Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Ook plaats ik hier korte inleidingen of publicaties (in het kerkblad), een vertaalde preek van Paul Tillich en andere beschouwingen. U wordt uitgenodigd om ook daarop te reageren.

Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

zondag, 08 april 2018 15:45

Preek gehouden in de Grote of Mariakerk op de 2e zondag van Pasen (Quasi modo geniti – als pasgeboren kinderen) 8 april 2018 n.a.v Johannes 20: 24-29.

In deze dienst werd Kyenta Oenema gedoopt.

 

(On)gelovige Thomassen

 

Ongelovige Thomassen kom ik in allerlei vormen en maten regelmatig tegen. De eerste, die ik elke dag zie, staat in mijn voortuin. Een klein beukenhaagje, dat zijn blad van de herfst nog vasthoudt, hoewel het al lente is en de nieuwe groene blaadjes zich al zichtbaar ontwikkelen. Deze beukenhaag gelooft niet, dat het lente is geworden. Hij denkt, dat het nog steeds herfst is. Hij houdt vast aan wat hij heeft en durft zich niet gewonnen te geven aan de nieuwe toekomst. Hij zit vol ongeloof, maar de lente zal uiteindelijk de doorslag geven en de herfstblaadjes zullen wegdwarrelen op de lentebries. Zo’n beukenhaag heet niet voor niets een ‘ongelovige Thomas’…

Dan kom je heel veel ongelovige Thomassen tegen in de politiek en in de wereld van de economie en de financiën, in de wereld van de energie en de duurzaamheid. Veel mensen geloven, dat het niet zo’n vaart zal lopen met de klimaatverandering of dat de wereldvrede bedreigd wordt. Zij wantrouwen de studies en de rapporten en halen hun schouders op. Na ons de zondvloed, denken ze dan en ze gaan over tot de orde van de dag en zetten hun leventje voort, zoals ze altijd deden.

Dat we op de drempel staan van een periode van enorme transities op de terreinen van economie, voedsel, transport, geldverkeer – dat geloven veel mensen niet. Zij denken, dat alles blijft, zoals het is, maar ik hoorde iemand onlangs zeggen, dat de veranderingen, die in de komende 20 jaar zullen voorkomen groter en ingrijpender zullen zijn dan die van de laatste 300 jaar bij elkaar. Thomassen geloven dat niet…

In de wereld van de kerk en het geloof komen ook heel veel Thomassen voor. Een jaar of 20 geleden werden zelfs aparte diensten voor en met hen georganiseerd, de zgn. Thomas Celebrations (of: - vieringen), die bedoeld waren om mensen, die het allemaal niet zo zeker meer wisten of wat waren afgedwaald van de kerk en haar rituelen een warm welkom te heten. Iedereen kon aanschuiven en als je je twijfels had dan kon je die gewoon uiten. Hier in Meppel hebben we ook zulke vieringen gehad en na verloop van tijd was het ook weer voorbij…, maar dat wil niet zeggen, dat er geen ongelovige Thomassen meer zijn, natuurlijk.

Dan liep ik jaren geleden elke dag een rondje met Thomas; zo heette onze hond. Hij kon eigenlijk niet anders dan een ‘ongelovige Thomas’ zijn, want al het menselijke was hem vreemd. Toch wist hij op den duur, wanneer het zondag was, want dan liet ik hem op een later tijdstip uit en wachtte hij geduldig tot zijn baasje zijn dienst had gedaan. Maar dit zondagsbesef had geen religieuze achtergrond, zodat ik hem, ondanks dat, toch een ‘ongelovige Thomas’ kon blijven noemen zonder dat hij zich daar overigens door beledigd voelde.

Zijn er nog meer ‘ongelovige Thomassen’? Nou, de man over wie het vanmorgen in het evangelie gaat, is toch in zekere zin een oude bekende, nietwaar? Het is iemand, die zekerheid wil hebben, die zich niet laat afschepen door mooie praatjes. ‘Hard evidence’, daar gaat het om. Je kunt toch niet alles zomaar voor zoete koek aannemen?

Ik wil ‘hard bewijs’, ik wil zeker weten, ik wil mijn vinger er achter krijgen, hoe het nu precies zit met die Jezus en zijn opstanding. Ik wil het kunnen verifiëren, zodat het helder en duidelijk is voor mij. Ik wil niet afgaan op loze praatjes en doorgegeven berichten.

Het is opvallend, dat Thomas zo vaak het woordje ‘ik’ gebruikt. Hij presenteert zich als de autonome, ‘self-centered’ mens, die zich buiten de kring van de leerlingen van Jezus heeft begeven – hij was er niet bij, die eerste keer: hij had zijn tijd verslapen of hij had er toch sowieso geen fiducie meer in – en nu, nu hij hun verhalen hoort, nu komt hij met zijn voorwaarden. OK, ik wil eventueel best geloven, maar alleen als ik Hem kan aanraken en voelen.

‘Ik’…ik bepaal, hoe en wanneer ik zal gaan geloven. Als aan al mijn voorwaarden is voldaan dan zal ik zeker ook gaan geloven.

Ik herken dat wel. Bij anderen, bij mijzelf. Hoe vaak hoor ik mensen niet zeggen, dat ze best zouden willen geloven, als God maar meer van zich liet horen of als de wereld niet zo’n puinhoop was of als wetenschappelijk was bewezen, dat de Bijbel historisch van a tot z klopt of als ik een stem in mijn hart hoorde, die zei, dat ik een kind van God ben of als ik plotseling van mijn ziekte zou genezen zijn of als ik zeker wist dat God bestond….ja, dan….

Thomas is niet een vreemde, verre figuur, maar hij zit in ieder van ons. Het aardige is, dat hij Thomas Didimus genoemd wordt. Dat kan ‘de twijfelaar’ betekenen, maar ook ‘tweeling’. Voortdurend op twee gedachten hinken. Zowel in ‘tweeling’ als in het woord ‘twijfel’ zit het woord ‘twee’ verstopt. Steeds maar afwegen, het ene of het andere, wat is waar, wat is niet waar, wat is zeker en wat niet?

Geloof is altijd vermengd met twijfel. Als je eerst wilt zien en dan geloven dan is het geen geloven meer, maar ‘aanschouwen’. De Hebreeënbrief-schrijver probeerde ‘geloof’ ook al onder woorden te brengen en hij schreef zoiets als, dat het geloof het bewijs is van de dingen die men niet ziet. In ‘geloven’ zit altijd iets van een ‘waagstuk’, een overgave, een ergens door gegrepen zijn en er niet van kunnen loskomen, op hoop van zegen. “Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp”.

Thomas is mijn tweelingbroer. Hij lijkt sprekend op mij en ik op hem: twee druppels water.

Na acht dagen gaat geloof over in aanschouwen. Dan verschijnt de Heer aan Thomas en mag hij voelen en wordt zijn tasten een zeker weten. Ja, Hij is het, mijn Heer en mijn God!

De acht staat voor de eeuwigheid. Het is 7 + 1, d.w.z. de aardse tijd overtroffen.

In de wiskunde is ook niet voor niets de liggende 8 het symbool voor ‘oneindigheid’. En het doopvont heeft 8 zijden om precies datzelfde uit te drukken: hier gaat het om het eeuwige leven, een nieuw bestaan wordt ons geschonken uit de dood tot het leven! De twijfel en de onzekerheid voorbij, geloven dat is overgegaan in aanschouwen.

Geloven is zien wat je nog niet ziet. Het is uitgaan van wat nog moet komen. Het is je laten meeslepen door de lijdende en opgestane Heer, die zelfs in zijn verheerlijkte gedaante zijn wonden met zich meedraagt. Alles gaat voorbij, maar niets gaat verloren.

Geloven is de berg beklimmen, zoals Mozes, en de angst voorbij het visioen van het beloofde land proclameren en de zwarte mensen in Atlanta en Alabama inspireren en zeggen, zoals Martin Luther King deed, “I have a dream” (I have a dream that my four little children will one day live in a nation where they will not be judged by the color of their skin but by the content of their character.

I have a dream today). En hij werd neergeschoten, vijftig jaar geleden nu, maar zijn geloof en zijn droom zijn nog steeds springlevend. Dat heeft alles te maken met Pasen…al wie gelooft zal het zien en beleven!

zondag, 11 maart 2018 13:03

Preek gehouden op de 4e zondag van de Veertigdagentijd (Laetare=Verheugt u!/Klein Pasen) 11 maart 2018 in de Oude Kerk n.a.v. Jozua 4 en 5 (ged.) en Johannes 6 (1e gedeelte).

 

Méér dan genoeg!

 

Vorige week vierden wij samen het Heilig Avondmaal en vandaag horen wij het verhaal van de ‘wonderbare spijziging’, zoals er vroeger boven dit evangeliebericht werd geplaatst. We zouden het een soort ‘nabetrachting’ kunnen noemen, een nog eens overwegen wat e.e.a. nu betekent, voor onszelf, voor het leven van de gemeente, voor de wereld.

Zoals het ene brood uiteindelijk uitgedeeld wordt in allemaal stukjes, zo kunnen we dit verhaal in stukjes proberen tot ons te nemen, zonder hopelijk het grotere geheel uit het oog te verliezen.

Het lijkt erop, dat dit verhaal zo maar plotseling uit de lucht komt vallen, maar dat is toch gezichtsbedrog. Johannes is een knap theoloog en componist en hij kijkt altijd verder dan wat je op het eerste gezicht ziet. Zo begint hij heel argeloos te spreken over de overkant. En we hebben zojuist ook gelezen uit het boekje Jozua en daar was ook al sprake van de overkant. Daar gaat het over de intocht in het beloofde land en Johannes zinspeelt daar hier ook op door te spreken over de overkant. Het is de plek waar we nog niet zijn. Het is de wereld waar we naar verlangen, op hopen, maar die nog niet gerealiseerd is. Het gaat om een utopie of het Koninkrijk Gods, dat komt. Het is de plek van de grazige weiden – in allerlei beelden wordt daarover gesproken en gedroomd.

Jezus heeft het er ook over en Hij gaat ons voor en Hij laat zien, hoe het daar toegaat. Dat is het eerste stukje: ‘aan de overkant’.

Het tweede stukje gaat over het menselijk tekort. En de menselijke mogelijkheden en onmogelijkheden. Mensen hebben brood nodig. Er moet elke dag weer brood op de plank, want anders ga je er onderdoor. Maar voor miljoenen mensen is dat geen gesneden koek. Armoede en honger gaan hand in hand en kunnen wij er iets aan doen?

Is geld misschien de oplossing? We houden een collecte, openen een bankrekeningnummer en houden een ‘charity-show’ op TV. Maar is dat genoeg. Filippus heeft zo zijn twijfels daarbij: 200 denarie zou nog niet genoeg zijn, zo meent hij. Het is nooit genoeg. Je komt altijd tekort. Als je alleen maar rekenkundig tewerk gaat – sommen zijn gauw gemaakt, maar kloppen ze ook met de werkelijkheid? Het CBS doet niet anders dan berekeningen en prognoses maken op basis van getallen: de economische groei zal 5 % bedragen en dat is 3% meer dan vorig jaar (gefingeerde data). Maar wat merken wij ervan en hoe komen dit soort berekeningen tot stand en wat wordt er gemeten en geteld? Wordt de schade aan het milieu ook meegerekend, bijv.? Geven cijfers wel een juist beeld van de werkelijkheid of verdoezelen ze soms alleen maar de winst en het verlies.

Kwantiteit meten is een heel ander chapiter dan kwaliteit meten. Je kunt de welvaart van mensen in euro’s uitrekenen, maar hoe bereken je hun welzijn en welbevinden? Je kunt een prognose maken van het dalende aantal leden van de protestantse gemeente, maar zegt dat iets over de kwaliteit van haar zijn in de wereld, in ons land?

Wij zijn een keer op Sicilië op vakantie geweest en daar bezochten we een kerkdienst in Catania van de Waldenzen. Dat zijn vóór-reformatorische protestanten (zo zou je hen kunnen noemen). Een klein groepje van hooguit 50 mensen (in die stad), maar uit de informatie, die wij meekregen bleek, dat deze kleine gemeente enorm veel betekende voor de stad op het gebied van onderwijs, armenzorg en hulp aan vluchtelingen en zwervers.

200 denarie niet genoeg…wacht even – nu komt stukje 3 – daar loopt een jongen en die heeft 5 broden en 2 vissen. Dat is nog veel minder dan dat je met 200 denarie zou kunnen kopen! Maar Jezus kan met het weinige dat er is ‘wonderen’ verrichten. En wij ook! En het eerste wat we daarvoor moeten doen is anders kijken. Niet van onze tekorten uitgaan, niet alles willen berekenen en willen beredeneren, maar blij zijn met wat je hebt, wat je aangereikt wordt en daarmee aan de slag gaan.

Natuurlijk is de eerste reactie van de leerlingen van Jezus: wat hebben we daar nu aan? Wat kunnen we daar mee? Niks, toch?!

Jezus gaat er niet eens op in, maar nodigt de mensen uit om te gaan zitten. Op het gras, ja, dat is het gras uit Psalm 23, de grazige weiden, waar de Herder de kudde weidt, waar zijn staf ons de weg wijst, al is het door donkere dalen heen.

Die jongen staat daar zomaar ineens…een onverwachte en vreemde verschijning, zoals hij daar staat met zijn gerstebroden! Deze gerstebroden verwijzen weer naar de intocht in het beloofde land, waar het volk Israël voor de eerste keer de Paasmaaltijd vierde met broden, die gebakken waren van de eerste gerstenoogst, d.w.z. de matzes werden bereid van deze gerst.

Deze jongen komt ons herinneren aan Pasen, het eerste Pasen van de uittocht, van de bevrijding uit het slavenhuis, dat zich in vele vormen voordoet. Maar Hij verwijst ook door naar die Man, die daar staat als de Mens van Pasen, die in zijn hele doen en laten Gods bedoelingen laat zien: dat we zullen leven van zijn woorden, dat wij zullen leven als mensen, die zich laten voeden door Hem.

Johannes houdt van symboliek en zo is het vrijwel zeker, dat hij de getallen 5 en 2 laat slaan op de Wet of de Thora en de profeten: de vijf boeken van Mozes en de 2 vissen als samenvatting van de Profeten en de Geschriften, zodat zij tezamen de TeNaCh verbeelden.

Het 4e stukje gaat nog verder en dieper – en daartoe zouden we eigenlijk dat hele 6e hoofdstuk moeten uitlezen – want uiteindelijk krijgen wij te horen, dat Jezus zelf het ware Brood uit de hemel is. Hij is het, die als geschenk van God, ja als een geschenk uit de hemel aan de mensen gegeven is. Dankzij Hem kunnen wij leven. Hij is de grond onder onze voeten en de motor waarop wij lopen. Hij geeft ons energie en inspireert ons tot daden van hoop en Hij zet ons aan tot verandering. Hij wendt onze blik naar de ander en Hij laat ons zien, wat wij kunnen bereiken als wij in zijn Geest en voetspoor wandelen. Dan is er genoeg om te leven. Hij gooit onze rekenkunde volledig in de war: door weg te geven houd je over en door te delen vermenigvuldig je. Dat is de aritmetica van het Koninkrijk Gods.

En aan de Tafel van de Heer zien wij elkaar bij het delen van het brood en de wijn in de ogen en wij zien de ander als een geliefd kind van God. En samen vormen wij zijn gemeente, niet opgesloten in onszelf, maar open naar elkaar, naar de ander en naar de toekomst, waarin God zal zijn alles in allen!

woensdag, 07 maart 2018 08:49

Inleiding gehouden op dinsdagavond 6 maart 2018 in de Grote of Mariakerk over de betekenis(sen) van het kruis in de christelijke traditie m.m.v. de Cantorij o.l.v. Mannes Hofsink

 

Oude en nieuwe interpretaties van het kruis in de geschiedenis van de (protestantse) theologie

 

Als kind was ik dol op de tekeningen (illustraties stond er voorin het boek) van Isings in de kinderbijbel van W.G. v.d. Hulst. Na het OT was er aan spanning en sensatie eigenlijk niet veel meer te beleven op één afbeelding na en die betrof de kruisiging van Jezus samen met twee anderen. Dat vond ik een gruwelijke tekening en ik wilde maar zo snel mogelijk omslaan.

Toch bleek mij later, dat het kruis een onmiskenbaar onderdeel uitmaakte van de christelijke geloofsleer en dat het een belangrijk aspect vormde van het geloofsleven van de kerk. Zichtbaar en onzichtbaar. In de rooms-katholieke traditie is het kruis in liturgie en kerkruimte altijd zichtbaar en vaak pontificaal aanwezig. Iedere kerk heeft haar staties aan de wanden afgebeeld en boven het altaar zweeft vaak een levensgroot kruis.

Ik ben ook verschillende keren in Taizé geweest en daar wordt iedere vrijdagmiddag het kruis in de gebedsruimte geplaatst en ik vond het bijzonder en ook ‘shocking’ om te zien, hoe jonge mensen over de grond kropen richting het kruis en in gebed en zelfvernedering het kruis aanbaden.

Wat is er dan met dat kruis gebeurd, dat het zoveel invloed heeft op de geloofsuitingen van de kerk, de eeuwen door?

Het is vooral de theoloog Paulus, die de gebeurtenis van de kruisiging van Jezus getransformeerd heeft tot het kruis van Christus. Hij heeft van een eenmalige historische gebeurtenis een universeel en kosmisch symbool gemaakt. Hij heeft er een betekenis in gezien, die de wereld in een ander licht heeft geplaatst. Hij heeft het gezien als een beslissend moment in het drama van de verhouding tussen God en mens, ja een cruciaal moment. Op dat ene moment van buitengeworpen worden is God zelf bezig zich met de wereld te verzoenen. Er vindt daar méér plaats dan gezien kan worden. Golgotha is een fataal en cruciaal moment in een kosmisch drama, dat enerzijds een dikke streep zet door de kwaliteiten en mogelijkheden van de oude mens, de menselijke schuld komt daar glashelder aan het licht en tegelijkertijd is het een moment van bevrijding en kwijtschelding en daarom kan die vrijdag ook een ‘goede’ worden genoemd.

Het is een ondoorgrondelijk geheim en Paulus, Johannes en de briefschrijver van de Hebreeën zien wel verbanden met de aloude offercultus en het bloed dat vloeit herinnert aan de tempeldienst en aan de rite van de verzoening op de Grote Verzoendag, maar hoe die verbanden precies zitten en waarom het dan zo is en zo moest gaan, dat blijft vaag en dubbelzinnig.

Het verhaal van Pasen is onmisbaar om wat op de zgn. goede vrijdag gebeurt in het juiste licht te plaatsen. Vandaar uit kun je pas het lijdensverhaal lezen en enigszins duiden, zoals Jezus zelf als de Opgestane helder maakt aan de leerlingen op weg naar Emmaüs, beginnend bij Mozes en de profeten.

In de theologie en liturgie van de kerk is als vanzelf de behoefte ontstaan om dit vreemde geheim van Goede Vrijdag en Pasen te doorgronden en zo is de zgn. satisfactie- of verzoeningsleer ontstaan, waaraan de middeleeuwse theoloog Anselmus van Canterbury een belangrijke bijdrage heeft geleverd.

Ik ga zijn redenering niet helemaal op de voet volgen, maar ik wil hier wel even aangeven, dat zijn verzoeningsleer ook binnen het protestantisme ingang heeft gevonden, wat duidelijk is af te lezen aan enkele zondagen in de Heidelberger Catechismus m.n. de Zondagen 4 t/m 6. In hoofdlijnen komt het hier op neer:

De menselijke schuld is sinds de val van Adam onmetelijk groot en Gods recht op genoegdoening blijft bestaan, zolang die schuld niet voldaan wordt. God zendt dan zijn Zoon om die straf op de zonde te dragen en te voldoen. Omdat de Zoon God én mens is kan Hij dat volbrengen en zo brengt Jezus het offer van zijn leven aan de Vader, die daardoor bevredigd is en de mens weer gunstig gezind kan zijn. Zo is Jezus de Middelaar tussen God en mensen en maakt hij de verhouding tussen God en mensen in orde door zijn leven te geven aan het kruis.

Wat deze verzoeningsleer in stand hield was een blijvende angst voor de toornige en straffende God, een vluchten naar Jezus om dat te ontgaan. Er kan zo een soort dweperige Jesu-latrie ontstaan en het heeft ook tot gevolg, dat God de Vader op afstand blijft staan en altijd als een ongenaakbare en straffende Rechter blijft gezien worden.

Die dubbelhartigheid in God is volgens mij (en vele anderen) het belangrijkste bezwaar tegen deze verzoeningstheorie. Andere bezwaren zijn de al te juridisch opgezette redeneringen en dat alles buiten onszelf om gebeurt. Kort geformuleerd: de Vader en de Zoon zijn niet eensgezind en terecht kan opgeworpen worden de verwijtende vraag: welke vader offert zijn zoon op, zelfs al is het voor het goede doel? Het is o.a. de Duitse theoloog Jürgen Moltmann, die de eenheid van de Vader en de Zoon wil onderstrepen door te spreken over ‘Der gekreuzigte Gott’, d.w.z. dat het God zelf is die lijdt in het lijden en sterven van de Zoon. God geeft zichzelf aan de mensheid in onvoorwaardelijke en tot het uiterst gaande liefde.

Ook andere theologen o.a. Dorothee Sölle, Paul Tillich en Herman Wiersinga uiten hun bezwaren tegen de in juridische termen geformuleerde verzoeningsleer en bedenken alternatieve overwegingen, waarbij veel aandacht uitgaat naar God, die solidair is met en in het menselijk lijden en dat God de Vader niet de eisende partij is, maar eerder de schenkende.

Tillich zegt o.a. dat het kruis niet de oorzaak, maar de meest duidelijke manifestatie of uitbeelding ervan is, dat God de gevolgen van de menselijke schuld op zich wil nemen.

Wat in de liedteksten uit voorgaande eeuwen – en m.n. die uit de piëtistische traditie – opvalt is, dat het kruis de gelovige aanspoort tot boete en berouw (denk aan de bekende aria ‘Buss und Reu’- boete en berouw). Het kruis is zo ook een aanklacht tegen ons. Niemand valt iets te verwijten, behalve onszelf: zoals Jacob Revius zo treffend dichtte, toen hij opschreef: “’t En zijn de Joden niet, die u kruisten, Heer, noch die u verradelijk u togen voor ’t gericht.. ’t En zijn de krijgslui niet, die met haar felle vuisten den rietstok of de hamer hebben opgelicht….en dan: Ik ben ’t, o Heer, ik ben ’t die u dit heb gedaan”.

In de koralen en aria’s van Bach’s Passionen vinden we datzelfde stramien. Maar ook bespeuren we iets van een antwoord van de gelovige in de zin van een aandeel willen leveren, om voor Christus het lijden dragelijk te maken. Zo kunnen bijv. onze tranen dienen als balsem in/voor zijn wonden.

Dat geeft al aan, dat het strikt juridisch buiten ons om plaatsvindende geding niet bevredigt en een aanvullend participerend aspect behoeft, waarvoor ook de apostel Paulus al aandacht vraagt als hij zegt, dat wij met Christus hebben geleden, zijn begraven en gestorven en ook met Hem zijn opgestaan tot een nieuw leven.

Zo wordt het kruis het symbool van het oude, ten dode gedoemde leven van alle mensen en de opstanding het nieuwe perspectief van een nieuw en onvergankelijk leven.

Tenslotte, er zijn meerdere Schriftaanwijzingen, die aangeven, dat niet God de regisserende en veroorzakende Actor is van de dood van Jezus, maar dat het de mensen zijn, die er schuldig aan zijn! Paulus schrijft ergens, dat wanneer men geweten had, dat Jezus de door God gezonden Messias was, dat men Hem dan niet gedood zou hebben.

Petrus zegt in zijn toespraak in de Handelingen der apostelen, dat ‘jullie’ d.z. de mensen, tot wie hij op dat moment spreekt, Jezus ter dood gebracht hebben, maar dat God Hem uit de doden heeft opgewekt.

Het goede wordt aan God toegeschreven, het kwade aan de mensen.

Dat doet mij denken aan het ontroerende verhaal van Jozef, die zich uiteindelijk bekend maakt aan zijn broers en vader en dan zegt: jullie hebben het allemaal ten kwade gedacht, (of in ons verband: jullie hebben het kruis voor mij opgericht), maar God heeft dit alles ten goede gedacht.

Hier wordt geen verklaring gegeven, geen oorzaak aangewezen of een soort goddelijk beleid uitgestippeld of aannemelijk gemaakt, maar hier wordt een getuigenis afgelegd over God, die op zijn eigen wijze uit iets kwaads iets goeds kan laten voortkomen!

En zo kan het kruis een teken van hoop worden voor alle mensen, die lijden en uitzien naar nieuw leven!