Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Ook plaats ik hier korte inleidingen of publicaties (in het kerkblad), een vertaalde preek van Paul Tillich en andere beschouwingen. U wordt uitgenodigd om ook daarop te reageren.

Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

zondag, 31 maart 2019 14:46

Vrijheid en omkeer

Geschreven door 
Beoordeel dit item
(0 stemmen)

Preek gehouden op de 4e zondag in de Veertigdagentijd Laetare (Verblijdt u) 31 maart 2019 in de Grote of Mariakerk n.a.v. 2 Kronieken 36: 14-23 en Lukas 15: 11-32

 

 

 

Inleiding op 2 Kronieken 36: 14-23

De 1e lezing is uit 2 Kronieken. Dat is nu niet zo’n erg opvallend of favoriet bijbelboek en als je het OT van begin tot eind zou lezen dan kom je 1 en 2 Kronieken tegen nadat je 1 en 2 Koningen hebt doorgeploegd en dan denk je al lezende: hé, dat heb ik net ook allemaal al gelezen. Het lijkt veel op een doublure van Koningen. Maar dat is het niet. Het gaat wel over dezelfde gebeurtenissen, maar nu vanuit een ander perspectief belicht, vanuit een andere situatie nog eens bezien en verteld. In de Hebreeuwse bijbel, de Tenach, staat Kronieken dan ook op een andere plek. Niet achter Koningen, maar helemaal op het einde. Het laatste hoofdstuk van 2 Kronieken – dat wij nu dadelijk gaan lezen – is eigenlijk de laatste bladzijde uit de Hebreeuwse bijbel. Dat werpt ineens een heel ander licht op zo’n hoofdstuk: het is een verhaal van hoop, van toekomst, een open einde vol verwachting, van nieuw leven, van Pasen….

 

 

Over vrijheid en omkeer

 

Op het eerste gehoor is deze gelijkenis (van de verloren zoon) een beetje een sentimenteel bekeringsverhaal. Er is iemand die erg dwars is en zijn eigen gang gaat, niks meer van zijn ouders wil weten en hun de rug toekeert. Weg uit dat bekrompen wereldje van mijn ouders, hup de wijde wereld in. Ik zal mijn eigen boontjes wel doppen en ik bepaal zelf wel wat ik doe of niet doe. De behoefte aan autonomie en zelfbeschikking: het zit er allemaal duidelijk in en dat herkennen wij ook wel in onszelf of om ons heen.

Maar dan zitten vader en moeder op kerstavond aan tafel en denken terug aan hun recalcitrante zoon. Hoe zou hij het maken? Hij zal toch wel ergens warm binnen zitten? En dan opeens gestommel en rumoer buiten en een klop op de deur: en daar stapt hij laveloos en ellendig binnen, rolt om van de kou en valt aan op de laatste restjes van het kerstdiner.

En vader en moeder huilen van geluk.

Een verhaal als de traan op de wang van het zigeunerjongetje. Maar volgens mij hield Jezus helemaal niet van sentimentele, tandeloze verhalen en zo zal ook de gelijkenis van de gevonden zoon een puntiger spits hebben dan dit verhaaltje met zijn vele variaties.

Maar welke spits dan? Wel, een spits voel je altijd – die is puntig en prikt in je vlees. Zodra deze gelijkenis ons begint te steken en te irriteren zitten we dicht in de buurt bij wat Jezus er mee voor ogen had.

Dus we gaan maar eens op zoek naar onszelf in de gelijkenis. Herkent u zichzelf in de vader van het hele verhaal? Vaders en moeders hebben vast ervaring met kinderen, die dwars en tegen de draad kunnen zijn. Het opeisen van de erfenis, terwijl je nog volop in leven bent, gaat wel erg ver, natuurlijk, maar er zijn wel kinderen, die veeleisend kunnen zijn. Ze willen altijd het beste van het beste en zien graag al hun wensen door hun ouders vervuld.

En kinderen die beslist hun eigen gang willen gaan. Ze stippelen hun eigen koers uit en raken steeds verder weg van het ouderlijk huis: - en dan is de grote vraag: hoe reageren ouders daar op? Verzetten zij zich er tegen of geven ze hun kind de ruimte? Ook al zijn ze het er zelf niet mee eens. Ja, zelfs al zien ze dat hun kind afglijdt en aan lager wal raakt?

De vader in de gelijkenis laat geen enkel protest horen – hij zegt niet: zou je dat wel doen? Hij zegt niet: ik vind het beledigend om nu al je erfenis te vragen. Hij zegt niet: pas op voor de grote boze wereld.

Nee, hij geeft het gevraagde en daarmee uit. Deze vader is zo ruimhartig, dat hij zijn zoon de kans geeft om op weg te gaan.

Dat is het risico van de vrijheid. Dit kunnen we ook betrekken op God en de mensenwereld. Dat God ons vrijheid heeft gegeven: wij kunnen bij hem weglopen. God wil ons wel vasthouden – in liefde en ontferming – maar Hij wil ons niet vastbinden. Als we willen dan kunnen we gaan. Als we God dienen, dan alleen in vrijheid. Wil je Hem niet dienen, dan is dat ook vrijheid – maar het is riskante en gevaarlijke vrijheid.

Herkennen we iets van de vader in ons eigen ouderschap? We zouden nog meer opmerkelijke houdingen en woorden van de vader kunnen opdiepen, maar ik wil ook nog even naar de jongste zoon toe. Hoe hij zich opstelt en gedraagt: herkennen we daar iets van bij en in onszelf?

Zijn sterke behoefte aan autonomie; zijn drang om er op uit te trekken; zijn overdadige levensstijl en verkwistende manier van omgaan met geld en goed. Zijn aan lager wal raken als het slechter gaat met de economie; het steeds dieper wegzakken in het moeras van schulden en geïsoleerd raken van mensen en vrienden, die geen vrienden blijken te zijn. Het totaal op jezelf aangewezen zijn en nergens een uitweg zien.

Ik denk dat de meesten van ons dit niet echt van nabij kennen. In letterlijke zin staat deze jongste zoon ver van ons bed…alleen willen we wel graag met hem mee oplopen naar de vader toe, omdat ook wij wel omhelsd willen worden en een ring aan onze vinger willen hebben en een nieuwe garderobe willen ontvangen. Ja, zo werkt het vaak: we scharen ons graag bij hen, die beloning en erkenning krijgen. En zo zien wij onszelf al begroet worden door de vader en staan we te popelen om aan het grote feest te beginnen.

Maar toch klopt er iets niet…en dat komt omdat we alleen maar achterop gesprongen zijn toen de jongen op weg was naar huis. We weten niks of bijna niks van de heenweg en daarom moeten we ons ook maar niet bemoeien met de terugweg.

Ik denk dat we nog het meeste weg hebben van de jongen die thuis gebleven is: de oudste zoon. Hij past altijd goed op en is altijd bezig met het bedrijf van zijn vader. Hij is wellevend en punctueel; zijn vader hoeft maar te kikken of hij staat klaar. Hij heeft wat over voor de goede zaak en je doet nooit tevergeefs een beroep op hem. Een voorbeeldige jongen.

Hij gaat altijd iedere zondag naar de kerk en vervult keurig zijn christen-plichten. Niets op aan te merken.

Maar als zijn broer thuis komt komt zijn ware aard boven. Dan is hij boos en chagrijnig en komen de verwijten los. Hij is boos op zijn vader en boos op zijn broer, die hij ‘die zoon van u’ noemt.

Waarom is hij nu zo verbitterd en waarom doet hij niet mee met het feest? Zijn vader zegt wel: jij bent toch altijd bij me? En al het mijne is toch ook van jou?

Ik denk dat het zo zit, dat nu ineens duidelijk wordt dat zijn dienst aan de vader een slavendienst is geweest. Hij heeft het eigenlijk niet van harte gedaan. En daarom zegt hij ook zulke bittere dingen over zijn broer: die had al het geld en goed er met prostituees doorgedraaid. Door dat te zeggen openbaarde hij precies wat zijn eigen diepste verlangen was. Inwendig verfoeide hij zijn eigen leven als duf en kansloos – en daarom kan hij ook niet van harte meefeesten.

Hier snijdt de punt van de gelijkenis ons toch wel scherp in het eigen vrome vlees. Want ook wij kerkmensen kunnen zo hard en veroordelend spreken en denken over mensen, die wij buiten- of onkerkelijk noemen. Maar met dat we dat zeggen, staan we zelf buiten en zijn we als de oudste zoon, die niet wil meedoen.

Maar, en dat is het laatste wat ik er van wil zeggen, nooit liggen de posities vast. Er klinkt altijd een vraag: laat je het zo zoals het is of ga je het anders aanpakken?.

De jongste zoon had de mogelijkheid om op te staan en naar zijn vader te gaan. De deur van de bekering staat altijd open.

De oudste zoon kan ook tot zichzelf komen, de woede en de jaloezie laten varen en zijn feestpak aantrekken en mee plezier maken. Het feest is immers pas compleet als iedereen meedoet. Zolang iemand buiten staat te mokken kan het niet echt een feest zijn.

Zelfs al ligt de tempel in puin en liggen de muren van Jeruzalem er als brokstukken bij, al draagt de vijgenboom geen vrucht en al ligt mijn leven er nog zo verloren en doelloos bij – op een dag klinkt in je oor: kom, laten wij opstaan en laten wij optrekken naar Jeruzalem, die schone stad, en haar herbouwen en er in wonen.

En zo kan het zo maar midden in deze werkelijkheid van alledag Pasen worden: komt, laten wij opstaan, naar onze Vader gaan en laten wij blij zijn…vandaag en alle dagen van ons leven.

Lees 180 keer
Plaats een reactie

Velden met een (*) zijn verplicht