Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Ook plaats ik hier korte inleidingen of publicaties (in het kerkblad), een vertaalde preek van Paul Tillich en andere beschouwingen. U wordt uitgenodigd om ook daarop te reageren.

Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

zondag, 08 september 2019 18:04

Preek gehouden tijdens mijn afscheid (wegens emeritaat) van de Protestantse Gemeente te Meppel op de 12e zondag van de zomer 8 september 2019 in de Grote of Mariakerk n.a.v. 1 Samuël 16: 4-13 en Lukas 14: 25-27 en 2: 41-50.

 

Loskomen en loslaten

 

Toen Jezus op een gegeven moment al die mensen achter zich aan zag komen was hij daar eigenlijk helemaal niet zo blij mee. Hij doorzag, dat velen hem volgden, omdat ze hem zo bijzonder vonden, omdat zij vonden, dat hij zulke mooie verhalen kon vertellen of omdat hij soms ook flink tekeer ging tegen de autoriteiten (daar smulden ze van) – ze hadden zo allemaal hun eigen motieven en overwegingen om bij hem in de buurt te zijn – maar Jezus keert zich om en zegt: je kunt mij alleen maar volgen, als je werkelijk alles opgeeft. Er mag eigenlijk niets zijn dat je belangrijker of aantrekkelijker vindt: je werk, je hobby, je familie, je geld: dat alles verliest uiteindelijk zijn absolute betekenis en waarde. Dat komt allemaal op de tweede of derde plaats. ‘Mij volgen’ betekent alles verliezen en loslaten, zegt Jezus, zoals ook van Abraham verteld wordt: hij moest wegtrekken uit zijn familieverbanden en zijn vaderland achter zich laten en op weg gaan naar het land van ooit, dat God hem zou wijzen. Dat is de weg van het geloof. Een onbegaanbare, ongebaande weg…, zou je denken.

Jezus wist waar hij het over had, want hij was zelf ook die weg gegaan en die ging hij nog steeds. Als kind al ging hij zijn eigen ongekende gang door op het Paasfeest zich te voegen bij de rabbijnen in de tempel, zijn vader en moeder in grote ongerustheid achter latend.

In de St-Janskerk in Gouda (mijn geboortestad) is een prachtig gebrandschilderd raam – op de voorzijde van uw liturgie ziet u er een zwart-wit afdruk van, maar de echte voorstelling is veelkleurig en daardoor vol beweging en dynamiek – de 12-jarige Jezus zit links in beeld: wij kijken hem recht aan en wij zien zijn heldere, verlichte verstand en zijn open blik en meer op de rug en van de zijkant belicht zien wij de oudere, bebaarde rabbijnen, gehuld in lange mantels omzoomd met Hebreeuwse letters en met 16e-eeuwse edities van de Schrift op schoot: jong en oud met elkaar in gesprek. Jezus leert van hen, maar zij ook van hem, want hij stelt open en scherpe vragen: wat is het eerste en het grote gebod? Gaat de liefde tot God echt boven alles? (hij lijkt het op z’n vingers na te tellen). Wat moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven? Moet ik op de sabbat naar de synagoge of kan ik ook gerust een wandeling maken door een korenveld?

En zijn vader en moeder maar zoeken en zoeken….waar kan hij toch uithangen? En ze zoeken hem bij de familie en de verwanten, in de menigte en in de kroeg, maar daar is hij niet! Nee, als ze hem willen vinden moeten ze ook zelf terugkeren naar de tempel. Daar is hij, bij de Schrift en de Schriftgeleerden, in het huis van God, dat hij het huis van zijn Vader noemt. En Jozef keek toen wat bedremmeld naar de vloer…

Als ze hem gevonden hebben zijn zij opgelucht, maar ook een beetje boos. “Hoe kom je erbij ons zo ongerust te maken? ‘Waar wazzie nou?’ We hebben je overal gezocht…” op het raam zie je de ouders van Jezus in verwarring en bezorgd aankomen. Ze komen helemaal buiten adem net binnenhollen…

Jezus weet waar hij over spreekt, als hij zegt, dat wie hem wil volgen vader en moeder, familie en vrienden moet verlaten. Je hoogste prioriteit, je ultimate concern, zoals Paul Tillich dat noemt (ik wil hem nog een keer met ere noemen), zal voortaan ‘God’ zijn.

Nu kan die roep tot het ultieme, naar datgene wat er werkelijk toe doet en waar je helemaal voor gaat, op vele manieren vorm krijgen in je leven.

Ik ken mensen, die letterlijk hun familie vaarwel hebben gezegd en die op hun eigen wijze en volgens hun eigen overtuiging invulling hebben gegeven aan wat hun ten diepste beweegt. Zij zijn volgelingen van Jezus, misschien zonder het te weten of zonder dat zo bewust te noemen.

Ik ken mensen, die vanuit een seculiere levensstijl zich bij de gemeente voegen, omdat zij Jezus willen volgen: hun vrienden en collega’s kijken hem of haar vreemd aan, maar zij nemen dat als hun kruis op zich.

Ik ken ook mensen, die omwille van de navolging van Christus de gemeente verlaten, omdat ze het kerkelijk reilen en zeilen te burgerlijk en niet radicaal genoeg vinden – en ze verliezen vrienden en geloofsgenoten, ter wille van het Evangelie.

Ik ken mensen, die het woord ‘God’ willen noemen, omdat zij een diep besef hebben van zijn presentie in hun leven, maar ik ken ook mensen, die het woord ‘God’ zo min mogelijk willen gebruiken, omdat zij zijn afwezigheid als een kruis op zich hebben genomen en hun leven leiden, alsof God er niet is.

Ik ken mensen, die net als de kleine David over het hoofd worden gezien, maar die door God gezalfd worden om Hem te dienen en zich sterk te maken voor een leefbare samenleving. De mensen zeggen: ‘hij niet’, ‘zij niet’, maar God zegt: ‘deze is het!’ Want Hij ziet het hart aan…

Ik zie hen allemaal als navolgers van Christus en niemand van hen of van ons zal zeggen: ík volg hem het beste of míjn navolging is de enige juiste.

We zijn allemaal beginners èn leerlingen en als we nog eens naar (of: in) het raam kijken dan kunnen we misschien onszelf wel zien: als (Woord)zoekers of als nieuwsgierige leerlingen, geboeid door zijn vragen en antwoorden, en dat we allemaal vrij zijn om te handelen op onze eigen wijze en zo gehoor te geven aan zijn stille, maar ook onrustig makende stem in ons hart.

En dan kan het niet anders dan dat de lofzang ontspringt, die wij met dank en van harte aanheffen: en niet éénmaal en mondjesmaat, maar eindeloos en uitbundig.

(Psalm 136 door Cantorij en Gemeente van Toon Hagen).

zondag, 25 augustus 2019 17:12

Preek gehouden op de 10e zondag van de zomer 25 augustus 2019 in de Grote of Mariakerk n.a.v. 1 Johannes 4

 

Geloven is “God doen”

 

Als mijn wiskundeleraar op de middelbare school een som of een vraagstuk besprak kon hij zomaar ineens met een dreigende vinger op je afkomen en vragen: “Is dat zo?” Wiskunde was niet mijn sterkste vak en aarzelend zei ik dan: “Ik geloof het wel, mijnheer”. Ja, we waren heel beleefd in die tijd. En dan bulderde hij: “Cees, geloven doe je in de kerk! Hier bij de wiskunde gaat het om weten of niet-weten”.

Geloven in God is inderdaad iets anders dan a2=b2 + c2. Geloven in God, zijn Naam belijden en prijzen doen we in de kerk en in ons leven…wiskunde doen we op school en op het werk. Twee verschillende werelden. Over de wiskunde kun je niet discussiëren, iedere wiskundige hanteert dezelfde uitgangspunten en redeneert en rekent op dezelfde manier. En komt tot dezelfde uitkomsten.

Maar als we over God gaan spreken en nadenken dan gaat het vaak alle kanten op. Als ik zomaar aan een willekeurig iemand vraag: “Gelooft u in God…?” dan kan ik als antwoord krijgen: “Ja, natuurlijk. Hoe maakt u het?” Dit is duidelijk iemand die vanzelfsprekend in God gelooft. God is geen vraag voor hem of haar. God hoort bij zijn inventaris. Wat God voor hem betekent, of hij of zij onder de indruk is van God, dat blijkt nergens uit. God bestaat…verder niet moeilijk over doen.

Iemand anders zegt: “Ik geloof wel, dat er iets is. Ja, dat moet wel…er moet iets zijn…” Wat dat iets is blijft vaag en onduidelijk…een hogere macht, een energie, een krachtbron.

Als ik vraag wat die “Iets” dan doet of vraagt of geeft, wordt de man onzeker en zegt kortweg: “Iets is alles, Iets is overal, op bergen en in dalen, ja overal is Iets”. Blijft de vraag klemmen wat die Iets doet of niet doet…kun je communiceren met Iets of niet? Het blijft lastig en moeilijk.

Weer iemand anders zegt: “God is de Almachtige. Hij is de Schepper van alles. En alles wordt door hem bestuurd en geregeld. Hij is de grote Regisseur en Albedisselaar, die alles in zijn hand heeft en naar zijn hand zet”.

Ah, een bekend beeld, dat vooral in de godsdienst van de volken in het Midden-Oosten is ontwikkeld en uitgewerkt. M.n. ook in de Griekse filosofie, waarin God als het Opperwezen wordt beschouwd, die alles in beweging heeft gezet, maar die zelf de grote Onbewogene is. Je kunt ontzag hebben voor zo’n God, zo groot en allesoverheersend, dat je jezelf klein en nietig voelt. Een indrukwekkende God, overweldigend…maar ook ongenaakbaar en ver weg.

Maar de apostel Johannes zit al een tijdje op mijn schouder te tikken, want die wordt een beetje ongeduldig. Hij wil ook graag wat zeggen. “Johannes, ga je gang!”

Nou, zegt Johannes, als ik mijn duit in het zakje mag doen, dan wil ik zeggen, dat al deze redeneringen en beschouwingen vaag en abstract zijn en kil en onpraktisch ook.

Luister, zegt Johannes, je kunt van God veel zeggen, maar in ieder geval moet je zeggen, dat Hij liefde is. En eigenlijk is dat alles!

God is liefde klinkt dan misschien een beetje zoetig, maar dat is het allerminst: het betekent, dat de liefde de oorsprong en de drijfveer is van alles wat God doet. Of Hij nu schept of leven geeft, of Hij nu recht spreekt of regeert: alles doet Hij vanuit de liefde. Daarom durf ik te zeggen: God is liefde!

Mensen zeggen vaak: “Als God liefde is, waarom is er dan zoveel onheil en leed in de wereld?” Of anderen zeggen: “Is God alleen maar liefde? Hij is toch ook ..en dan volgt een rijtje andere eigenschappen van Hem”.

Ik zou daarop antwoorden, dat wij de liefde van God niet moeten aflezen uit de gang van de gebeurtenissen in de wereld; ook niet uit de natuur – nee, er is maar één bron, die ons dit kan verhelderen en dat is Jezus:

God heeft zijn gezicht laten zien in Jezus. En dan gaat het er niet om, hoe Hij er uitzag, maar het gaat om wat Hij deed, waar Hij zich om bekommerde, wat zijn diepste drijfveren waren…en zijn doen en laten, zijn spreken en zwijgen, zijn handelen en behandeld worden, zijn sterven en opstaan…ja, dat hele leven, die hele verschijning van de Christus, dat kun je samenvatten in dat ene: Zo is God…God is liefde. God is Jezus ten voeten uit. Concrete liefde, liefde in woord en daad. Liefde “in actu”!

Het is zoals dat kleine meisje van een jaar of 5, dat ik na een kerkdienst in Reggersoord hoorde zeggen, terwijl ze bij een oude man, die doorschijnend van het lange liggen in zijn bed, stond: ‘hij is mijn vriend. Elke keer als ik hier ben, ga ik naar hem toe. Hij kan niet meer praten, hij ligt alleen maar…maar ik ben

zijn vriend’.

Zo is God, kan ik daar aan toevoegen. Hij ziet ons in de kracht van ons leven; Hij ziet ons werken en plezier maken; hij ziet ons plannen maken en routes uitstippelen; hij ziet ons beminnen en hij ziet hoe wij soms verkillen; hij ziet hoe wij ruzie maken en onze zin willen doordrijven; Hij ziet hoe wij geloven en hoe wij redeneren; hoe dom we kunnen zijn en hoe in onszelf gekeerd we kunnen zijn, maar ook hoe hulpvaardig en betrokken. Hij ziet, hoe wij gemeente willen zijn en hoe wij samen de Maaltijd vieren. Kortom, God ziet ons zoals wij zijn en Hij zegt: “Ik heb je lief. Ik ben je vriend”.

Zoals die adoptief ouders die ik een tijdje geleden op tv zag: een echtpaar dat een kind had geadopteerd, een jongetje, dat al een moeilijk leven achter de rug had en van wie ze het karakter niet kenden en wat er allemaal zou kunnen gebeuren en er uit zou komen. Maar die man zei: “Ik ben zijn vader en ik zal van hem houden, wat er ook gebeurt. In zijn puberteit zal hij misschien mij gaan haten of willen weglopen, maar ik zal van hem blijven houden en ik zal er voor hem zijn. Ik ben zijn vader, wat er ook gebeurt!”

Zo is God. “Ik ben jullie Vader, wat er ook gebeurt”.

“God is liefde” moet dan ook niet een abstracte bewering blijven of een beschouwing, die je gelooft of niet gelooft. Nee, laat ik het zo kort samenvatten: Geloven is bovenal “God doen!”

 

zondag, 11 augustus 2019 15:13

Preek gehouden op de 8e zondag van de zomer 11 augustus 2019 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Lukas 16: 19-31

 

Het smalle Lazaruspoortje

 

Daar is hij weer. Twee weken geleden kwam Lazarus ook langs en vanmorgen weer. Is het dezelfde of een andere? Die van vandaag komt voor in een vertelling, een gelijkenis van Jezus en daarin gaat het altijd over figuren, die een type voorstellen, bijv. een farizeeër, een tollenaar, een man onderweg, een rijke man, een arme man. De arme man heeft een naam, alle andere figuren in de gelijkenissen niet. Lazarus heet de arme man: God is mijn hulp, precies zoals wij nog zondag aan zondag de kerkdienst beginnen: Onze hulp is van Heer! Zo staan wij daar als arme bedelaars voor Gods aangezicht.

We kunnen ook denken, dat Lazarus een soort collectivum is, een aanduiding van alle armen, die je Lazarus kunt noemen. Het lijkt dan een eigennaam, maar is het eigenlijk niet, zoals Jan Rap, Jan Splinter e.d. Het zijn meer typeringen. En zo is Lazarus niet zozeer een individu, maar staat hij voor alle armen en voor allen, die naamloos en roemloos gestorven zijn.

De Jezus van Lukas heeft een zwak voor de armen en de zieken. Lukas hoort Jezus de armen zalig spreken en zo is dit verhaal van vanmorgen daar a.h.w. een illustratie bij.

Maar begrijpen we het plaatje goed? Dat is altijd weer een spannende vraag. Waar letten we vooral op en welke accenten brengen we aan?

Er is bijv. een moralistische benadering, die vooral wil weten: wat is de moraal van dit verhaal? Er is een piëtistische benadering, die vooral de nadruk legt op een innerlijke bekering en Lazarus als toonbeeld van de ware vrome ziet. Ik kwam zo’n interpretatie onverwachts tegen, toen ik geschiedenis studeerde en in die periode ook oude handschriften moest leren lezen. Een docent schotelde ons een middeleeuwse tekst voor en we probeerden de zinnen te ontcijferen: het bleek een preek te zijn, die over Lazarus ging en een zin die mij altijd is bijgebleven was deze, dat de prediker tot zijn toehoorders had gezegd: wij zijn allen Lazarus!

Anderen zullen vooral aandacht vragen voor de vraag wat er na de dood met een ieder van ons gebeurt. Deze gelijkenis beschouwt men dan als een soort topografie van het hiernamaals.

Ook kan vooral gelet worden op het slot van het verhaal, dat men genoeg zou moeten hebben aan Mozes en de profeten en dat wanneer iemand uit de doden zou opstaan, dat dat geen enkel effect zou hebben op het leven van mensen.

Dat zou dan weer verbonden kunnen worden met wat de evangelist Johannes vertelt, wanneer hij als enige de opwekking van Lazarus verhaalt – en daarmee a.h.w. voortborduurt op het slot van deze gelijkenis - Zo zijn er vele manieren om dit verhaal te benaderen en alle invalshoeken hebben op zichzelf een bepaalde waarde en zeggingskracht.

Ik kies vanmorgen voor een andere, eigen invalshoek en dat is deze: ik zie het verhaal vooral als een poort. Ik kom daar op, omdat er in Gouda, mijn geboortestad, een poort staat, die het Lazaruspoortje heet.

Het poortje, ja inderdaad, het is maar een klein poortje, een smalle poort, staat nu achter de St. Jan en geeft toegang tot het Catharina Gasthuis, het stedelijk museum. Maar vroeger stond het ergens anders in de stad en was het de ingang naar het leprozenhuis. 400 jaar geleden leden veel mensen aan die ziekte, vooral armen en zwervers en die moesten eigenlijk geïsoleerd worden en zo leefden zij vaak buiten de gemeenschap, in een lazaret. Als ze op straat kwamen moesten ze met een klepper geluid maken en ze waren ook herkenbaar aan een bepaalde kleding. De twee figuren aan de zijkant zijn leprozen.

Als je het poortje nadert dan moet je wel recht omhoog kijken. En wat je dan ziet is een rijk gedekte tafel en de vijf broers van de rijke man. Hij zelf, de hoofdspersoon van het verhaal, komt er ook aanlopen. Hij is net even in de keuken geweest om nieuwe voorraad voedsel op te halen, zo te zien een geurend stokbrood o.i.d.

Ik sta even stil onder de poort en ik kijk nog eens goed naar die tafel en het gezelschap en ik denk: Ja, ik ken die mensen. Het zijn die lui van de grachtengordel, die strak in het pak en met dito dames een leuk leventje leiden, vol glitter en glamour.

Hé, wees niet zo kortzichtig, hoor ik in mijn jaloerse oor, neem een klein beetje afstand en je ziet ook jezelf zitten. Kijk maar, daar..daar zit je zelf!

In het midden…ja precies, dat is de plaats waar iedere rijke zit. Hij of zij plaatst zichzelf in het middelpunt van de wereld. Alles en iedereen wordt benaderd vanuit een egoïstische blik. Wat levert het mij op? Wat heb ik er aan? Hoe kan ik overleven en hoe kom ik aan mijn trekken en hoe heb ik een leuk en aangenaam leven?

Maar er is nog iemand te zien. Het lijkt wel Niemand te zijn: hij heeft geen baan, geen sofinummer, geen paspoort, geen adres, geen verblijfsvergunning…hij ligt aan de deur van het huis van de rijke. Hij wordt niet gezien. Hij is niet gezien. Hij ligt in de weg; hij is vies, hij stinkt. Rijke man, heb je hem wel eens gezien of met hem gesproken? Nee, zegt de rijke man, ik ken die mens niet. Weet u misschien hoe hij heet? Nee, zegt de rijke man, geen idee. Volgens mij heeft hij geen naam: hij is een soort naamloze zwerver.

En, zo vraag ik aan Lazarus, kunt u hier overleven? Blijft er wel eens iets over van de tafel van de rijke? Kruimels of brokjes misschien? Nee, zegt Lazarus, de honden zijn mij voor. Ik kom hier om van de honger en ik sterf van ellende. En als ik doodga, wie zal mij begraven?

Zo sta ik te mijmeren als ik omhoog kijk. En wat ik te zien krijg is onthullend en onthutsend. Ik begin me af te vragen: waar ben ik mee bezig? Wie ben ik en waar sta ik in dit verhaal? Ben ik de rijke man? Of herken ik mijzelf ook in Lazarus?

Misschien moeten we de blik nog verder omhoog richten, want daar zien we, helemaal bovenaan, Lazarus opnieuw… ja, zo kunnen we het wel zeggen: de nieuwe Lazarus in de schoot van Abraham…bij Abraham op schoot. Dat is een prachtig beeld van rust en vrede, van genoegdoening en tevredenheid. Een plek van je aanvaard weten en tot rust komen, tot je uiteindelijke bestemming. Alle ontberingen voorbij, het genegeerd worden voorbij: hier kom ik tot mezelf – hier ben ik wie ik wezen mag, een gekend en door God bemind mensenkind.

Lazarus is gestorven…nee, hij was nog niet oud. Hij is gestorven aan uitputting, van de honger en de dorst, zoals miljoenen mensen op deze aardbodem te vroeg sterven. Nee, een begrafenis of crematie zit er niet in…te duur…hij wordt in de grond gestopt en gauw vergeten. Of in een massagraf gelegd…zo gaat dat met de armen van deze wereld.

Dat is wat we zien…maar wat we niet zien, maar te horen krijgen is, dat Lazarus wordt weggedragen tot in Abrahams schoot. Gods hart gaat uit naar de armen van deze wereld en Hij zal ze geven wat ze nodig hebben.

Veel en veel later…als nooit meer iemand over Lazarus spreekt of hem zelfs maar herinnert, sterft ook de rijke man.

O, wat een gebeurtenis is dat: het staat in de krant en het is op televisie te zien. Een grootse begrafenis: plechtig en indrukwekkend en zijn verdiensten worden breed uitgemeten. Over zijn feesten en partijen en hoe gul hij altijd was voor zijn vrienden en vriendinnen.

Dat is wat wij zien, maar wat we te horen krijgen is, dat de rijke man arm is en zielig. Hij heeft meelij met zichzelf…o, wat ben ik er nu ellendig aan toe…en jij, Lazarus, zie ik dat goed, lig jij daar nu te genieten van rust en vrede? Kom over en help mij!

Nee, dat kan niet, zegt Abraham, die kloof is te diep. Stuur Lazarus dan naar mijn broers, dat ze zich zullen bekeren en niet hier zullen komen.

Nee, dat is ook al geen mogelijkheid en als het al zou kunnen, zou het ook niets opleveren. Ze hebben Mozes en de profeten!

De verleiding is groot om nu te gaan speculeren over hoe het er in het hiernamaals, zoals we dat ongelukkig noemen, aan toe gaat. Over eeuwige straf en beloning en dat dat onherroepelijk is en zo.

Als die realiteit er is – en ik geloof dat die er is – dan wordt daar ons hier over verteld om de ernst van het leven hier en nu te onderstrepen en ons aan te sporen te leven, zoals ons hier wordt voorgehouden, nl. volgens de richtlijnen van Mozes en de profeten, of nieuwtestamentisch gezegd: in navolging van Jezus, de Christus.

In deze gelijkenis maakt Jezus ons duidelijk, dat de dood niet het einde van ons leven is, maar de onthulling ervan. Als in een ogenblik zien we wat ons leven in de kern geweest is – en nog is – egoïstisch, alleen maar oog voor eigen geluk en heil – of …misschien arm in de ogen van de wereld, maar rijk in God.

Waarom is de rijke man in wezen ongelukkig en voelt hij zich uiteindelijk rot en onvoldaan? Omdat hij Lazarus niet ziet en niet kent of wil kennen, zich voor hem afsluit.

Is er nog hoop voor de rijke man? Ja, want Jezus vertelt geen verhalen om mensen aan hun lot over te laten of om mensen vast te pinnen. Integendeel. Iedere gelijkenis en vertelling is bedoeld als ‘eyeopener’ en om anders te gaan leven. Wanneer hij luistert naar Mozes en de profeten en oog krijgt voor Lazarus aan zijn poort, dan zal de rijke man een licht opgaan. Ik ben ervan overtuigds, dat de rijke man nooit zonder Lazarus in de hemel zal kunnen komen. Zolang de rijke man geïsoleerd en op zichzelf blijft leven zal het leven een hel zijn voor mensen als Lazarus en ten diepste ook voor de rijke man zelf.

Zodra het hart van de rijke ontbrandt in liefde en barmhartigheid voor Lazarus zal Abraham tot hem zeggen: kind, ook jij bent een kind van God, kom hogerop en leef en kom tot leven…want het leven dat jij leidde, zo zelfvoldaan, zo egoïstisch, zo los van de werkelijkheid om je heen, dat mag geen leven heten.

Ik kijk nog eens omhoog en zie daar Lazarus in Abraham’s schoot. Is dat Lazarus wel, is dat Abraham wel? Het lijkt wel of ik Maria zie en in haar schoot de gestorven Christus, ja, het lijkt wel een ‘piëta’. Ik denk dat de ontwerper van deze verbeelding die twee taferelen ineen wil laten vloeien om te laten zien, dat Jezus zich identificeert met iedere arme en dat wanneer Jezus ons vraagt wat wij gedaan hebben voor Lazarus, dat hij dan zegt: alles wat je voor hem gedaan hebt, heb je aan Mij gedaan.