Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

maandag, 18 oktober 2021 09:28

Naar U, Heer, verlang ik (Cantate 150)

Geschreven door 
Beoordeel dit item
(0 stemmen)

Preek gehouden op de 5e zondag van de herfst 17 oktober 2021 in de Catharijnekerk te Heusden als inleiding op de uitvoering van Cantate 150 van J.S. Bach: “Nach dir, Herr, verlanget mich” (Psalm 25: 1)

 

Nach dir, Herr, verlanget mich. Naar U, Heer, verlang ik. Zo begint Psalm 25 en zo begint ook de cantate van deze zondag, die we zo dadelijk gaan horen.

Verlangen is zowel in het Nederlands als in het Duits een prachtig en veelzeggend woord. Verlangen heeft te maken met ‘verlengen’, je langer maken (sich erlangen in het Duits), je uitstrekken naar iets of iemand, zoals je ook hoort in het woord ‘reikhalzen’. Je reikt ergens naar, je strekt je uit naar iets om het te grijpen, als dat kan.

Verlangen hoort bij het menselijk bestaan, want ‘verlangen’ is een uiting van gemis. Je verlangt naar wat je niet hebt of niet bent. Je verlangt naar gezondheid, naar vriendschap, naar geborgenheid, naar zin en samenhang…en uiteindelijk en ten diepste verlangen wij naar God. Hij is de bron en de grond, de samenvatting en de totaliteit van al ons verlangen. In Hem komt ons verlangen tot rust, maar, zo geloof ik, daardoor zullen ook weer nieuwe, oneindige verlangens ontstaan. Dat is de droom van het Koninkrijk Gods, het eeuwige leven, wanneer God zal zijn alles in allen.

De dichter van Psalm 25 is iemand, die zich rechtstreeks tot God wendt. En hij heeft zijn bevindingen opgeschreven, heeft verslag gedaan van zijn worstelingen met de Eeuwige. Hij geeft ons een inkijkje in zijn ziele-roerselen. En ook wij hebben die woorden gevonden en we nemen ze tot ons en herkennen onszelf er in. Zo ook Bach en zijn tijdgenoten in het begin van de 18e eeuw, zo’n 300 jaar geleden.

Maar wat wij nu bovendien te zien en te horen krijgen is ook een reactie, een reflectie op die oorspronkelijke woorden en gedachten van de Psalmdichter. Telkens als Bach en zijn tijdgenoten een stukje uit Psalm 25 hebben gelezen (tot 3x toe) becommentariëren zij het en dan valt het mij op, dat zij de woorden op zichzelf en op hun eigen tijd betrekken.

Dat is heel goed en ook heel mooi, natuurlijk. Een tijdloze omgang met de Schrift is steriel en doods. Wat ik in de cantate zie gebeuren is, dat de commentator, de dichter van de delen 3, 5 en 7 (moet u straks maar eens op letten), Psalm 25 waarschijnlijk een te klagerige en tobberige toon vindt hebben; hij vindt de Psalmdichter te veel in mineur denken en praten. Daarom wil hij niet in dat geklaag en gesomber van Psalm 25 blijven hangen en hij of zij (de tekstdichter is onbekend) zet daar tegenover de vreugde en het feest van het geloof in Christus. Natuurlijk weet hij ook wel: er is in ons leven veel onheil en tegenslag…en in Bach’s tijd wisten ze daar ook veel van…en -zo zegt hij ook - stormen mogen woeden en de toppen van de ceders kunnen kraken en knarsen, maar, hoor!, ze blijven overeind…en zo is het ook met ons, want God en Christus staan ons dagelijks terzijde en zo overwinnen wij alle tegenstand en delen wij uiteindelijk in de eeuwige overwinning.

Het is voor velen of sommigen van ons misschien een beetje te triomfalistisch en ‘over de top’, maar dat verhindert niet om ook vandaag nog deze tekst te waarderen en haar vooral te horen als stem en tegenstem, als een Kyrie en een Gloria.

Als u straks goed luistert kun je die stemmingswisselingen ook in de muziek terug horen, wanneer er soms ineens wat sneller gemusiceerd wordt en de wat ingetogen stemming zomaar kan omslaan in frivolere tonen.

Het is eigenlijk het mooiste, - wanneer we alles gehoord en geproefd hebben -dat dan dit tweegesprek tussen Psalm 25 en de tekstdichter van de cantate een soort innerlijk gesprek wordt – zoals we bijv. ook in Psalm 42 tegenkomen: “Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en wat ben je onrustig in mij – wat ben je in mineur? – En dan – een andere stem in datzelfde hart: Vestig je hoop op God en je zult zien: alles wordt anders en lichter en zal klinken als muziek in je oren!”

En – natuurlijk niet toevallig – dit alles wordt in 7 stappen ontvouwd en voltooid, zoals eens (! – prachtig dubbelzinnig woord!) de hemel en de aarde.


1. Sinfonia

2. Coro
Nach dir, Herr, verlanget mich.
Mein Gott, ich hoffe auf dich.
Laß mich nicht zuschanden werden,
dass sich meine Feinde nicht
freuen über mich.

3. Arie (Sopran)
Doch bin und bleibe ich vergnügt,
Obgleich hier zeitlich toben
Kreuz, Sturm und andre Proben,
Tod, Höll und was sich fügt.
Ob Unfall schlägt den treuen Knecht,
Recht ist und bleibet ewig Recht.

4. Coro
Leite mich in deiner Wahrheit
und lehre mich;
denn du bist der Gott, der mir hilft,
täglich harre ich dein.

5. Arie (Alt, Tenor, Bass)
Cedern müssen von den Winden
Oft viel Ungemach empfinden,
Niemals werden sie verkehrt.
Rat und Tat auf Gott gestellet,
Achtet nicht, was widerbellet,
Denn sein Wort ganz anders lehrt.

6. Coro
Meine Augen sehen stets
zu dem Herrn;
denn er wird meinen Fuß aus dem
Netze ziehen.

7. Ciaccona
Meine Tage in dem Leide
Endet Gott dennoch zur Freude;
Christen auf den Dornenwegen
Krönet Himmels Kraft und Segen.
Bleibet Gott mein treuer Schutz,
Achte ich nicht Menschentrutz,
Christus, der uns steht zur Seiten,
Hilft mir täglich sieghaft streiten.

1. Sinfonia

2. Koor
Naar u, Heer, verlang ik.
Mijn God, ik hoop op u.
Laat mij niet te gronde gaan,
zodat mijn vijanden zich niet over
mij verheugen.

3. Aria
Toch ben en blijf ik opgewekt,
hoewel hier momenteel
kruis, storm en andere beproevingen razen,
dood, hel en wat er verder maar komt.
Al slaat het ongeluk uw trouwe knecht,
recht is en blijft eeuwig recht.

4. Koor
Leidt mij in uw waarheid
en onderwijs mij;
want u bent de God die mij helpt,
dagelijks verlang ik naar u.

5. Aria
Ceders hebben dikwijls
veel last van de winden,
maar ze vallen nooit om.
Richt uw raad en daad op God,
let niet op wat tegenspreekt,
want zijn woord leert iets heel anders.

6. Koor
Mijn ogen zijn voortdurend op
de Heer gericht;
want hij zal mijn voeten uit het
net bevrijden.

7. Ciaccona
God beëindigt toch mijn dagen van leed
zodat er vreugde komt;
christenen die voortgaan over doornige paden
worden gekroond met hemelse kracht en zegen.
Als God mijn trouwe bescherming blijft,
dan let ik niet op de weerstand van mensen,
Christus, die ons bijstaat, 
helpt mij dagelijks om zegevierend te strijden.

 


https://www.bachvereniging.nl/nl/bwv/bwv-150/

 

 

 

 

 

 

 

Lees 96 keer