Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Ook plaats ik hier korte inleidingen of publicaties (in het kerkblad), een vertaalde preek van Paul Tillich en andere beschouwingen. U wordt uitgenodigd om ook daarop te reageren.

Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

zondag, 07 oktober 2018 10:43

Preek gehouden in de Grote of Mariakerk op de 3e zondag van de herfst 7 oktober 2018 (tevens Israëlzondag) n.a.v. Maleachi 2: 10-16 en Markus 10: 1-16

 

De liefde bindt

 

Veel mensen denken, dat ‘religieus zijn’ betekent, dat je bepaalde dingen niet mag en andere dingen ‘moet’. ‘Geloven’ of ‘gelovig-zijn’ wordt opgevat als het naleven van bepaalde voorschriften en regels.

‘Mag jij dat van je geloof?’ kan een moslimvriend aan mij vragen als hij bij mij aanschuift op het terras bij Oasis, terwijl ik een slok neem van een heerlijk blond biertje. Ik verslik me dan bijna en zeg: “Ja, dat mag ik. Mijn geloof geeft mij daar geen regels voor”. “Nou, de mijne wel”, zegt hij dan. Een moslim mag geen alcohol drinken. Punt uit.

Ik spreek vaak genoeg mensen, die vroeger zgn. streng-christelijk zijn opgevoed en die komen dan altijd met het verhaal, dat ze op zondag niet mochten fietsen en twee keer naar de kerk moesten en zich daar stierlijk verveelden en dat je geen seks voor het huwelijk mocht en zo nog een paar regels. Natuurlijk had men zich daar in de loop der jaren aan ontworsteld en nu was men een vrij en blij ongelovige.

Vandaag komt de vraag om de hoek kijken of de kerk nu vooral aan de kant van de regels staat of zich laat inspireren door de figuur van Jezus. Want Jezus loopt ook aan tegen de regel-religie van zijn dagen, die uitgedragen wordt door de Schriftgeleerden en de Farizeeërs. Mag dit en mag dat?

We hebben vandaag ook Israëlzondag en dan staan we stil bij de onopgeefbare verbondenheid met Israël, met het jodendom, de joodse religie, het Oude Testament, het land en het volk Israël: een heel gecompliceerde en aangevochten verhouding, waarover ik ook een paar dingen gezegd heb ik het kerkblad.

Als wij een beetje op een afstand naar het jodendom als religie kijken dan valt ons op, dat het doorgaans zo wettisch is. Het niet mogen fietsen op zondag verbleekt bij de nauwgezetheid en in onze krampachtigheid, waarmee orthodoxe joden de sabbat vieren. Een Jood moet zich aan 613 ge- en verboden houden en één bepaling is bijv., dat je geen vuur mag ontsteken op de sabbat, die op de voorafgaande avond begint. Zit je dan maar in het donker of mag je wel elektrisch licht aandoen. Nee, zegt de strikte rabbijn dan: als je het lichtknopje gebruikt ontstaat er een vonk in de schakelaar – ook al zie je die niet – en dus maak je vuur en dat mag niet. Dus daar is dan het volgende op gevonden: je vraagt iemand, die goj of niet-Jood is, om even bij je langs te komen om het licht aan te doen. Probleem opgelost: je hebt je aan de wet gehouden en je hebt toch licht!

Uit de discussie van vanmorgen over het al of niet mogen wegzenden van je vrouw blijkt, dat Jezus zich niet zo kan vinden in het schema: dit mag wel en dat mag niet. Hij is veel vrijer en hij probeert tot de kern van de zaak zelf te komen.

Regels zijn regels zul je Jezus niet gauw horen zeggen. Natuurlijk is hij ook helemaal opgevoed en thuis in de Joodse wetgeving en hij weet drommels goed hoe de rabbijnen en Schriftgeleerden ermee omgaan, maar hij gaat nooit mee in hun wetticisme of regeltjesfetisjisme.

Zo wordt Jezus vandaag ingetrokken in een discussie over echtscheiding: mag iemand zo maar zijn vrouw wegsturen? En dan werden er honderden voorbeelden bedacht uit de praktijk van het leven op grond waarvan dat dan mocht of niet mocht. Mocht je haar wegsturen omdat zij de aardappels had laten aanbranden? Mocht je haar wegsturen, omdat zij een keer hoofdpijn had en geen seks wilde? Mocht je haar wegsturen, omdat zij de sleutel van de achterdeur ergens had laten liggen? Mocht je haar wegsturen, omdat zij wel eens flirtte met de buurman?

Jezus heeft helemaal geen zin om in dit soort kwesties een uitspraak te doen. Hij zegt niet: in het ene geval wel en in het andere geval niet. Nee, ik denk, dat hij vooral wil opkomen voor de vrouw, voor haar kwetsbare positie in een patriarchale samenleving. Maar vooral wil hij het huwelijk op zichzelf verheffen tot waar het vandaan komt en aanduiden waar het eigenlijk om gaat.

En daarom verwijst Jezus niet naar de wet van Mozes, zelfs niet naar het zevende gebod “Gij zult niet echtbreken”, maar hij neemt de mensen mee naar het paradijs.

Jezus zet het huwelijk, de liefde tussen twee mensen, in het perspectief van het paradijs en van het Koninkrijk Gods. Keer nog eens terug naar hoe en waartoe het begonnen is. Denk nog eens terug aan de eerste, ontwakende liefde en genegenheid. Denk terug aan hoe alleen en eenzaam je was en hoe daar, Goddank, een partner op je weg kwam in wie je helemaal opging. En jullie werden een eenheid, fysiek en spiritueel. En hoe zou je dat nu ongedaan kunnen maken? Ja, je kunt de relatie formeel laten ontbinden en voor de wet is het daarmee afgelopen, maar kun je de liefde en de ervaringen van liefde tussen twee mensen ongedaan maken? Kun je wat God bijeen gebracht heeft uit elkaar halen?

En vergeet de kinderen niet. Nee, die zet hij ineens in het midden en dat is niet voor het eerst en ook niet voor niks. Kijk, die kinderen zijn de kwetsbare en waardevolle vruchten van de liefde. Zij kunnen zomaar de dupe worden van het bekoelen van de genegenheid en het vergeten van de eerste liefde.

In het huwelijk draait het om de liefde. Zij is de spil en de kern van het huwelijk, dat de vorm is waarin de liefde kan bloeien. Niet het huwelijk is heilig, lijkt Jezus te willen zeggen, maar de liefde is heilig.

Dat is een geschenk van God, dat ons toevalt en waaruit wij mogen leven. Liefde tussen twee mensen ontstaat als vanzelf. Het is een Godswonder en een Godsgeschenk en daar heb je geen wetten voor nodig. Wetten komen pas in beeld als de liefde ten einde is.

Of je nu de profeet Maleachi beluistert of Jezus ziet worstelen met de wetgeleerden – zij proberen beiden tot de kern van de zaak door te dringen en boven de wetgeving en het formele uit te stijgen. En daarom kan het huwelijk, bedoeld is ‘de liefde’, als zinnebeeld of afbeelding gelden tussen de verhouding van God en zijn volk, God en de wereld. Het leven is groter dan de aarde en de liefde is wijder dan de hemel. Er vallen termen als ‘paradijs’ en ‘Koninkrijk Gods’ om onze zinnen te prikkelen naar iets hogers en groters, iets wat blijvend en eeuwig is.

Wat God heeft samengevoegd kan een mens helemaal niet scheiden: de liefde is en blijft de dragende grond en vaste band tussen twee mensen. Wat je vanaf je jeugd aan meegekregen hebt – en ook daarom zet Jezus de kinderen in het midden – dat blijft in je hart bewaard en kan door niemand worden verwijderd.

Laten we zo leven in deze wereld, met het oog op en vanuit het Koninkrijk Gods, dat gekomen is en komt, niet krampachtig en wettisch, maar vanuit de liefde en als kinderen Gods tot vrijheid en blijheid geroepen. “Heb lief en doe wat je wilt”, zo zou Augustinus mijn preek a.h.w. samenvatten.

zondag, 30 september 2018 10:17

Preek gehouden op de 2e zondag van de herfst 30 september 2018 in de Oude Kerk n.a.v. Numeri 11: 24-29 en Markus 9: 38-41

 

Nog een doos…

 

In deze lange groene periode na Pinksteren gaat het eigenlijk voortdurend om de vraag: hoe werkt de Geest van Christus in ons leven, in het leven van de gemeente en in de wereld? Met Pinksteren, de gave van de Geest, is iets in werking gezet en hoe ontwikkelt zich dat dan? Is dat één rechte lijn van voortgang en vooruitgang of zijn er ook perioden van stagnatie en stilstand?

Markus is ons daarbij al enkele weken tot gids geweest en hij wijst ons op de geestkracht en vitaliteit van Jezus, die doden tot leven roept, doven gehoor geeft, blinden het zicht, demonen uitwerpt en mensen bevrijdt van wat hen knecht en beperkt. Jezus maakt – kortom – korte metten met beperkingen, begin van een nieuw leven!

En als de gemeente van Christus de geest krijgt dan weet zij als vanzelf wat haar te doen staat: in de geest van Jezus leven en werken en zo bevrijdend en dienstbaar in de wereld staan en gaan.

De twee verhalen van vanmorgen gaan daar eigenlijk ook over. Wat gebeurt er als de Geest vaardig wordt over mensen, wat gebeurt er als de Geest begint te waaien? En waait die Geest alleen in de kerk of ook er buiten?

Het boek Numeri – in het Hebreeuws heet het ‘In de woestijn’ – doet verslag van de lange weg door de wildernis. En Mozes treedt op als gids en als leider en hij probeert het ‘stelletje ongeregeld’ orde en regelmaat bij te brengen, maar zijn taak is zwaar en eigenlijk niet vol te houden. Nu beginnen ze weer te zeuren over hoe geweldig het allemaal in Egypte was: tsjonge, jonge, wat hadden we daar lekker eten en zij begonnen te likkebaarden als ze elkaar de menu’s oplepelden.

En hier krijgen we alleen maar elke dag manna, dat ons de neus uitkomt.

Je zult maar leider zijn van zo’n horde, die met gebalde vuisten voor je tent staat te schreeuwen, dat het anders moet.

Vroeger was alles beter…o ja? Weet je het wel zeker? Weet je niet meer, dat je keihard moest werken en dan ’s avonds als een blok in slaap viel?

Vroeger was alles beter…o ja? Idealiseer je het verleden niet teveel? Waardeer de gaven en kansen van deze tijd eens wat meer.

Maar Mozes kan praten als Brugman, maar zij willen ‘vlees en vis’…zij willen niet meer alleen die vegetarische slappe hap, maar een stevige carbonaat, een ‘stake’ gebraden op het vuur, zoals in Egypte. Zij willen helemaal geen nieuw en ander volk zijn, maar precies zo zijn als de rest, als de meerderheid. ‘Gij geheel anders’ daar willen ze niks van weten.

Mozes dreigt het spel te verliezen en hij staat al op het punt om ‘de koning’ om te leggen, maar de HERE God heeft nog een meesterzet in gedachten. Dat is de zet van de veelheid van inzichten en de meervoudigheid van de geestkracht en daadkracht. Niet jij alleen, Mozes, zal de dienst uitmaken en overal verantwoordelijk voor zijn, maar de leiding zal voortaan bij 70 oudsten berusten. Hier vindt een soort democratisering van het bestuur plaats, waar we nog steeds de goede vruchten van plukken. En dat alles wordt toegeschreven aan de Geest.

Wij kunnen in de kerk wel eens klagen en zuchten over de vele vergaderingen en gemeenteberaden, maar laten we er vooral ook blij om zijn, dat niet één man of vrouw de dienst uitmaakt, maar dat de weg vooruit na rijp beraad en na ieder gehoord te hebben bepaald en ingeslagen wordt.

Hier wordt dat ‘profeteren’ genoemd. Dat is niet ‘de toekomst voorspellen’, maar het heeft wel iets met de toekomst te maken: zoveel verbeeldingskracht hebben, dat je met elkaar je de toekomst kunt voorstellen en dat je daar samen aan gaat werken. Zullen wij die toekomst ‘meemaken’? Ja, die maken wij samen mee…wij met elkaar maken de toekomst. Zo werkt de Geest!

Maar dan komen ook ineens Eldad en Medad op de proppen. Zij horen helemaal niet bij de kerk – laat ik het zo gemakshalve even samenvatten – maar zij hebben wel hart voor de zaak, zou ik willen zeggen. En die zaak valt niet samen met de kerk. Wat is die ‘zaak’ dan? Wel, dat is de liefde. Want laten we eens letten op de betekenis van hun namen: El-dad betekent: de liefde van God of liefde tot God en Me-dad betekent ‘liefde’ of ‘geliefde’. Hier raken we toch wel aan de kern van de zaak, nietwaar?

Zo kunnen we zeggen, dat overal waar uit liefde voor God en de medemens gehandeld wordt, dat daar Gods Geest werkzaam is. In de kerk en buiten de kerk. Soms kan daar in de kerk wat krampachtig of afwijzend op gereageerd worden. Ook in het verhaal van Numeri komt Jozua naar voren om te zeggen, dat die twee hun mond moeten houden. “Let it be!”, zegt Mozes. Laat ze hun gang gaan! Zo ook de leerlingen van Jezus, die iemand tot de orde willen roepen, die boze geesten uitdreef in Jezus’ Naam, maar zich niet verder wilde aansluiten bij de gemeente van volgelingen van Jezus. En ook Jezus zegt: “Let it be!” Wie niet tegen ons is, is vóór ons! Al geeft iemand maar een beker water aan iemand, die bij Christus hoort, die zal zeker beloond worden.

De Geest waait, waarheen zij wil en zij waait soms uit onverwachte hoek.

Dat brengt mij nog even terug bij de startdienst van vorige week. Toen werd er even flink ‘uitgepakt’ – want de kerk had heel wat in de aanbieding: pastoraat, diaconaat, vorming en toerusting, jeugdwerk en eredienst. De ene verhuisdoos na de andere ging open en een veelheid van activiteiten en goede voornemens werd gepresenteerd. De meervoudigheid van het werken van de Geest kwam ook op die manier sprekend naar voren.

Waren dat alle dozen? Ja, voor die zondag wel en dat was ook voldoende. Je kunt altijd zeggen: hé, ik miste nog een paar dozen, bijv. die van bestuur en beheer, die van beleid en financiën, die van communicatie en missie. Maar wacht eens, er werd niet gestreefd naar volledigheid. En als ik nu zelf toch ook nog één doos op tafel zet dan moet u dat zien als een ‘aanvul-doos’, een extra doos, die het geheel completeert.

Ik pak hem er even bij. Hij is niet zo groot, het is maar een klein doosje, dat je gemakkelijk over het hoofd ziet, maar volgens mij zit er wel wat in…

En toch, wat er in zit kan ik niet grijpen, niet be-grijpen. Het heeft te maken met de ongrijpbare, onbegrijpelijke presentie van God, het geheim van zijn aanwezigheid, het mysterie van ons gemeente-zijn, dat zich als een wonder in de wereld voordoet, het ongrijpbare waaien van de Geest in ons leven en in de wereld. Dat geheim, dat niet maakbaar is en niet te peilen, dat ons soms in de stilte of in een lied komt aanwaaien, dat zit a.h.w. allemaal in deze doos verstopt. Dat is niet groots en opdringerig, maar eerder verborgen en als een stille stem in het hart.

Wie er een woord aan wil geven zegt misschien ‘God’. Een ander zal zeggen ‘het geheim van het leven’. Paulus zou zeggen: ‘de liefde’.

In 1 Korinthe 13 heeft hij dat prachtig en machtig samengevat in dat onnavolgbare gedicht, het hooglied van de liefde, dat ik tenslotte in bewerking van Karel Eykman zal lezen en dat staat a.h.w. aan de binnenkant van de rol uitgeschreven – en – zo wil ik er aan toevoegen – hiermee hebben wij ook onze eerste kerkenraadsvergadering in het nieuwe seizoen geopend:

 

Zonder liefde ben je nergens

 

Al kon ik nog zozeer / in prachtige preken

Mijn redes afsteken /en wist wijze woorden op ieder gebied

Maar had de liefde niet

Dan was het toch meer / wat trommelgekletter

Gezwets en geschetter / had ik de liefde niet.

 

Al blies ik trompet / hoog van de toren

Al zong ik in koren / de sterren van de hemel, het hoogste lied

Maar had de liefde niet / dan klonk het toch net

Als toeters en bellen.

Ik had niets te vertellen / had ik de liefde niet.

 

Zonder liefde ben ik nergens

Zonder jullie stel ik niets voor.

Had ik jullie niet bij me / dan ging ik er aan onderdoor.

Want liefde is echt en liefde is aardig

Is open, oprecht / en eerlijk, rechtvaardig.

’t Is liefde die ziet / hoe opnieuw te beginnen

Die ieder verdriet / ook de dood kan overwinnen.

 

(Karel Eykman - bij 1 Kortinthe 13)

 

zondag, 16 september 2018 16:21

Preek gehouden in de Oude Kerk op de 13e zondag van de zomer 16 september 2018 n.a.v. Markus 9: 14-28

 

Kyrië en Gloria

 

Om wat dichter bij het evangelieverhaal van vanmorgen te komen, nodig ik u uit om eerst even aandachtig te kijken naar dit schilderij van Rafaël, dat hij gemaakt heeft vóór zijn dood in 1520.

Op het eerste gezicht is het misschien een vol en verwarrend tafereel, een veelheid van mensen en gedrapeerde gewaden, er wordt naar boven en naar voren gewezen. Maar het meest opvallende is wel het lichte bovengedeelte en het donkere ondergedeelte van dit schilderij.

Vanmorgen hebben wij alleen het evangeliegedeelte gelezen, dat afgebeeld wordt in dat onderste deel: dat de leerlingen van Jezus niet in staat waren geweest om die jongen te helpen, die door zijn vader was meegenomen.

Die vader en die jongen zien we rechts onderin afgebeeld. De vader moet de jongen goed vasthouden, anders zou hij op de grond vallen. Je ziet de jongen verward en chaotisch met z’n armen zwaaien en zijn ogen rollen in zijn hoofd: hij heeft de blik omhoog gericht, maar hij ziet waarschijnlijk niks.

Hij is bezeten door een demon: de jongen is zichzelf niet, maar wordt bezeten door machten, die sterker zijn dan hijzelf. Ons wereldbeeld ziet er sinds enkele eeuwen wat anders uit en wij benoemen dit soort kwellingen en ziekten anders; we spreken misschien eerder van een psychose of van epilepsie, maar voor de vader en het kind maakt dat allemaal niet zoveel uit. Zij lijden onder iets ongrijpbaars en het maakt het leven zwaar en bijna ondraaglijk. Zij zoeken hulp.

Rafaël laat ook de moeder meekomen. Die wordt in het evangelie niet genoemd, maar voor de schilder is het zonneklaar, dat de moeder evenzeer begaan is met het lot van haar kind als de vader. Het lijkt wel of zij met twee handen naar haar kind wijst. Zie je het wel, hoe erg hij er aan toe is?

En ook zijn zusje is er bij, vlak naast haar vader. Ziekte in een gezin treft alle leden: als één lid lijdt lijden allen!

Het onderste deel van het tafereel is heel herkenbaar: het is onze dagelijkse ervaring. Het is ons leven ten voeten uit. Kijk naar de radeloosheid van de vader, het lijden van de jongen, de machteloosheid van de leerlingen van Jezus. Zie de wanhoop en de zoektocht naar oplossingen. Er is ook nog iemand, die in de Bijbel bladert – misschien is daar een aanwijzing te vinden, die soelaas biedt?

Het is donker daar aan de onderkant van het schilderij. Het is eigenlijk een typering van onze wereld. In de liturgie van de zondagse eredienst proberen we deze donkerte onder woorden te brengen in ons Kyrië-gebed, een roep om ontferming. Heer, zie ons hier worstelen met demonen, met het kwaad, met het onverklaarbare, met het ongerijmde, met het verdrietige, het lijden, de dood. En zie, hoe machteloos wij zijn – ja, we kunnen wel wat en misschien kunnen wij meer dan zij toen, maar er is toch altijd een grens.

Maar het mooie en bijzondere is, dat Jezus die grens overschrijdt en ook ons aanspoort om die grens te passeren. De grens van het onmogelijke naar het mogelijke, de grens van het zien naar het geloven. Jezus spoort de vader aan te geloven.

En Jezus wijst omhoog. Daar zien we een tafereel in het licht. En dat verbeeldt precies het verhaal, dat voorafgaat aan wat wij vanmorgen gelezen hebben. Het evangelie namelijk van de 2e zondag in de veertigdagentijd, dat wel genoemd wordt ‘de verheerlijking op de berg’ of ‘de transfiguratie’, zoals dit schilderij genoemd wordt d.i. de gedaanteverandering van Jezus op de berg, zijn ontmoeting met Mozes en Elia.

Eén en al licht en verheffing. Zij zijn daar niet meer met hun beide benen op de grond. Het gaat onze verbeelding en ervaring te boven. Wat daar plaats vindt is eigenlijk niet van deze wereld. Het overstijgt ons denken en overtreft onze mogelijkheden. Zij zijn daar in een ander weten, het lijden voorbij.

De drie leerlingen, die Jezus de berg op had meegenomen zijn wel aanwezig, maar toch eigenlijk ook niet. Zij proberen er iets van op te vangen, maar zij kijken de verkeerde kant op of het licht is te overweldigend voor hen. Zij kunnen het niet bevatten, het gaat boven hun pet, zoals het ook boven die van ons gaat.

Kijk eens, hoe Jezus daar figureert in het midden, te midden van Mozes en Elia, die grote leiders van weleer, het lijden nu te boven. Maar Jezus moet die weg nog gaan, maar toch, hier is hij het even te boven. Zo zal het worden, zo zal Hij worden en wij met Hem! In de gloria!

Ja, zo zou ik dat bovenstuk willen noemen: in de gloria. Beneden is ‘kyrie eleison’, maar boven is de ‘gloria’, de overwinning op het lijden, het te boven komen van de misère – niet als een ‘escape’, een eraan ontsnappen willen, maar echt als een erdoorheen gaan en het te boven komen,…want kijk eens goed naar de Jezus-gestalte in het midden. Hij ziet er uit als de gekruisigde, de tekenen van zijn lijden en dood draagt hij met zich mee. Hij ontsnapt niet aan onze werkelijkheid, maar Hij gaat er onderdoor en Hij komt het te boven.

En dan staat Hij daar ineens tegenover die vader en hij is met ontferming bewogen en wil niet liever dan die jongen helpen en bevrijden.

‘Geloof me’, zegt Jezus. En die vader zegt: ‘Ja, ik geloof. Kom mijn ongeloof te hulp’.

Die vader denkt misschien: wat moet ik geloven dan? Geloven? Wat bedoelt u eigenlijk? Moet ik geloven in God, maar wie is dat? Moet ik geloven, dat de aarde in zes dagen is geschapen? Moet ik geloven, dat U uit de maagd Maria geboren bent? Moet ik geloven in het eeuwige leven? Moet ik geloven, dat de bijbel van kaft tot kaft waar is?

Mijn geloof, ach wat is dat eigenlijk? Als ik zeg, dat ik geloof, geloof ik het al niet meer en als ik zeg, dat ik niet geloof begin ik daar aan te twijfelen. Help, ik geloof, geloof ik!

Maar wat er ook gebeurt en of het ergens op uitloopt of niet, ik zeg mét die vader: “Ik ga er voor! God zegene de greep!!”

Wie zo in het leven staat en open staat voor de mogelijkheden, die God ons geeft, leeft in een wereld vol wonderen.