Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Ook plaats ik hier korte inleidingen of publicaties (in het kerkblad), een vertaalde preek van Paul Tillich en andere beschouwingen. U wordt uitgenodigd om ook daarop te reageren.

Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

Blog

Blog (118)

maandag, 13 augustus 2018 08:42

Wie is Jezus?

Geschreven door

Preek gehouden in de Protestantse Gemeente te Havelte op zondag 5 augustus 2018 n.a.v. Markus 8: 27-33

 

Wie is Jezus?

 

Vanmorgen zet Jezus zijn leerlingen stil en hij vraagt hen: wie ben ik? Wie ben ik volgens anderen, wie ben ik, volgens jullie?

Laten we proberen stap voor stap dichter bij het geheim van deze raadselachtige vraag te komen en met elkaar proberen te ontdekken, waarom het van belang is een antwoord te vinden.

De vraag wie Jezus is gonst al eeuwen de wereld door. Er zijn bibliotheken vol over geschreven. De evangelist Johannes zag die bui al hangen, toen hij aan het einde van zijn evangelie schreef: “als al de daden van Jezus één voor één opgeschreven zouden worden, zou de wereld, denk ik, te klein zijn voor de boeken, die dan geschreven moesten worden”.

Maar als Johannes eens zou kunnen zien, hoeveel boeken er over Jezus geschreven zijn, dan zou hij raar opkijken. Grote geleerden en knappe koppen kruipen de teksten door en fabriceren dikke pillen, zoals bijv. de r-k theoloog in de vorige eeuw Edward Schillebeeckx “Jezus, het verhaal van een Levende” en die andere beroemde theoloog en psycholoog uit Duitsland Eugen Drewermann, die zijn boek de eenvoudige titel “Jezus van Nazareth” meegaf. Toen ik jaren geleden dat boek bij de plaatselijke boekhandel besteld had belde het winkelmeisje mij een paar dagen later op en zei: “Mijnheer Huisman, Jezus van Nazareth is zojuist voor u binnengekomen!” Toen ik buiten adem de winkel instormde en vroeg ‘waar is hij?’, hield ze mij verwonderd aankijkend het boek omhoog. ‘Hier’, zei ze en ik liet het maar rusten, dat zij mij op het verkeerde been had gezet.

En dan heb ik in mijn boekenkast ook nog een boek, dat “Ieder zijn eigen Jezus” heet. En Paul Verhoeven heeft zich aan een boek over Jezus gewaagd en Fik Meijer schreef zijn ‘Jezus en de vijfde evangelist’ (met wie hij de Jjoodse geschiedschrijver Flavius Josephus bedoelt).

In dat korte evangeliebericht van vanmorgen horen we dat al: de antwoorden lopen uiteen. Sommigen denken dat hij Elia is of Johannes de Doper of Jeremia en Petrus komt met zijn geheel eigen antwoord: U bent de Christus.

De antwoorden blijven uiteenlopen, tot vandaag de dag toe. Sommigen zeggen: Jezus was een goed mens. Een toffe gast, die een hoop goed deed voor m.n. arme drommels. Petje af! Anderen zeggen: hij stichtte een nieuwe godsdienst, hij bewerkte een soort afsplitsing van het jodendom en zo heeft hij veel invloed in de wereld gekregen. Weer anderen zeggen, dat hij een begenadigd wonderdoener was, hij had charismatische gaven en hij kon ook geweldig preken. Er zijn er ook, die Hem Zoon van God noemen, Verlosser of Heiland der wereld en zij zien Godzelf in Hem oplichten. Terwijl een deel van de mensen Jezus liefst zo dicht mogelijk bij zich willen houden, op deze aarde, als mens onder de mensen, gaan anderen juist een andere kant op en verhogen en verheerlijken Hem tot bij God, zoals ook in de belijdenis verwoord: ‘opgevaren ten hemel en zittend aan de rechterhand van God!’

Anderen zien in hem een mislukte revolutionair, die met goed bedoelingen e.e.a. wilde veranderen, maar het liep op niets uit. Zo vatte Maarten van Rossem onlangs het leven van Jezus samen.

Hoe zit het nu precies, zo zouden we ons radeloos kunnen afvragen en we worden ongeduldig en vragen ons misschien af: zou de echte Jezus a.u.b. willen opstaan?! Dan weten we tenminste waar we aan toe zijn.

Maar, lieve gemeente, dit ongeduld en die behoefte aan het enig goede antwoord levert alleen maar brokken op en zo zouden we het Messias-geheim bederven en kapot maken. De vraag wie Jezus is moet je niet benaderen als een wiskundig probleem, waarbij er uiteindelijk één juist antwoord uitrolt. Je komt niet tot het goede antwoord door een paar bijbelteksten aan elkaar te plakken en dan te zeggen: zie je wel, het staat er toch. Zo zit het. Klaar, punt uit.

Nee, we moeten de vraag eigenlijk ietsje uitbreiden en daarmee komen we ook zelf als betrokkene in beeld. Want tot nu toe is het allemaal wat afstandelijk en objectief gebleven: wat vinden mensen de eeuwen door van Jezus en welke antwoorden zijn er gegeven? Maar nu komt de vraag dichterbij en levensgroot en levens-echt klinkt in mijn verstarde oor: wie is Jezus volgens jou? Of liever nog: wie is Jezus voor jou?

En dan ligt het voor de hand om met een schuin oog te kijken naar het antwoord, dat Petrus gaf en je ziet in een flits, dat Jezus dat een sterk en openbarend antwoord vond – dus je denkt dan: laat ik ook maar zoiets zeggen, dan zit ik wel goed. Hij is de Christus!

Dat is een veelbetekenend en veelbelovend antwoord. Wat bedoelt Petrus met die aanduiding? Wel, ik wil het vanmorgen niet te ingewikkeld maken, maar laat ik volstaan met te zeggen, dat we hier te maken hebben met een titel, een symbool, dat tot de rand gevuld is met hoop en verwachting. Letterlijk betekent het zoiets als ‘gezalfde’, de messiaanse gestalte, de figuur, die alles zal fixen en terecht brengen. In het verleden waren die hoop en verwachting geprojecteerd op koningen, priesters en profeten en in hun werk beeldden zij er iets van uit. Maar nooit volledig, nooit eens en voor goed: het was altijd fragmentarisch en voorlopig geweest.

Maar nu, zo denkt Petrus, nu wil ik deze titel, vol verwachting en toekomst, toekennen aan Jezus. Zijn doen en laten, zijn woorden en werken wijzen overduidelijk in die richting en daarom lijkt het mij terecht om Hem de Messias of de Christus te noemen.

Of daarmee alles gezegd is en of die titel of benaming ook voor ons zo veelzeggend is, dat staat wat mij betreft open. Er kunnen ook andere symbolen en titels op hem toegepast worden, die aanduiden wie hij is en wat hij betekent.

Maar de ‘christus’-titel heeft de eeuwen doorstaan en zo is men gaan spreken over Jezus Christus, als in één adem. Maar het lijkt dan wel of wij iemand bij zijn voor- en achternaam noemen. Daarom is het beter te spreken over Jezus de Christus of Jezus, die beleden wordt als de Christus, zodat helder blijft, dat het een titel of functie is, die toegekend wordt aan een persoon, namelijk Jezus van Nazareth.

De vraag is of Jezus nou zo blij was met die felicitatie van Petrus. Hij gaat namelijk op aspecten wijzen, die het beeld dat Petrus e.a. hebben van de Christus laat kantelen. Jezus zal wel de Christus genoemd worden, maar ‘in disguise’, in vermomming, als de lijdende en de gekruisigde. Zo zal hij a.h.w. het messias-schap een andere, nieuwe invulling geven.

Jezus zegt eigenlijk: prima, Petrus, dat je mij de Christus noemt, maar ik zal het zijn op mijn wijze: niet hoog te paard, maar op een ezel, niet op een troon, maar op een kruis.

Prima, dat je mij de Christus noemt, maar verbind er ook een wijze van leven aan. Kom dan ook achter Mij aan en bewandel de weg, die Ik ga, de weg van de meeste weerstand en de smalle weg van verzet en dwarsigheid, waarbij men de wenkbrauwen fronst en men zal zeggen: wat een onbegaanbare weg, wat een idealisme, wat een lastige weg. Het lijkt wel een doodlopende weg, maar zo geloven wij: het is de weg ten leven!

 

 

maandag, 30 juli 2018 09:35

Angsten bedwongen

Geschreven door

Overdenking gehouden in de Oecumenische wijkgemeente ‘Het Erfdeel’ in een viering van Schrift en Tafel op zondag 29 juli 2018 n.a.v. Markus 6: 45-52

 

Angsten bedwongen

 

Er is, denk ik, geen verhaal uit het Evangelie zo bespot en geridiculiseerd als het verhaal, dat wij vanmorgen hoorden. Ik hoor Harry Mulish bij Pauw en Witteman nog vertellen, dat hij genoten had van zijn reis naar het meer van Galilea, maar dat hij niemand over het water had zien lopen daar. En Paul Verhoeven kreeg een keer de gelegenheid om te vertellen, dat hij lid was van een club van Amerikaanse bijbelgeleerden, die van tijd tot tijd bij elkaar kwamen om vast te stellen welk verhaal echt gebeurd was, historische werkelijkheid had en welke niet. D.m.v. handopsteking wordt dat vastgesteld en uiteraard kon het verhaal van vanmorgen niet rekenen op historische betrouwbaarheid. Dat kon unaniem verwezen worden naar het rijk der fabelen.

Maar zo eenduidig is het allemaal niet. Ook binnen de kerkgemeenschap bestaat er verschil van inzicht over de vraag, hoe wij zo’n evangeliebericht zouden moeten of kunnen lezen. Tegelijkertijd duikt de vraag dan op, wat wij eigenlijk onder ‘geloof’ en ‘geloven’ hebben te verstaan.

Een mooi voorbeeld daarvan vond ik bij Eugen Drewermann, die Duitse rooms-katholieke theoloog en psycholoog, die in Paderborn doceerde en veel lezingen in de wereld geeft, maar die door de kerkleiding met argusogen wordt gevolgd.

Zo vertelt hij, dat hij na een lezing door een katholieke geestelijke werd benaderd, die hem vroeg: ‘wat denkt u van de wonderen van Jezus?’ Hij antwoordde: ‘ik geloof in de wonderen van Jezus. De wereld is er toch vol van?’ ‘Dat bedoel ik niet’, antwoordde de geestelijke, ‘gelooft u bijvoorbeeld, dat Jezus over het water liep?’ Drewermann zei daarop: ‘Heel beslist geloof ik, dat Jezus over het water liep’. ‘Nee’, wierp hij tegen, ‘bij u ben ik daar niet zo zeker van, want bedoelt u dat symbolisch of werkelijk?’ Toen antwoordde Drewermann: ‘ik geloof dat de symbolische werkelijkheid de enige echte werkelijkheid is’. ‘O, ik hoor het al’, zei de geestelijke, ‘u gelooft dus niet echt’.

Dit korte gesprek brengt glashelder aan het licht, dat deze twee mensen niet alleen het verhaal over Jezus’ gaan over het water verschillend interpreteren, maar ook dat beiden iets anders verstaan onder ‘geloven’. Voor de geestelijke is geloven iets voor waar gebeurd aannemen, ook al lijkt het onwaarschijnlijk. Misschien hebt u vorige week de eerste aflevering van ‘Kijken in de ziel’ gezien, waarin het op het laatst ging over de verandering van de hostie in het lichaam van Christus. Natuurlijk was dat vreemd en onnavolgbaar, zo hield de katholieke zuster vol, maar dat is nu precies ‘geloven’, hè?, zei zij stralend.

Maar voor Drewermann is geloven iets anders. Bij hem gaat het om de ervaring van de betekenis van zo’n verhaal in je eigen leven. Het is een symbolisch, existentieel verhaal, waarin je zelf voorkomt! En het water staat voor de chaos- en de doodsmachten, die Jezus overwint, a.h.w. onder de voet loopt of onder de knie heeft en in vertrouwen op Hem kunnen ook wij die machten de baas.

De ‘Ik ben’ komt op ons toe, misschien allereerst als een spookgestalte, een ‘phantasma’, iets wat ons bang maakt en angst aanjaagt, maar ook als een verschijning, die ons uiteindelijk bij de hand neemt en gerust stelt.

Misschien komt er een moment in ons leven, dat wij ons geloof en het verhaal over God gaan zien als een hersenschim, zelf bedacht en geconstrueerd. Maar als die schim zich voordoet als de ‘Ik ben’, onontkoombaar en overtuigend, dan kunnen we niet anders dan ons gewonnen geven aan de Hand, die ons rust geeft en brood geeft voor onderweg.

Drewermann vat het zo samen: “Te midden van de stormen van het leven, gedreven door stromingen en golven van allerlei slag, bevend van de koortsdromen van de angst, vaak tot aan ziek of krankzinnig wordens toe, is het toch voldoende om, al was het maar een tipje van het leven van Jezus vast te grijpen: ‘begrijpen’ wij ook maar een klein beetje wat hij geweest is toen hij voor de ogen van zijn leerlingen over de wateren van de dood liep, dan zal dat ons leven omsluiten met een mantel van geborgenheid en vertrouwen, zodat wij worden genezen en ons wèl voelen”.

Nu begrijpen we ook wel beter, waarom Jezus of Markus een verband aanbrengt tussen het verstaan van het broodwonder en het gaan over de afgrond. Beide verhalen gaan in wezen over hetzelfde, dat wij leven uit en door zijn Hand.

zondag, 22 juli 2018 15:43

De van Alfa tot Omega leerroute

Geschreven door

Preek gehouden op de 5e zondag van de zomer 22 juli 2018 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Jeremia 23: 1-6 en Markus 6: 30-34

 

Er hangt in de kerk een expositie van textiele kunstwerken, vervaardigd door Dieuwke Frijda-Zijlstra o.d.t. “Onder de loep”

 

De van Alfa tot Omega leerroute

 

Ik ben benieuwd met wat voor verhalen de leerlingen bij Jezus terugkwamen. Zij waren immers een tijdje op weg geweest – twee aan twee – om zieken te zalven en demonen te verjagen en zo het goede nieuws van het naderende Koninkrijk Gods te verkondigen en uit te beelden. Zij hadden de daad bij het Woord gevoegd.

En nu komen ze terug en doen verslag van hun ervaringen. Misschien waren ze teleurgesteld over het feit, dat zij zo weinig respons kregen en dat ze zo vaak met hun sandalen hadden moeten wapperen. Of misschien waren ze wel trots op zichzelf, dat ze het toch maar gefikst hadden om het demonische in de samenleving en in de persoonlijke levenssfeer op het spoor te kunnen komen en ongedaan te maken, althans voor de langere of kortere duur het leven van de mensen weer glans en fleur te geven.

Ik denk, dat ze een uitgeputte en vermoeide indruk maakten. Ze waren opgebrand, hun energie was op – moe van het goed doen; een burn-out na zoveel ontmoetingen en confrontaties, want gemakkelijk was het nooit geweest. En nu komen ze weer bij Jezus en geven hem a.h.w. de opdracht weer terug. Vanaf nu staat hij zelf weer in het middelpunt.

De reactie van Jezus op hun werkverslag is ontroerend en sympathiek. Hij legt niet de vinger op hun falen en hun povere resultaten, hij analyseert niet de plussen en de minnen en hij komt niet met een lijst van aanbevelingen om het in het vervolg anders en beter te doen. Nee, wat hij zegt is: rusten jullie nu maar eens even een tijdje uit!

In het Grieks wordt er een woord gebruikt, waarin wij ons woord ‘pauze’ herkennen. Neem een adempauze, kom eens helemaal tot jezelf en neem de tijd om alles even los te laten.

Dat is voor ons allemaal wel belangrijk, denk ik. Dat we van tijd tot tijd een pauze inlassen en wat geweest en gedaan is laten rusten en wat komt en gedaan moet worden nog even uitstellen. Het is een pas op de plaats. Een goed moment om tot bezinning en tot rust te komen.

Dat dit fragment juist aan het begin van de vakantieperiode aan de orde komt is wel veelzeggend. Jezus gunt ons allemaal een pauze. We draven vaak maar door en daarmee beschadigen wij niet alleen onszelf, maar ook anderen. Je moet ook eens van ophouden weten. Stop! Neem even afstand en kom tot jezelf. Dat is goed voor jezelf en voor iedereen!

Maar Jezus zelf gaat altijd maar door en lijkt onvermoeibaar. Toch lezen we ook van Hem, dat hij van tijd tot tijd een stille tijd in acht neemt. ‘Hij bad op eenen berg alleen’ en ook zocht hij soms de eenzame plaatsen op om in gesprek te gaan met zijn Vader.

Ook vandaag is dat zo. Ook als wij hier bij elkaar zijn kunnen we dat zien als zo’n moment van bezinning en inkeer. Om van daaruit weer de week in te gaan, toegerust en uitgerust om de uitdagingen en problemen aan te kunnen. Niet dat je dan ineens alles als een soort tovenaar naar je hand kunt zetten, maar je leert gaandeweg je leven in een ander perspectief te plaatsen, in een groter verband. Dat je uiteindelijk leert en erkent, dat niets en niemand je kan scheiden van de liefde van Christus, wat er ook gebeurt. Dat klinkt als overmoedige grootspraak, maar het is (eerder) een stil weten, een onzichtbare bodem onder je voeten, die je draagt.

En dan beschrijft Markus levendig, hoe de mensen in drommen op Jezus afkomen. Zij gaan hem achterna en zij staan hem op te wachten. En zo is dat altijd gebleven. Wij proberen Hem te volgen en wij verwachten zijn komst en zo bevinden wij ons altijd tussen de tijden en is Hij present, wanneer wij gehoorzaam zijn aan zijn woord: ‘doe dit tot zijn gedachtenis, totdat Hij komt’.

En als Jezus ons dan ziet dan ziet Hij ons met ontferming bewogen – hij is begaan met hen. Hij voelt sympathie en hij toont empathie. Het doet hem wat, hij blijft er niet afstandelijk en onbewogen naar kijken, naar al die mensen, maar het raakt hem.

Want hij ziet, hoe zij er aan toe zijn en Markus citeert daartoe de Schrift: zij zijn als schapen zonder herder. Dat herinnert aan de overdracht van de leiding van Mozes aan Jozua – en misschien wordt dit woord ook juist hier geciteerd, omdat er een overgang is van de periode Johannes de Doper naar de periode van Jezus. In het voorafgaande wordt verteld, hoe Johannes op een brute wijze aan zijn einde is gekomen en nu lopen de mensen daar, maar wie zal hun de weg wijzen? Zij wonen overal, nergens thuis…

Hoezo schapen zonder herder? Zij hebben hun ouders toch, hun geestelijke leiders, hun politieke leiders, hun bazen en gidsen? Zij hebben hun grote voorbeelden en sporthelden toch? Zij hebben hun filosofen en guru’s in alle soort en maten toch, hun ideologieën en religies? Ja, dat hebben ze zeker en misschien wel zo dwingend en overheersend, dat Jezus zou willen, dat ze daarvan los kwamen. Want uiteindelijk komen ze er niet verder mee, raken ze hopeloos de weg kwijt en dwalen zij stuurloos en doelloos rond.

Zal Hij zich als goede Herder presenteren? Hij is zeker zo de geschiedenis in gegaan en vanaf de vroege kerk heeft men hem gezien en afgebeeld als een herder, die het verloren schaap zoekt en vindt, die de afgedwaalde kudde terecht brengt en die zijn leven inzet voor zijn schapen.

Maar wat vanmorgen vooral opvalt is, dat Hij als herder hen begint te onderwijzen. “En hij begon hen te leren, veel, heel veel” (liever dan ‘langdurig’). Laten we dat eens heel even onder de loep nemen. Zoals je ook de kunstwerken in de kerk vluchtig voorbij kunt lopen, maar dan zie je niks. Je moet er aandachtig en van dichtbij naar kijken, dan zie je het pas. Wij maken vaak onderscheid tussen ‘herderen’ en ‘leren’. Wij zeggen van een dominee, dat hij een herder of een leraar is en soms is hij in het ene beter dan in het andere. Maar Jezus laat zien, dat dat bij elkaar hoort. Als herder onderwijst hij hen. Hij wijst begaanbare wegen, hij vertrouwt hun toe, wat ze moeten doen en laten om het leven aan te kunnen en te ervaren wat het betekent, dat het Koninkrijk Gods nabij gekomen is. In zijn leerschool blijf je altijd leerling en krijg je nooit een diploma of zoiets, want dit gaat om een levenslang leerproces. Willen wij Jezus als onze herder volgen dan zullen wij altijd bij Hem in de leer (moeten) blijven. Je zou het de van Alpha tot Omega-leerroute kunnen noemen.

 

dinsdag, 17 juli 2018 11:00

Het leven een feest!

Geschreven door

Het leven – een eindeloos feest!

 

Toen ik in de jaren 90 predikant was in Steenwijkerwold kende iedereen in het dorp en vèr er buiten de hit van het mannenkoor ‘Het karrenspoor’ “Mooi Man”. Het was een liedje over het boerenleven, dat zijn hoogtepunt bereikte in de kroeg, waar men zich zat kon drinken om de volgende dag met ‘pien in de hasses en een dreuge bek’ wakker te worden. Ja, dat is mooi, mooi man!

Ik moest aan dit liedje en m.n. aan het refrein denken, toen ik zat te lezen in het boek van Jürgen Moltmann “Der lebendige Gott und die Fülle des Lebens” (Gütersloh, 2015). Moltmann en ‘Het Karrenspoor’ lijken elkaar te raken op het punt, waar gezongen en gesteld wordt, dat het leven één groot feest is:

Ja dat is mooi, mooi, mooi man, 
Het leven dat is
één groot feest.

Hoofdstuk 8 van zijn boek geeft Moltmann de titel “Das Leben – Ein Fest ohne Ende” en in de 2e paragraaf daarvan werkt hij dat uit onder het kopje “Das festliche Leben”.

Moltmann zal zeker zijn bedenkingen hebben tegen de tomeloze drankzucht van de ‘mannenbroeders’, maar hij zou hun be-aming van het leven als een feest zeker onderschrijven en waarderen. De vreugde is immers de zin van het menselijk leven, zo stelt hij. Om zich in God te verheugen, daartoe werd de mens geschapen. Om zich in het leven te verheugen, daartoe wordt hij geboren! Daarmee worden de vaak gestelde levensvragen, zoals “waartoe ben ik er eigenlijk? Ben ik nog bruikbaar? Kan ik mij nog nuttig maken?” even buiten haken geplaatst. Er is geen sprake van ‘doel en nut’ als het gaat over de vraag, waarom het menselijk leven er zou moeten zijn. Er bestaan geen ethische of ideale doeleinden, die het menselijk leven zouden moeten rechtvaardigen. Het leven is goed in en op zichzelf, het er-zijn is prachtig en hier-zijn is heerlijk! Wij leven om te leven. De wereld van de arbeid in de hoog-geïndustrialiseerde wereld valt de kinderen bij de oppas al lastig met zulke existentiële vragen, waarin toch wel de zin en het nut van het leven gelegen kan zijn? Wie echter de zin van zijn of haar leven in bruikbaarheid en nut denkt te moeten vinden, komt ongetwijfeld in een levenscrisis terecht, als hij of zij ziek, gehandicapt of oud wordt. De ‘zin’ van het leven ligt namelijk niet buiten het leven, maar erin. Het leven mag je nooit als middel tot een doel opvatten. Wie het leven als vreugde in God en in het leven zelf heeft leren zien stelt de angstige existentiële vraag naar het waartoe niet meer. Hij wordt innerlijk immuun voor de eisen van de prestatie-ideologie, die hem voor vreemde doelen misbruiken wil. Hij zal zich daarom ook kritisch gaan opstellen tegenover een maatschappij, die mensen alleen maar naar hun bruikbaarheid inschat en hen alleen maar als arbeiders of als consumenten aanmerkt en ‘waardeert’.

Hier wordt het verschil tussen ‘Het Karrenspoor-lied’ en Moltmann wel heel pregnant, natuurlijk. Bij Moltmann krijgt de vreugde om het leven een maatschappij-kritische uitwerking, terwijl het liedje niet verder komt dan een hedonistisch ‘wij nemen er nog ééntje’, dat uiteindelijk de vreugde alleen maar de das om doet.

 

 

 

zondag, 15 juli 2018 10:35

Twee aan twee

Geschreven door

Preek gehouden op de 4e zondag van de zomer 15 juli 2018 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Markus 6: 6b-13

 

Twee aan twee

 

Als er op een ongelegen moment aangebeld wordt en er twee mensen voor de deur staan, van wie één met een tas in de hand of een stapeltje tijdschriften onder de arm, dan weet je wel hoe laat het is. De Jehovah’s Getuigen hebben de opdracht van Jezus aan zijn leerlingen om er twee aan twee op uit te trekken als een altijd en overal geldend gebod opgevat – en zo staan ze daar en vragen wat je van de toestand in de wereld vindt en dat de Bijbel zegt, dat het niet lang meer zal duren of de wereld zal vergaan en dat je daar meer over kunt lezen in dit tijdschrift, Wachttoren geheten, en dat je dan tot de 144.000 kunt behoren, die gered zullen worden.

Er volgt nog wat heen en weer gebabbel en dan gaan ze naar de volgende deur om ook daar het blijde nieuws te verkondigen.

Vreemd is het wel, dat de mensen o.h.a. helemaal niet blij worden van zo’n onverhoedse benadering en jammer is het ook, dat van de oorspronkelijke boodschap van Jezus zo weinig doorklinkt.

Hoe was dat, toen Jezus zijn eerste leerlingen erop uit stuurde? Wat moesten ze eigenlijk doen en waren ze een beetje succesvol? Kon Jezus het niet alleen af, dat hij zijn hulptroepen moest inzetten?

Als je hoort, hoe ze er op uit gestuurd worden, dan zouden we denken: nou, dat kan toch wel wat professioneler en met wat meer uitstraling. Wat een stelletje armoedzaaiers zijn dat: ze hebben niks bij zich, lopen steeds in hetzelfde kloffie, niet eens een extra ‘verschoninkie’ bij zich, en met een stok in de hand gaan ze door ‘het ganse land’. Zo proberen ze in gesprek te komen met mensen, vertellen zij over het Koninkrijk Gods en sporen hen aan zich te bekeren. Om te keren.

Maar zeg nou zelf, vindt u het gek, dat de meeste mensen zeiden: wat zijn dit voor wereldvreemde dwazen? Waarom zouden we gehoor geven aan hun oproep? Zij roepen ons op om ons te bekeren, maar laten zij het zelf maar doen en een beetje normaal gaan doen. Zwervers en klaplopers zijn het. Niet van deze tijd, niet van deze wereld!

Door dat te denken en te zeggen, slaan zij onwetend de spijker op de kop! Deze tweelingen of dubbelgangers – of hoe je ze ook maar noemt – zijn voorlopers van het Koninkrijk Gods. Zij laten a.h.w. zien, dat zij niet tot de ‘oude wereld’ behoren, die verziekt en verdraaid is. Door zich zo buiten de orde te plaatsen laten zij zien, dat de wereld vernieuwing en verandering behoeft. Zij houden de mensen een spiegel voor…hé, jullie denken, dat wij gek zijn, maar kijk eens naar je eigen leven en wereld?!

Wij kondigen een nieuwe tijd aan, een tijd, waarin ziekte en demonen het niet meer voor het zeggen zullen hebben, maar welzijn, heelheid en bevrijding!

Ja, zo gingen zij te werk en lieten in Jezus’ Naam gebeuren, wat Hij wilde en op het oog had. Dat de mensen weer vrij zouden zijn en niet meer gebonden aan machten en structuren.

Zoals ook nu de mensen zuchten onder werkdruk, stress en verslaving, - dit moet en dat moet om er bij te horen – en geen ogenblik rust om tot jezelf te komen – o Goddank, dan is het vakantie, maar ook die wordt vaak volgepropt met activiteiten en bezigheden – en dan moe van de vakantie weer in de ratrace van het werk. Wat een leven… Veel jongeren kunnen er niet meer tegen en slaan – uit wanhoop - een doodlopende weg in.

De leerlingen gaan demonen uitdrijven. Ze bellen aan en zeggen: “wij komen demonen uitdrijven”. “Heel goed bedoeld, heren, maar hier zijn geen demonen. Probeer bij de buren maar eens…”

Mensen weten vaak niet, dat zij bezeten zijn, bezet zijn door wat niet van hen is. Dat zij helemaal vol van iets zijn, waardoor er geen ruimte is voor het echte en het eigenlijke.

Onze vraag moet nu niet zijn of demonen wel bestaan, maar of datgene waarnaar zo’n begrip verwijst bestaat. Het demonische is eigenlijk een karikatuur van het goddelijke en het heilige. Wanneer mensen zich buigen voor wat niet-God is, wanneer zij onvoorwaardelijk ontzag hebben voor iets, wat eigenlijk geen waarde en betekenis heeft. Wanneer mensen iets absoluut maken wat het in wezen niet is.

Zo komt het demonische in vele vormen en varianten voor – het heeft iets aantrekkelijks en is tegelijkertijd ook vernietigend. Je lijkt er groot en betekenisvol door te worden, maar tegelijkertijd kleineert het je en word je een onbetekenend radertje in een machine die maar doordendert en niemand weet waarheen. Het demonische komt in het groot en in het klein voor en ongemerkt maakt het zich sterk en neemt het de plaats in van God en het goede.

En als die twee dan de demonen beginnen uit te drijven dan maken zij a.h.w. weer ruimte voor God en het goede in de mensen. Daardoor komt er een andere mentaliteit en blikrichting. Zo iemand wordt weer vrij en laat zich niet meer koeieneren door wat men wil en doet. Van ‘bezet’ wordt men ‘vrij’.

Zo ongeveer stel ik mij voor wat de betekenis van dit evangeliebericht kan zijn. Misschien mag ik ook nog even op een paar details in de vertaling wijzen, die ons misschien op het verkeerde been hebben gezet. Zo bijv. dat zij er met een stok op uitgestuurd worden. Is dat een stok om de hond mee te slaan, als ze een boerenerf opkomen?

Nee, ik dacht dat het woord ‘staf’ een betere vertaling zou zijn. Een staf is onmisbaar op reis, het is het symbool geworden van het ‘onderweg-zijn’. Maar het is ook het attribuut van de herder, van iemand die leiding en sturing wil geven en daar staat de staf dan symbool voor. Mozes had ook een staf, waar hij wonderlijke dingen mee uitrichtte. Zo splitste hij de wateren van de Rode Zee ermee, zo verhaalt de Schrift – kortom, de staf verbeeldt de reddende nabijheid van God. Later werd het woord ‘staf’ zelfs de benaming voor de leden van een raad van medewerkers.

En dan nog dat stof van de voeten afschudden. Vrome Joden deden dat als zij een reis naar het buitenland gemaakt hadden en weer terugkeerden in eigen land dan schudden zij het stof van hun voeten om het heilige land niet te verontreinigen.

Zoiets deden onze twee missionarissen ook en zo staat er dan in onze ‘lekker makkelijk te begrijpen vertaling’: ‘ten teken dat zij niets meer met hen te maken wilden hebben’.

Maar, beste gemeente, dat staat er niet alleen niet, maar het druist ook in tegen alles wat het evangelie bedoelt en wil uitstralen.

Er staat eigenlijk zoiets als ‘hun tot een getuigenis’. Ik denk dat zij bij het weggaan nog even bij de deur met hun sandalen wapperden en vriendelijk afscheid namen en daarmee zeiden zij: we hebben het er nu verder niet meer over, maar denk er nog eens over na. De deur naar de ommekeer staat altijd open!

zondag, 08 juli 2018 12:03

What would Jesus do?

Geschreven door

Preek gehouden in de Grote of Mariakerk op zondag 8 juli 2018 n.a.v. Markus 6: 1-7

 

What would Jesus do?

 

M.n. in de jaren 90 van de vorige eeuw was het een hype in Amerika onder jongeren om een armbandje om te hebben met de letters WWJD. Die staan voor de regel “What would Jesus do?” – “Wat zou Jezus doen?” Overal kwam je die letters tegen, achter op autobumpers, op bierviltjes, petjes, noem maar op en het moest de lezers ervan eraan herinneren, dat je bij het nemen van beslissingen je eraan moest denken, wat Jezus in zo’n situatie zou doen.

Vooral in conservatieve kringen was deze slogan ook bedoeld als rem op een al te vrije seksuele moraal – als een jongen al te vrijpostig met zijn vriendin wilde omgaan herinnerde het armbandje hem eraan kalm aan te doen. Gemakshalve ging men ervan uit, dat Jezus daar duidelijke uitspraken over had gedaan.

Maar er zijn natuurlijk ook andere situaties denkbaar. De letters kunnen je er aan herinneren om altijd eerlijk te zijn en op te komen voor de belangen van anderen. Misschien zou het armbandje mensen milder kunnen stemmen in hun oordeel over anderen, ruimhartiger te zijn als het gaat om vluchtelingen en asielzoekers – maar, wacht, nu probeer ik anderen zo’n armbandje om de pols te strikken en daar is het niet voor bedoeld, natuurlijk. Het armbandje is alleen voor jezelf bedoeld! Daarom zie ik enige overeenkomst met de Joodse gebedsriem – als sticker op de bumper is het eigenlijk al misplaatst, want dan confronteer je er een ander mee – terwijl het om jezelf gaat!

Wat zou Jezus doen – of liever: wat deed hij, als het zondag was? Dan ging hij naar de kerk (nou ja, op sabbat naar de synagoge)…gemakshalve zet ik dat maar even op één lijn. In Nazareth ging hij op de sabbat naar de synagoge. Er was er maar één, dus er viel niets te kiezen. Als hij op zondag naar de kerk in Meppel zou willen gaan zou hij zich moeten afvragen: maar naar welke kerk zou ik dan gaan?

Ik denk, dat hij zich allereerst verbazen zal over het feit, dat er zoveel kerken en samenkomsten gehouden worden in Zijn Naam. Hij zou misschien overal zijn licht eens opsteken en willen horen en zien, wat ze over hem te vertellen hadden. Hij zou zien hoe zij brood en wijn lieten rondgaan, hij zou horen welke liederen zij over hem zongen en hij zou zich moeten oriënteren op het gebied van de naamgevingen van allerlei groepen, die variëren van protestants tot remonstrants, van doopsgezind tot baptist, rooms-katholiek en vrij-evangelisch, nieuw bleek de empowerment-church en overal hadden zij het steeds over Hem, over zijn woorden en werken, zijn dood en opstanding, zijn betekenis en impact.

Wat zou Jezus doen? Wat zou hij zeggen? Ik moet ineens denken aan Paulus, die in Athene het evangelie wilde verkondigen, dat hij versteld stond over de veelheid van beelden en goden in die stad en hoe diep-religieus die mensen wel moesten zijn, maar hij bemerkte al gauw dat men geen oren had naar zijn verhaal over Jezus en de opstanding. Zo zou Jezus zich ook wel eens kunnen verbazen over de veelheid van kerken en samenkomsten en ik denk, dat hij bij iedere kerk wel een notitie zou achterlaten.

Wat hij over die andere kerken zou zeggen gaat ons niet aan. Maar wat zou hij over ons zeggen?

Hij sprak met wijsheid in de synagoge. Iedereen onder de indruk. Waar haalt hij het vandaan? Zo’n begaafde spreker horen we niet vaak hier. Geweldig!

Maar even later zeggen ze: O, die man kennen we wel. Hij komt hier oorspronkelijk vandaan. Zij vader en moeder wonen hier om de hoek, dat klussenbedrijf is wel bekend hier “Jozef & Zoon” heet het. En zijn moeder Maria en dat hele gezin, waar hij uit komt, we kennen ze allemaal, bij naam en toenaam. Een heel gewoon arbeidersgezin, niks bijzonders.

Zo wordt er over hem gepraat. Zij geloven niet, dat Hij de messias kan zijn. Zij geloven niet, dat Hij de door God gezondene is om het Koninkrijk Gods te verkondigen en nabij te brengen. Zij geloven niet, dat Hij hun leven kan veranderen en toekomst kan geven. Zij geloven niet, dat Hij de wereld kan veranderen en dat zijn verhaal mensen en culturen zal omvormen tot ver in de 21e eeuw na Christus. Ja, dat een jaartelling naar Hem genoemd zal gaan worden: zij hebben er geen notie van.

Zij namen aanstoot aan hem. Zij struikelden over hem. Hij was een steen des aanstoots, omdat hij niet voldeed aan hun verwachtingen en idealen. Hij was te gewoon om de messias te kunnen zijn. Hij was te gewoon om zoon van God te mogen heten. Daarom moest hij ook uiteindelijk uit de weg geruimd worden, zoals je een steen weggooit, die jou de weg verspert. Dan kun je tenminste weer verder lopen, zonder hindernissen en obstakels. Zo werd er over hem gedacht, nadat hij in de synagoge gepreekt had.

De vraag is nu, of wij hem ook zo zien. Of haasten wij ons nu om te zeggen: nee, wij zien hem anders. Wij hebben hem hoog zitten en kom niet aan Jezus, want dan krijg je met ons aan de stok. Wij volgen hem op de voet en bij al onze beraadslagingen vragen wij ons af: wat zou Jezus doen? Really?

Wel, als Jezus dan zo populair is onder ons, waarom is er dan zoveel verdeeldheid en onenigheid over van alles en nog wat? Als wij dan zo heilig geloven in Jezus, waarom maken we ons dan zo druk over materiële dingen? Is dat in navolging van hem, die geen steen had om zijn hoofd op neer te leggen?

Waarom zijn we er als de kippen bij om iemand te oordelen of te veroordelen, terwijl Hij zich onthield van een oordeel en gezegd heeft: oordeelt niet, opdat je niet zelf geoordeeld wordt. Met de maat waarmee je zelf meet zul je ook gemeten worden.

Zal Jezus, als hij komt, - zie, hier ben Ik - zich verbazen over ons ongeloof of zal hij zich verheugen over ons geloof?

Zit er een schoen bij, die u past? Trek hem gerust aan!

 

 

zondag, 01 juli 2018 11:31

Meiske, wees opgewekt!

Geschreven door

Preek gehouden op zondag 1 juli 2018 in de Grote of Mariakerk in een viering van Schrift en Tafel n.a.v. Markus 5: 22 e.v.

 

Meiske, wees opgewekt!

 

De evangelist Markus doet niet(s) liever dan Jezus (te) portretteren als een weldoener. De mensen drommen om hem heen en iedereen wil iets van hem. Vanmorgen staat ineens de baas van de synagoge voor hem, helemaal overstuur, want zijn dochtertje is terminaal. “Leg haar de handen op, a.u.b. Misschien knapt ze er van op. Het zal haar hoe dan ook goed doen!”

Ik weet uit eigen ervaring, hoe bijzonder het is, wanneer ik mensen, die op sterven liggen, de handen opleg en de zegen geef. Een veelbetekenend ritueel vergezeld met krachtige woorden, zodat deze mens in vrede mag heengaan.

Maar dan is er ineens vertraging en oponthoud. Er is iemand anders, die aandacht vraagt, niet heel nadrukkelijk en opvallend, maar eerder sneaky en stiekem. Een vrouw, zo bescheiden en ook zo bang, dat ze Jezus niet durft aan te spreken, maar volstaat met de zoom van zijn mantel aan te raken. Dat moet voldoende zijn, denkt zij.

In onze ogen heeft zij misschien een magisch geloof, dat ons wellicht wat primitief voorkomt, maar ook in onze tijd komen we dat in vele vormen nog tegen. Waarom hebben mensen veel geld over voor een shirt van een topvoetballer, om maar wat te noemen?

En het is al even magisch gedacht, wanneer Markus opmerkt, dat er kracht van Jezus uitging: er lijkt een soort magnetisch veld te ontstaan tussen Jezus en deze vrouw, die al 12 jaar leed aan bloedingen. Zij was al bij alle dokters langs geweest en het had haar een vermogen gekost, maar niemand kon haar kwaal verhelpen. Ten einde raad dan maar zich tot Jezus gewend en zich aan hem overgegeven – misschien is hem fysiek aanraken al genoeg. Dat vereiste meer moed en geloof dan we zouden denken. Door haar kwaal behoorde zij eigenlijk tot de onreinen, de on-aanraakbaren, stond zij buiten de maatschappij. Zij was een outcast – maar door zich naar Jezus te begeven liet zij zich niet ‘uitwerpen’ en Jezus verwierp haar evenmin! “Je geloof heeft je gered. Ga heen in vrede en wees genezen van je kwaal”.

Terwijl dit oponthoud plaats vindt voltrekt zich het drama in het huis van de baas van de synagoge. Het meisje is intussen overleden. Jezus hoeft niet meer te komen, want nu is het te laat. Te laat?

Jezus doorbreekt de muren van de tijd en laat tijd en eeuwigheid in een groots continuüm samenvloeien. In zijn tijdsopvatting en beleving bestaat geen ‘te laat’, want ieder heden is gevuld met de presentie van God, verbeeld door en belichaamd in zijn eigen aanwezigheid.

Als de Opstanding en het Leven treedt hij op het meisje toe – eerst iedereen naar buiten, die lacht om deze interpretatie van de werkelijkheid, geen pottenkijkers en weeklagers wil hij er bij hebben, geen op sensatie beluste toeschouwers wil hij zien, maar met enkele intimi – de ouders en drie van zijn leerlingen – achter gesloten deuren wekt hij het meisje op tot leven.

Jezus geeft leven aan de vrouw, die geen leven had. Haar leven was een verloren leven, een onvruchtbaar leven, een eenzaam leven, dat geen leven mocht heten.

Het meisje, de dochter van…, had ook geen leven. Zij werd altijd klein gehouden en ze mocht niks, want haar vader was de baas en werd afgerekend op iedere misstap van zijn kind. Zij leefde in een verstikkend milieu en kon niet worden wie zij was.

“Want zij was 12 jaar”, voegt Markus tenslotte laconiek toe. Alsof dat een reden was om haar op te wekken. Ja, toch wel, want dat is de leeftijd, dat een meisje in Israël volwassen wordt, zowel in maatschappelijk als in religieus opzicht word je op die leeftijd zelfstandig. Een meisje wordt een vrouw.

Jezus geeft haar leven, niet alleen fysiek, maar vooral inhoudelijk. Voortaan zullen beide vrouwen leven, d.w.z. niet meer geleefd worden, maar zelfstandig en vrij leven.

Ook nu nog komt Jezus bevrijdend en heel-makend op ons toe en wil hij ons losmaken van alles wat ons kleineert, onderdrukt en misvormt.

Het meisje, zo lezen we tenslotte, begon te eten en rond te lopen. Gewoon de meest alledaagse en noodzakelijke dingen te doen. Straks doen wij precies hetzelfde en terwijl wij het brood ontvangen en de wijn proeven en rondgaan door de kerkruimte zullen we denken aan dat meisje. Zoals zíj het leven kreeg zo ontvangen wíj het evenzo!

zondag, 27 mei 2018 10:48

De 'meaning' van de Triniteit

Geschreven door

Preek gehouden op zondag Trinitatis (27 mei 2018) in de Oude Kerk n.a.v. Handelingen 2 (slot)

 

De ‘meaning’ van de Triniteit

uitlopend op een gebed van Jürgen Moltmann

 

Gisteren was ik bij de kapper – dat kunt u wel zien, denk ik – en dan gaat het altijd over van alles en nog wat: over de kinderen, de vakantie, het weer, Meppel en de krant. Maar gisteren kwam ons gesprek ineens op de Heilige Drie-eenheid, omdat ik vertelde, dat ik morgen in de kerkdienst daarbij zou stilstaan. De zondag na Pinksteren is zondag Trinitatis, een oude kerk-Latijnse benaming voor de Drie-eenheid. Ik was benieuwd of dat leerstuk van de kerk – om het zo maar even te noemen – ook nog enige bekendheid had en welke betekenis dat zou kunnen hebben.

Zoals dat vaak gaat, wanneer het gesprek – met wie ook – over het geloof gaat, dan waait het alle kanten uit. Zo ook gisteren bij de kapper. Het woord ‘eenheid’ was blijven hangen en die was ver te zoeken, vond de kapper, terwijl hij mijn oor stevig beetpakte. En ik moest hem daarin gelijk geven. Het sprongetje naar het voetbal in Meppel was ook gauw gemaakt: verschillende clubs, die elkaar bevechten en niet bij elkaar op het veld willen komen. Dat gaf een treurig beeld van een samenleving, die zo verdeeld is, zelfs rondom een spelletje voetbal.

Maar zo vertolkte de kapper de mening van veel andere mensen: op het gebied van het geloof was dat nog een graadje erger en heviger. Dat gelovigen elkaar naar het leven staan, vroeger en nu, en dat het daarom ook geen wonder is, dat mensen afstand nemen van religie, want het is in feite altijd ‘moord en doodslag’ wat de klok slaat.

Of het idee van de Drie-eenheid ons hierbij nog wat verder kon helpen misschien? Op het eerste gezicht niet, eigenlijk. Wat moet je met zo’n oud stoffig en onbegrijpelijk dogma als de Drie-eenheid in een discussie over geloof en geweld, religie en oorlog?

We herinnerden ons ineens beiden de ‘royal wedding’ van vorige week zaterdag, toen Harry en Meghan in die prachtige kerk elkaar het Ja-woord gaven. En hoe mooi de bruid was en hoe bijzonder de tranen van de moeder van de bruid waren en hoe verrassend en blij-makend de preek van die Amerikaanse bisschop was en, zo voegde ik er aan toe: heb je ook gemerkt hoe vaak in het officiële gedeelte de Naam van de Drie-enige God werd genoemd? Telkens klonk als een soort bezwerend slotfrase: …in the Name of the Father, the Son and the Holy Spirit. Het had iets mechanisch en cliché-matigs, er zat geen leven of dynamiek in. Het klonk mij in de oren als een vaste formule, waar niemand enig waarde aan hechtte, maar die anderzijds ook niet gemist kon worden. Als een oud restant werd het toegevoegd, onmisbaar blijkbaar, maar vraag niet waarom.

Geloof je in de Drie-eenheid? Als zo’n vraag op je afkomt kun je met Ja antwoorden en verder overgaan tot de orde van de dag. Als je Nee zegt, kan iemand zeggen: hé, waarom niet? Ben je soms een Unitariër? Dat klinkt als een deftig hondenras, maar het betekent gewoon, dat je gelooft, dat God één en enkelvoudig is. Er is één God en God is één.

De Drie-eenheid, zo zegt men dan, is een ongelukkig misverstand en het druist in tegen alles wat wij redelijk en begrijpelijk achten. Eén en toch Drie of Drie en toch Eén, daar staat ons verstand bij stil. Dus, wij doen er niks mee.

Maar is het mogelijk iets te zeggen over de zin en betekenis van het dogma van de Drie-eenheid – dogma klinkt misschien wel wat zwaar en onwrikbaar en het is ongetwijfeld beter om de Drie-eenheid te bezingen dan erover te redeneren – en zou dit ‘leerstuk’ ook nog de problematiek waar de kapper en ik het over hadden, kunnen verhelderen? Ik wil het proberen…

Als we het over God hebben denken wij meteen te weten over wie wij het hebben. God is almachtig, alwetend, albesturend, ongenaakbaar, ver weg, soms ziet hij eruit als een vriendelijke man met een baard op een wolk. Een patriarchale God, die de wereld gemaakt heeft en zijn hand heeft in alles wat er gebeurt. Deze God kom je tegen bij de Grieken, de Romeinen, de Germanen en ook bij het oude Israël. In het Oude Testament vertoont God inderdaad ook soms deze trekken. Grimmige gelaatstrekken.

Dit is de God, die gewapende verdedigers heeft. Fanatici, die te vuur en te zwaard in naam van God of Allah mensen onderwerpen, zoals zijzelf onderworpen zijn aan die hoge God.

Wat wil nu de leer van de Drie-eenheid ons bijbrengen? Wel, dat wij over God met drie woorden moeten spreken. O ja, wij mogen God zeker als de bron en oergrond van alles beschouwen, de Schepper van hemel en aarde en er is niets mis mee om Hem als Vader aan te roepen – of als Moeder – maar pas op voor tirannieke en onverdraagzame en autoritaire trekken in Hem.

Want het is zo ontzettend belangrijk om nu te zien, hoe de kerk dat beeld van God heeft bijgesteld aan de hand van de Persoon van Jezus. Zó zelfs, dat zij hem hebben opgenomen in het beeld van God zelf. Wil je weten wie God is, ga dan niet lopen fantaseren en alles tot in het oneindige uitvergroten, maar richt je blik en aandacht op Jezus! Veel gelovigen hebben er moeite mee om Jezus als God te belijden, maar het is wellicht ook beter om het om te draaien en te zeggen: God is als Jezus. In Jezus zien wij het aangezicht en het hart van God: menselijk en barmhartig, niet veroordelend en hoopgevend, liefdevol en tot het uiterste begaan met alle mensen.

En dan vierden wij vorige week het feest van de Heilige Geest. Dan wordt het helemaal vaag en wazig, vinden veel mensen. Maar het gekke is, dat het met de Geest juist concreter wordt en dichter bij onszelf en de wereld. Want het verhaal van Jezus als beeld van God zou je nog kunnen beschouwen als iets van toen en daar – wat heb ik daar nú aan, in deze tijd, in mijn leven? Nou, de Geest is uitgestort op ‘alle vlees’, d.w.z. op alle mensen en schepselen en hebben zo deel gekregen aan God. En zo kan God in de Geest aanwezig zijn in alle tijden en in alle mensen.

En je merkt het als mensen geïnspireerd raken door de Geest: zij worden creatief en hoopvol; ze leggen zich niet bij de status quo neer, maar zijn altijd op zoek naar nieuwe kansen en mogelijkheden. Zij zijn meer met de toekomst bezig dan met het verleden. Zij hebben oog voor elkaar en delen alles wat ze hebben met elkaar. Niemand zegt: hé, afblijven, dat is van mij! Maar ze zeggen: laten we alles samen eerlijk delen en niemand hoeft tekort te komen.

Laten we ons brood delen en laten wij bij elkaar aan huis de maaltijd vieren. Zo deed de eerste gemeente dat en op vele andere manieren is die manier van samenleven vorm gegeven en voortgezet.

Er wordt geen blauwdruk gegeven van ‘zo moet het’, maar eerder een voorbeeld van ‘zo kan het’. Maar in een andere tijd en situatie misschien weer anders. Maar altijd vol hoop en goede moed, dat het anders kan.

Dat is de drijvende kracht van de Geest en zo wordt het aangezicht van de aarde vernieuwd. De Geest is één en al beweging en dynamiek.

De gedachte van de Drie-eenheid is dus zo gek nog niet, want het laat Gods aanwezigheid in de wereld en in ons leven zien als een cascade, een in stappen en kringen naar beneden stromend water, uitgaande van de Vader, door de Zoon, in de Heilige Geest, in ons, in de wereld.

 

Dankgebed van Jürgen Moltmann uit “The Source of Life. The Holy Spirit and the Theology of Life”

 

“God, schepper van hemel en aarde, het wordt hoog tijd dat U komt, want onze tijd raakt op en de wereld loopt op haar laatste benen. U hebt ons het leven gegeven om met elkaar in vrede te leven, maar wij hebben de vrede verkwanseld door in onmin met elkaar te leven. U hebt uw schepping in harmonie en in evenwicht tot stand gebracht, maar wij wilden vooruitgang en vernietigen daarmee onszelf.

Kom, Schepper van alles, vernieuw het gelaat van de aarde!

Kom, Heer Jezus, kom als onze broeder op ons toe. U bent gekomen om te zoeken wat verloren was. U bent naar ons toegekomen en U hebt ons gevonden. Neem ons met U mee op uw weg. Wij hopen op uw Koninkrijk, zoals wij ook hopen op vrede. Kom, Heer Jezus, kom spoedig.

Kom, Levensgeest, overstroom ons met uw licht en doordring ons met uw liefde. Maak onze kracht in ons wakker door uw energie en laat ons er volkomen zijn in uw aanwezigheid. Kom, Heilige Geest!

God, Vader, Zoon en H. Geest, drie-enige God, verenig uw uiteengescheurde en verdeelde wereld met Uzelf en laat ons allen één zijn in U, één met uw ganse schepping, die U prijst en verheerlijkt en in U volkomen gelukkig is”.

 

 

dinsdag, 22 mei 2018 14:41

Goochelen met (eindtijd-)data

Geschreven door

De VS-ambassade in Jeruzalem:

hoe een Amerikaanse ambassade de wederkomst bespoedigt of goochelen met de eindtijd

 

De verhuizing van de Amerikaanse ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem wordt door veel christenen (m.n. in de VS) gezien als een belangrijke stap in de goede richting. In de richting namelijk van de ‘wederkomst van Christus’. Op basis van verschillende Bijbelpassages en m.n. uit de profetieën kan men immers weten, dat Hij zal terugkeren op de Olijfberg, wanneer Jeruzalem de hoofdstad van Israël zal zijn en dit alles onder toeziend en instemmend oog van de Verenigde Staten. Men kan slechts tot deze geforceerde voorstelling van zaken komen, wanneer men de Bijbel laat buikspreken en de teksten, die men relevant acht, naar eigen hand en gedachten zet.

“Dit zijn schokkende beelden”, zo laat het Journaal ons bij voorbaat wel eens weten, wanneer beelden van aanslagen en verwoestingen worden getoond. Wat ik vandaag (22 mei 2018) in Trouw las over “Het einde der tijden: conservatieve christenen in Nederland zijn vaak in hun sas met Donald Trump. Zijn steun aan Israël bevordert namelijk de wederkomst van Christus” vond ik al even schokkend, zij het in een andere zin. Schokkend, omdat bijbelse eschatologische en mythische beelden over het Koninkrijk van God als piketpaaltjes worden ingeslagen, die bepaalde politieke gebeurtenissen moeten verhelderen en die ook zelfs beslissingen uitlokken, zoals nu onlangs de verhuizing van de Amerikaanse ambassade naar Jeruzalem.

Schokkend, omdat zo van de Bijbel een spoorboekje gemaakt wordt, dat precies aangeeft op welk station wij ons bevinden en hoeveel wij er nog te gaan hebben, alvorens het eindstation bereikt wordt. Dat Donald Trump daarbij een beslissende rol zou spelen, als ‘seinenman’ of conducteur, is al even schokkend als stuitend.

Schokkend, omdat de Bijbel – of zelf gekozen fragmenten daaruit – voor een kar(retje) wordt gespannen, waar zij helemaal niet voor wil en kan lopen. Je raakt het spoor volledig bijster, als je losse bijbelwoorden uit zijn context haalt en laat paraderen voor je zegekar van de eindtijd-ideologie. Al heeft Jezus duizendmaal gezegd, dat van die ‘ure’ niemand weet noch kan weten, men lapt het aan zijn (cowboy-)laars en als een enthousiaste puzzelaar legt men de stukjes één voor één op de wereldkaart en het voldoet al aardig aan de eigen verwachtingen en bedoelingen. Dat heet dan ‘het bijbelse plaatje’, maar het is vooral het eigen plaatje, dat men heeft uitgetekend en dat al behoorlijk begint te ‘lijken’. Geen wonder, want zo gaat dat meestal met ‘selfies’.

Het is vooral ook schokkend, omdat het zo dwaas is. Net zo dwaas, als wanneer je vanuit de verhalen van die andere Donald (of die andere Duck, zo je wilt) zou menen te kunnen bepalen, waar ‘Verwegistan’ ligt en wanneer je denkt het oer-dubbeltje van Dagobert ergens te kunnen vinden.

Bovendien – en tenslotte – is het einde der tijden niet aangebroken (“Het zal geschieden in het laatst der dagen”, zei Joël toch?), toen op de eerste Pinksterdag de Geest werd uitgestort ‘op alle vlees’? Is Jezus niet tot ons (terug)gekomen in de Geest en inspireert en vervult Hij ons zo niet dagelijks met zijn kracht en wijsheid en wordt zo de wereld niet stukje bij beetje ‘a better place’?

De bijdragen van Trump en Netanjahoe daaraan vind ik vooralsnog tamelijk dubieus.

 

 

zondag, 06 mei 2018 13:43

Venster op een nieuwe wereld

Geschreven door

Preek gehouden in de Grote of Mariakerk op de 6e zondag van Pasen (Rogate = Vraagt) 6 mei 2018 n.a.v. Genesis 8: 1-14

 

Venster op een nieuwe wereld

 

Als de wereld overspoeld wordt door chaos en wegzinkt in barbarij en een mensenleven niet meer in tel is dan duurt het nog een Godganse tijd voordat de wereld weer bewoonbaar is en de menselijke maat hervonden wordt.

Dat vang ik op uit het verhaal, dat wij vanmorgen horen: het slotakkoord van het zondvloedverhaal, waarvan wij vorige week de opmaat vernamen.

De vraag is niet of het allemaal precies zo gebeurd is. Je zou hooguit kunnen zeggen, dat de vele zondvloedverhalen, die er bestaan, uitdrukkingen zijn van een collectief geheugen aan een dramatische gebeurtenis. Maar het kan evengoed een vertolking zijn van een collectieve angst: de angst voor het niets, voor de totale ondergang, de angst voor de dood.

De wereld en de gebeurtenissen in de wereld kunnen op ons een indruk maken van een woeste, ontembare watermassa, waarin we dreigen te verdrinken. Het volk van de Joden, dat deze verhalen heeft opgetekend, heeft zichzelf zo ervaren in tijden van ballingschap en vervolging. Zowel in de Oudheid als in de meer recente geschiedenis heeft dit volk zich bedreigd gevoeld en is het zelfs aan de rand van de ondergang gebracht. De actualiteit van het verhaal van de zondvloed was voor hen vaak voelbaar en dreigend aanwezig.

Juist gisteren en op 4 mei stonden wij stil bij de ervaringen van oorlog, verwoesting, vervolging en barbarij en hoe de mensheid daaronder leed en er aan onder door dreigde te gaan. Maar dat er te midden van die duisternis plekken van licht waren, oorden van veiligheid en bewaring, dat er vensters opengingen, die uitzicht gaven op een nieuwe toekomst. Zo kon het verhaal van de zondvloed fungeren als een vertelling van hoop!

En ook nu worden wij geconfronteerd met ontwikkelingen, die de wereldvrede bedreigen of die een gevaar vormen voor ons leefklimaat: ik hoef alle brandhaarden en ecologische problemen niet op te sommen. Iedereen weet ervan en we hebben er allemaal mee te maken.

Ook al lijken die problemen en dreigingen ver van ons bed zich voor te doen, toch zijn we er ook als individu bij betrokken en levert ook ons persoonlijke gedrag een bijdrage aan het grotere geheel.

Noach wilde graag weten of er al land in zicht was. Hij wilde graag weten of hij nu eindelijk eens van boord kon gaan. Hij wilde weten of er een nieuwe toekomst mogelijk was, een nieuwe aarde met nieuwe mogelijkheden en kansen.

Dat is precies wat wij ons ook telkens afvragen. Is er nog een menselijk samenleven mogelijk na de verschrikkingen van de 2e WO? En na vele andere oorlogen sindsdien? Zijn de bedreigingen voor het milieu zo ingrijpend, dat we nog mogelijkheden zien om het tij te keren of zal de wal het schip keren?

Goddank zit er een venster in de ark: er is altijd uitzicht op de blauwe lucht of de indrukwekkende sterrenhemel. En Goddank is er telkens weer die zevende dag. Ja, dat is wel een opvallend detail, dat Noach om de zeven dagen een vogel laat vliegen. Natuurlijk is dat een verwijzing naar de 7e dag van de rust, de dag van samenkomen rond het Woord en de dag van bevrijding en opstanding.

Bij het te lijf gaan van alle problemen, die ons omringen, wist ook Noach natuurlijk, dat het handig was als je tenminste tot tien kon tellen, - knappe koppen zijn onmisbaar om de toekomst vorm te geven - maar tot zeven tellen is minstens zo belangrijk. Je bewust zijn van het ritme van de tijd, de menselijke maat van de tijd, de tijd nemen voor rust en bezinning, het leren geduld te oefenen en te letten op de kleine en grote tekenen van de tijd. Weten ook, dat deze werkelijkheid schepping van God is, geschenk uit zijn hand!

De raaf, die als eerste werd losgelaten, is een aaseter en weet zichzelf wel te redden in de chaos en in onstuimige tijden. Hij vliegt van hot naar her om te ontdekken waar hij zich mee te goed kan doen. Een overlever, een wat egocentrische overlever, vind ik. Het type, dat zich weet te verrijken ten koste van anderen, juist in chaotische tijden.

De duif is uit ander hout gesneden – de houtduif zeker – hij is een boodschapper, zij kijkt rond of zij van dienst kan zijn. Hij vliegt om te kijken of hij een nest kan bouwen. Zij denkt aan de toekomst. Hij is een vogel van de hoop en zij is symbool geworden voor de vrede.

Met een groen olijftakje in de snavel komt hij tenslotte bij Noach terug. Nu is er niet alleen land in zicht, maar ook krijgt de aarde weer kleur en fleur. Zoals de lente aanbreekt na een lange donkere winter, zo laat de aarde zich weer zien na een periode van overstroming en duisternis.

Een glimp van de zon, een groene twijg in de winter – zo is het Koninkrijk Gods. Kleine aanwijzingen, vingerwijzingen…kijk, zie je dit? Het is maar een klein takje van een olijfboom, maar weet je wat dit betekent? Straks hebben we weer olie voor in de kandelaars, licht in de duisternis. En we hebben weer olie om onze broden en koeken in te bakken…en we hebben weer geurige olie om onze huid te laten glanzen en er blij en aantrekkelijk uit te zien…en we hebben olie om onze koningen en priesters mee te zalven, zodat alles kan heenwijzen naar de komst van de Gezalfde, de Christus, die gekomen is en Die komt.

Wij worden aangespoord om te letten op die groene takjes, die een nieuwe toekomst aankondigen. Ook zullen we de groene takjes van vroeger blijven gedenken, die ons licht en hoop hebben gegeven, toen Europa en Nederland een puinhoop waren geworden, dat er toen nieuwe samenwerkingsverbanden ontstonden en dat de naties zich verenigden en bijeenkwamen in een zaal, - en dat nog steeds doen - waar een groene olijftak is afgebeeld.

Ook nu zullen we de groene takjes niet veronachtzamen of kleineren, want het zijn vingerwijzingen van God, die ons een nieuwe toekomst wil geven.

 

 


 [CH1]

 [CH2]