weg uit die wateren van de dood en zoeken naar zin en betekenis. “Nou, het is anders een hele tour om de kerk een beetje vol te krijgen”, zo hoor ik mensen en mijzelf wel eens mopperen. Maar iemand Anders hoor ik zeggen: “Vaar eens wat verder de zee op, niet alleen altijd in dezelfde vijver vissen, vaar af naar dieper water en gooi het eens over een andere boeg en je zult versteld staan, hoeveel mensen opgevist willen worden”.

Soms denken we in de kerk te snel: nou, het wordt tijd om het licht uit te doen, ermee op te houden, eruit te stappen en de netten op te bergen. Maar juist dan stapt die Man uit Nazareth ineens de boot in en zegt: je weet niet half hoe groot de wereld is! Er valt nog een wereld te winnen!

vrijdag, 15 januari 2016 19:58

Is de wijn op?

Geschreven door

Mijn column op de pagina Kerk en Samenleving in de Meppeler Courant van vrijdag 15 januari 2016

 

IS DE WIJN OP?

 

Helemaal aan het begin van het Johannesevangelie komt die vraag ineens boven water. Er is een groot bruiloftsfeest gaande en dat duurt wel een paar dagen. Geen wonder, dat de wijn opraakt, want iedereen is vrolijk en gaat uit zijn of haar dak. Dan komt de bodem in zicht en wat nu?

Jezus bevindt zich ook onder de genodigden. Een geschikt moment, zo lijkt het, om eens een donderpreek af te steken tegen zoveel oppervlakkig vermaak. Men zou het leven wat serieuzer moeten nemen en zich niet moeten verliezen in leeg en plat plezier.

Maar zoiets heeft hij overgelaten aan latere zwartkijkers en hellepredikers, die zogenaamd in Zijn Naam niets liever deden (en soms nog doen!) dan ‘regenen op de parade’.

Jezus doet dat juist niet! Hij zorgt er integendeel voor, dat het feest voortgang kan vinden. Daartoe laat hij de leider van het feest water scheppen uit de vaten, die bestemd waren voor ‘reiniging’. Water dat bedoeld was voor de reiniging van mensen en van voorwerpen. Water dat bestemd was voor de cultus, voor de juiste omgang tussen God en mensen. Afgezonderd water, ‘heilig’ water. Van dát water maakt Jezus wijn!

Het feest moet doorgaan. Iets wat misschien in onze ogen iets banaals of profaans is wordt door Jezus als iets heiligs gezien. Of anders gezegd: iets wat apart gezet was als iets heiligs wordt nu ingezet om voortgang te geven aan het gewone leven. En dat gewone leven krijgt er een extra glans en diepgang door, wordt er zelfs beter door dan eerst. En we gaan vragen, waar die wijn vandaan komt. Dat blijft echter een Geheim, waarvoor wij evenwel vele namen gebruiken.

Sindsdien wordt iedere maaltijd een maaltijd van de Heer, ieder glas wijn een beker overvloeiend van de goedheid en liefde van God, iedere wandeling een stille omgang met God, iedere samenkomst een feest voor de Heer, iedere ontmoeting met een medemens in nood een rendez-vous met de Allerhoogste.

Dit is geen ‘common sense’-kennis en het is evenmin inzichtelijk voor ons recht-toe-recht-aan denken, maar dit wordt ons onthuld ‘op de derde dag’. Het gaat uiteindelijk om het Paasgeheimenis, waarbij alles anders wordt en ondersteboven gaat: dood en leven, hoogte en diepte, water en wijn, armoede en rijkdom. We gaan zien met andere ogen en bemerken midden in ons leven, juist wanneer het begint te stagneren en ophoudt te stromen, dat het water wijn kan worden. De vraag naar het hoe en waar vandaan blijft intrigeren, maar een mogelijk antwoord wordt niet vastgesteld in een laboratorium, maar wordt helder in het leven zelf! Want je ziet de fonkeling in het glas en in de ogen van de ander en je ervaart de vreugde, dat het niet voorbij is, maar dat alles zelfs (smaak)voller is dan eerst. Een verhaal vol be-teken-is! (Joh. 2: 11)