Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Ook plaats ik hier korte inleidingen of publicaties (in het kerkblad), een vertaalde preek van Paul Tillich en andere beschouwingen. U wordt uitgenodigd om ook daarop te reageren.

Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

zondag, 21 juli 2019 10:48

Preek gehouden op de 5e zondag van de zomer 21 juli 2019 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Esther 5

 

Miss Perzië steekt haar nek uit

 

Uit de oude doos heb ik het verhaal van Esther opgediept en wat afgestoft. Ik spreek inderdaad liever over het verhaal van Esther dan over de geschiedenis van Esther. Wat in dit boekje verteld wordt heeft wel alles te maken met de geschiedenis van het volk Israël, toen en de eeuwen door, maar stijgt daar ook bovenuit en kan vervolgens dienen als een samenvatting en typering van de geschiedenis van het Joodse volk: - bedreigd en bevrijd – zoals je de kern van dit boekje zou kunnen samenvatten.

Het verhaal speelt zich af in het Perzische rijk, - het domein van de 1001 nachten - dat geregeerd wordt door koning Ahasveros. Ons verhaal lijkt ook wel wat op een sprookje, eigenlijk. Alles vindt plaats in en rond het paleis van de koning. Ik stel me voor, dat we het boekje Esther (ook) zouden kunnen lezen als het script van een toneelstuk of een film.

De eerste scène speelt zich af in het paleis en de decorstukken worden aangebracht: een grote balzaal, een heleboel gasten, veel eten en drinken en vooral veel wijn. De koning is drie jaar aan de macht: dat is wel een feestje waard.

De stemming wordt steeds vrolijker en baldadiger en het gesprek gaat steeds meer over vrouwen en hun schoonheid. En zo wil de koning wel eens voor de dag komen met zijn vrouw, koningin Vasthi. “Ik zal haar even ontbieden”, roept hij met z’n dronken kop, dan kunnen jullie haar allemaal bewonderen. Ze zal alleen haar koninklijke hoofdsieraad op hebben, verder niets! Alle mannen verheugen zich op haar komst, maar koningin Vasthi komt niet. Ze weigert glashard en – zo denken wij – groot gelijk had ze. De redenen waarom zij niet wilde komen moeten we zelf bedenken. Misschien vond ze zichzelf niet mooi genoeg meer; ze werd ook een dagje ouder en e.e.a. begon misschien wat te lubberen – en ze dacht: dan slaat de koning toch ook een figuur, als hij mij aanprijst als Miss Perzië. Of zij vond het beneden haar waardigheid om zomaar alleen als pronkstuk te komen opdraven. En gelijk had ze!

Natuurlijk is dat tegen het zere been van de koning. Voor hem is meteen de kous af: Vasthi mag geen koningin meer zijn. En zo moet de les voor alle bewoners van het rijk zijn: mannen, zorg er voor dat je vrouw je niet de baas wordt. Korte metten met dat soort fratsen! Laat het een wet van Meden en Perzen zijn: mannen zijn de baas!

Hmm…dat zullen we nog wel eens zien, zo hoor ik de verteller gniffelen.

Er moet een nieuwe koningin komen. Daar moet naar gezocht worden, je kunt solliciteren, en de belangrijkste vereiste is, dat je mooi bent. Er draaft een heel regiment mooie meiden op en één van hen is Hadassa, ook wel Esther genoemd. Een bijzonder meisje, mooi om te zien, maar ook van een bijzonder volk, zij was een jodin. Haar ouders leefden niet meer en haar oom had haar geadopteerd: Mordechaï heet hij. Hij vindt het een goed plan, maar zo zei hij tegen Esther: je moet niet zeggen dat je een jodin bent, hoor! Dat kan in je nadeel werken.

En na een grondige beautybehandeling wordt uiteindelijk Esther gekozen en mag zij de nieuwe koningin worden.

Dan wordt zo maar tussendoor even gemeld, dat Mordechaï een keer het leven van de koning had gered – hij had een aanslag verijdeld. Het werd opgeschreven in de annalen, maar verder niks: er kon zelfs geen bedankje af.

En er komt nu ineens een heel ander figuur op het toneel: Haman heet hij. Zo’n figuur met een dikke stierennek, zo’n patser, die denkt dat hij heel wat is. Uit de familie van de Amalekieten en wie dat hoort verschiet al van kleur. Dat belooft niet veel goeds. Jodenhaters zijn dat, antisemieten tot op het bot. Deze Haman wordt benoemd tot rijkskanselier, een hele hoge functie krijgt hij. Hij vindt dat iedereen voor hem moet buigen als een knipmes, ja hem moet eren als was hij een god. Mordechaï, die altijd bij de poort zit om een oogje in het zeil te houden voor zijn nichtje Esther, weigert dat. Hij buigt wel een beetje, maar niet overtuigend genoeg naar de smaak van Haman.

Dan komt Haman er achter dat het om een Jood gaat. Zijn analyse is kort maar krachtig: alle joden moeten uitgeroeid worden. Zij zijn een smet voor de natie; het zijn staatsgevaarlijke lui. Weg met hen!

Haman bespreekt het met de koning en die vindt het ook een goed plan – alleen moet nog gezocht worden naar een geschikte datum. Dat wordt bepaald door het lot: Poer heet dat. Gooien met steentjes, kaarten leggen en naar de sterren kijken, dat zijn zo de methoden om daar achter te komen. En Haman heeft uiteindelijk de goede dag en maand gevonden: de 13e van de 12e maand. Dat zal de dag van de totale uitroeiing worden.

En als Mordechaï dat hoort is hij ten einde raad. Is er nog ontkomen aan? Is er nog hoop? Wie kan aan de greep van Haman ontsnappen? Mordechaï vestigt zijn hoop op Esther. Als Esther nu eens een goed woordje doet voor de Joden bij de koning. Dan kan het lot, het noodlot, misschien nog worden afgewend.

Wil je dat doen, Esther? Maar Esther zegt: ik ben al in 30 dagen niet bij de koning geweest. De laatste tijd vindt hij kennelijk andere vrouwen leuker. Maar misschien roept hij me binnenkort weer…ja, maar daar kunnen we toch niet op wachten…doe a.u.b. iets! Nu!!

En dan trekt Esther haar stoute schoenen aan en haar mooiste gewaad en met een bevend hart nadert ze tot de koning en ze denkt: kom ik om, dan kom ik maar om! Ik heb geen andere keus en wie weet…

 

orgelspel

 

Misschien denkt u, net als ik, nou, dit is een mooi verhaal, een intrigerend toneelstuk, en wat is het precies voor een stuk: een tragedie of een komedie? Maar wat moeten wij er mee aan?

Ik zou vanmorgen de vinger willen leggen op het punt van de ontwikkeling van Esther, van meisje naar zelfbewuste vrouw. Zij maakt een ontwikkeling door, die we ook wel kunnen herkennen bij onszelf en die ons ook kan inspireren om bij onszelf te rade te gaan of wij iets van haar bij onszelf herkennen.

Zij begint eigenlijk heel kwetsbaar en getraumatiseerd: als een meisje, dat haar ouders al jong verloren heeft en dan bij een oom moet gaan inwonen. Een lieve oom, daar niet van, maar toch…zou ze echt gelukkig geweest zijn? En dan ook nog in een vreemd land, tweede generatie allochtoon: wat doe je met je culturele en religieuze achtergrond in zo’n ander land? Aanpassen of juist je eigen identiteit onderstrepen?

En ze zit een beetje onder de plak van haar oom. Hij beslist eigenlijk hoe ze moet leven en waar haar toekomst ligt. Esther, ga jij dat maar doen…Esther, probeer dat maar eens…solliciteer maar bij de koning. Dat zou een mooie baan voor je kunnen zijn: koningin van Perzië worden. Ben je wel goed bij je hoofd, oom Mordechai….nou ja, als u het zegt, zal ik het doen…en zo meldt zij zich aan voor de voorrondes van de beautytest.

Ja, mooi was ze en dat wist zij ook zelf wel. Daar lag haar kracht.

Maar is dat een leven: alleen maar mooi zijn en gewaardeerd worden vanwege je schoonheid? Wie ben je dan eigenlijk? En wat gebeurt er als je ouder wordt en misschien minder mooi wordt of wordt gevonden? Dat is een vraag waar veel vrouwen – en ook mannen, trouwens - mee worstelen en velen zoeken een oplossing in chirurgie en andere kunstgrepen. Maar misken je zo niet de betekenis van je eigenheid…die valt toch niet samen met je uiterlijk en je vitaliteit?

Dat is de volgende fase in het leven van Esther. Zij krijgt een andere rol toegespeeld. Niet langer alleen maar mooi wezen, maar goed zijn! Op een gegeven moment wordt iets van haar gevraagd…voor haar volk, een inzet, een betrokkenheid, die beslissend zal kunnen zijn voor haar zelf en voor haar volk.

En daar moet ze diep over nadenken. Wat moet ik doen: zal ik me stil houden en afwachten wat er gebeurt of zal ik mijn stem verheffen en mijn best doen om het ergste te voorkomen.

Zij doet het laatste en zo wordt zij van ‘koningin Beauty’ koningin “Ik zal er zijn”. Met inzet van eigen leven waagt ze zich aan de redding van haar volk.

Ik vind dat een voorbeeldige ontwikkeling. Misschien kunnen en willen wij ook ons eigen leven daarnaast houden, als een soort spiegel: misschien herkent u iets van het begin, de jeugd met verliezen en een slechte start…of misschien herkent u iets van het buitenkant-verhaal: dat mensen prat kunnen gaan op uiterlijkheden en zich laten voorstaan op carrière, de baan en het inkomen enzo. Maar dat de ware schoonheid van je leven pas opbloeit, als je je wilt inzetten; als je je niet schaamt voor je achtergrond en overtuiging en ook bereid bent een offer te brengen. Als het echt spannend wordt dan niet weglopen, maar er zijn…voor de ander. Wanneer blijkt dat de ware schoonheid van binnen zit.

Zoiets, zo ongeveer…daar wil ik wel verder over nadenken en ik hoop u ook.

Maar er is nog iets en dat gaat over de vraag: waar is God in dit hele verhaal? Van Hem nog niets vernomen. En je kunt het verhaal nog eens aandachtig doorlezen, maar je komt zijn Naam niet tegen. Is dat niet vreemd?

De rabbijnen hebben dat natuurlijk ook allang gezien en zij komen met deze oplossing. Zij zeggen, kijk, dat moet of kun je zo zien, dat God zijn aangezicht verbergt, zoals Esther in het Hebreeuws betekent….tenminste in de naam klinkt iets van verberging door. En als het Poerimfeest is lopen mensen ook met een maskertje voor. Daar heeft dat allemaal mee te maken. Je weet eigenlijk niet wie wie is, …en God, Hij is de grote Onbekende, de Verborgene, ….die toch aanwezig is. Zonder dat Hij genoemd wordt is hij aanwezig en al lijkt het Lot te beslissen hoe alles gaat, uiteindelijk heeft God de verborgen leiding, zo beaamt de gelovige. Ja, alleen hij of zij die gelooft bespeurt in dit alles de hand van God. En alleen wie tussen de regels door leest ontdekt God. Hij is het wit tussen de letters en tussen de regels…onzichtbaar, maar toch aanwezig.

Ook dat is iets om over na te denken: hoe zichtbaar of onzichtbaar is God in ons eigen leven aanwezig? Alleen als we dat nadrukkelijk zeggen of juist als wij zijn Naam verborgen houden en stil geloven en leven: U bent er wel, Gij verborgene, die bij ons zijt, maar zodra ik U aanwijs of probeer te bewijzen onttrekt U zich en tast ik in het duister.

 

Esther brengt ons op het spoor van een mystiek soort geloven: U kennen, uit en tot u leven, Verborgene, die bij ons zijt – Gij zijt de zin van alle tijd. Vervul van dit geheimenis uw kerk die in de wereld is.

zondag, 14 juli 2019 18:24

Preek gehouden op de 4e zondag van de zomer 14 juli 2019 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Johannes 16: 16-28 en 1 Petrus 3: 17-22

 

Het wenen zal ons vergaan

 

De lezingen, die wij vanmorgen te horen kregen, - vanuit het evangelie en de brief van Petrus – zijn weliswaar heel verschillend in toon en kleur, maar toch hebben ze iets gemeenschappelijks. En dat is, dat ze beide gaan over het heengaan van Jezus – en zo lopen beide lezingen in de richting van Hemelvaart en hebben ook betekenis voor na Pinksteren.

En de zinsnede die dan bij Johannes steeds weer klinkt is: nog een kleine tijd. Nog een kleine of korte tijd en je zult mij niet zien en na weer een korte tijd zul je me weer zien. Tot vervelens toe wordt dat steeds door Johannes opgetekend. Hij vindt die typering blijkbaar zo belangrijk, dat hij het er a.h.w. in wil stampen: nog een korte tijd. En als je goed leest en erover nadenkt dan betrekt hij dat op vóór en op na de Hemelvaart. Jezus zegt het voor zijn hemelvaart, maar Johannes schrijft het op na zijn hemelvaart en daardoor komt alles in een ander licht en perspectief te staan. Het geeft een beeld van de vroege kerk, die a.h.w. nog met het hoofd omhoog stond om uit te zien naar de terugkomst van Jezus. En het wachten gaat langer en langer duren en dan klinkt toch steeds weer als een echo van eeuwigheid daardoorheen: nog een korte tijd! En de gemeente is bedroefd van het wachten, zij voelt zich eenzaam en verlaten, vreemd in deze wereld, overal en nergens thuis – en men spreekt elkaar moed in en men zegt: heeft Hij niet gezegd: nog een korte tijd? Nog een korte tijd en dan zal het wenen ons vergaan en we zullen lachen en juichen. Er zal een moment van weerzien zijn, zoals twee geliefden elkaar na lange tijd kunnen weerzien en omhelzen: zo zal het ook de gemeente als de Bruid van Christus vergaan.

Maar die korte tijd kan lang duren – en in onze beperkte tijdsbeleving duurt die ook lang. En wij voelen ons vaak Godvergeten en Godverlaten. Waar is God, op wie jullie wachten? Zo horen wij buiten en binnen in ons. Die korte tijd is een God-loze tijd, precies zoals veel mensen ervaren. Mensen ervaren het leven inderdaad vaak als een ruimte zonder God – en Bonhoeffer voorzag, dat de religiositeit, zoals die in zijn tijd nog alom bestond, zou verdwijnen en dat mensen zullen leven alsof er geen God is (etsi Deus non daretur). Natuurlijk zijn er nog kerken, zult u zeggen, en we hebben het hier vanmorgen toch over God? En je hoort mensen vaak zeggen: er is toch meer tussen hemel en aarde? En: God is er ook nog!

Dat is allemaal waar, maar laten we ons als gemeente van Christus in deze tijd goed realiseren, dat wij in de wereld staan, zoals de leerlingen van Jezus, die omhoog staarden omdat Hij was weggegaan en dat in hun oren klonk – en als echo ook in onze oren: nog een korte tijd en je zult Mij niet zien. Je zult Mij niet zien, geen spoor van God, geen zichtbare of tastbare nabijheid. Kijkend naar de onderkant van een wolk – alleen op de wereld.

En toch: blij en vol vreugde, want “al heeft Hij ons verlaten, Hij laat ons niet alleen”. Zo klinkt de tekst van een prachtig lied. En Johannes begint daar ook over te stotteren en hij vergelijkt het met de geboorte van een kind...o wee, o wee, wat een pijn en moeite, maar als het kind er is, dan is er opluchting en blijdschap. En zo leeft de gemeente van Christus toe naar die nieuwe tijd en die nieuwe wereld, nog vaak onzichtbaar en verborgen, maar wel wenkend als een precpectief. En het is de Geest van God zelf, de Geest van Christus, die ons geschonken is om daaruit en daarmee te leven, in deze korte tijd.

Maar er is nog iets anders, waar ik even samen met u bij wil stilstaan en dat gaat over de zondvloed, die ineens opduikt in die eerste brief van Petrus. Over de zondvloed wordt veel gespeculeerd. Pas stond er een interview in Trouw met verschillende beginnende predikanten en één van hen had tijdens de studie opgestoken, dat er wel 1600 zondvloedverhalen bestaan,- en dat wijst er op, dat er sprake is van een soort collectieve herinnering aan een wereldwijde catastrofe of de angst daarvoor - maar dat er natuurlijk maar één de echte en ware was en die was in de Bijbel terechtgekomen. Toen hoorde ik een klein krakje in mijn klomp, want dat is wel een erg naïeve voorstelling van zaken. Volgens mij gaat het er om, dat we in de Bijbel te maken hebben met een eigen en heel bijzondere interpretatie van dat gebeuren of van die mythe. Het gaat immers vooral om de theologische duiding! En de hoofdlijn is dan, dat de vloed een reiniging van de aarde of liever een wegvagen van het kwaad is. Het oude heeft geen toekomst meer; God had zelfs spijt dat hij de schepping in het leven had geroepen en zo wilde Hij eens schoon schip maken. En in een boot komt dan de nieuwe mensheid aan de oever van een nieuwe toekomst terecht. We geloven het bijbelse zondvloedverhaal niet omdat er (in de Bijbel) een accurater verslag van dat gebeuren wordt gegeven, dat de historische feiten beter gedocumenteerd zijn enzo – nee, het gaat om het profetische getuigenis ervan of erdoorheen: de oude wereld gaat voorbij en de nieuwe is in aantocht! En dat is wat wij zullen horen en willen geloven! En daarom is Petrus ook helemaal niet geïnteresseerd in de vraag of alle dieren wel in de ark pasten en waar de ark nou precies landde en dat het zo belangrijk is om daar een expeditie naar toe te sturen om zo aan te tonen, dat de Bijbel echt gelijk heeft enzo...nee, daar schrijft Petrus niets over: hij maakt een vreugdesprong naar de Doop en hij zegt: zo is het nu ook met de Doop: de oude mens gaat kopje onder en de nieuwe staat op – het doopvont als een miniatuur zondvloed, maar ook meteen de meest eigenlijke en echte (zondvloed), want daar gaat het telkens weer om, dat we beseffen, dat we van het oude leven zijn overgegaan naar het nieuwe. Ook al trekt het oude ons nog vaak aan of trekt het aan ons als verleiding of als gewoonte – we hebben de blik voortaan anders gericht: naar voren, naar boven, toekomstgericht, want in principe zijn we aan een nieuw leven begonnen.

O ja, dat is ook vaak nog een vraag: en al die mensen dan, die toen leefden- ja, al die mensen, die voor Christus leefden, vallen die nu letterlijk allemaal buiten de boot? Die vraag komt ook wel eens op ons af, dat mensen zeggen: hoeveel mensen hebben nooit het evangelie gehoord, nu niet en alle eeuwen door niet...zullen die mensen verloren zijn, zoals de mensen van de zondvloed?

En dan trekt Petrus zijn meest universele en kosmische registers open en verkondigt, dat de Opgestane zichzelf vertoond heeft aan de geesten in de gevangenis, d.w.z. alle doden van de vorige generaties en van voor de vloed worden bevrijd van hun onwetendheid, van hun gebonden-zijn aan de dood en het kwaad en Jezus zegt: Sta op uit de doden en de Christus zal over u lichten...kom met Mij mee, achter Mij aan en dans met Mij naar het licht en zij kwamen en komen achter Hem aan, ja als een Magneet trok Hij hen aan en met zich mee en zo dansen zij in het licht van Gods vriendelijk aangezicht.

Is het christelijk geloof een bekrompen en bangmakend geloof? Wel, misschien is het er wel van gemaakt, maar als we Johannes en Petrus een beetje goed hebben begrepen, dan ken ik geen blijer-makend en universeler geloof dan dit.

zondag, 07 juli 2019 11:31

Preek gehouden op de 3e zondag van de zomer 7 juli 2019 in de Grote of Mariakerk n.a.v. 1 Koningen 19: 1-13

 

Hoe God zich in de stilte openbaart en verbergt

 

Gedurende de zomermaanden juli en augustus laat ik het leesrooster links liggen: wij komen anders te vaak uit bij steeds weer dezelfde lezingen en verhalen. Ik neem daarom de vrijheid om de komende weken met alternatieve lezingen te komen en preken en overdenkingen te houden, die ik ooit elders heb gehouden of soms vele jaren geleden hier in Meppel. Ik zal ze wel wat afstoffen en ze als nieuw aan het licht proberen te brengen en ze zo nodig actualiseren.

Vandaag dus het bekende en indrukwekkende verhaal van de profeet Elia bij de berg Horeb.

 

Ik wil proberen om dit bijbelverhaal te lezen en te horen als het verslag van een innerlijke, spirituele reis. Is het mogelijk onszelf te herkennen in de figuur van Elia en welke aspecten van de vertelling raken aan ons eigen leven?

We beginnen op de Karmel, waar Elia in Naam van de God van Israël korte metten maakt met de afgodendienst, de verering van de Baäl. In een soort religieus experiment en een roes van razernij, waarbij vuur uit de hemel het bewijs moet leveren, wordt aangetoond dat de God van Israël de enige en echte God is. Daarna begint er veel bloed te vloeien: geweld en angst, iedereen moet een goed heenkomen zoeken, ook Elia.

Ik zie hierin weerspiegeld en samengevat iedere periode in de geschiedenis, waarin religieuze gevechten worden uitgevochten, of het nu gaat over de kruistochten of over de strijd tussen katholieken en protestanten in Ierland, over IS en de jihad...kortom, telkens weer grijpen mensen naar het zwaard en gebruiken geweld om hun gelijk te bevestigen.

Ook in jezelf kan die strijd woeden, als je zo overtuigd bent van je eigen gelijk, dat alles en iedereen daarvoor moet wijken. Je kunt ook in je eigen godsdienstige overtuiging zo fanatisch worden, dat er geen ruimte meer is voor de ander in zijn of haar overtuiging. En de Naam van God reserveer je voor je eigen gelijk. Deze perioden in de geschiedenis en in je eigen leven lijken gesanctioneerd te worden door het verhaal van Elia op de Karmel...maar...hoor! dit is niet het einde van het verhaal: het verhaal gaat verder.

 

Elia komt in een depressie, ten dode toe. Jezus zegt later in een korte formulering wat hier eigenlijk aan de hand is: wie het zwaard opneemt zal door het zwaard vergaan. Hij leek het ultieme bewijs geleverd te hebben, dat Jahwe God is, maar de Allerhoogste onttrekt zich aan dat soort gemanipuleer en Hij verbergt zich. Elia valt in een gat en hij wil eigenlijk niet meer leven. Zoveel bereikt in de dienst van God, zou je denken, zoveel gepresteerd, de zaak op scherp gezet en verhelderd...maar innerlijk is Elia onzeker, angstig en wanhopig. Dat komt ervan, zou je kunnen zeggen. Dat is de keerzijde!

En dat is weer het begin van een omslag, wanneer je gaat twijfelen aan je eigen zekerheden, wanneer je door je Godsbewijzen heen zakt en God kwijt raakt: de God van je overzichtelijke kaders, de God van “ons”, de God van “zeker weten”. Elia komt in een nacht van eenzaamheid en vervreemding, zoals ook veel mystici in later eeuwen tot op vandaag hebben meegemaakt: waar is God? Misschien herkennen wij in bepaalde opzichten ook wel iets in onszelf van deze verlatenheid en eenzaamheid. Ik wil niet meer leven, zegt Elia, zelfs als iemand hem brood komt aanreiken. Pas als hij weer wat gegeten en gedronken heeft gaat het leven weer verder, steeds verder.

We zouden op dit punt wat kunnen speculeren over de verhouding tussen geest en lichaam: hoe belangrijk het is om de basisbehoeften op orde te hebben. Als je geen eten en drinken meer hebt of niet meer wilt eten en drinken, dan ben je ver van huis.

Maar deze wonderlijke vertelling onthult ons ook, dat het afzien van eten en drinken je ook in hogere sferen kan brengen. In heel afgeleide vorm kennen wij dat ook in de periode van 40 dagen, die een vastentijd is, voorafgaand aan Pasen. Vele godsdiensten kennen overigens het ritueel van afzien, van vasten om des te geconcentreerder gericht te kunnen zijn op het eigenlijke en wezenlijke, de dienst aan God en de medemens in al zijn verbanden in de wereld.

Maar aan het einde van die 40 dagen komt er opnieuw een omslag, het dieptepunt wordt een hoogtepunt: in de volstrekte leegte – in het hart van de woestijn – daar beleeft Elia een topervaring, hier gesymboliseerd door de berg Horeb. En hier openbaart de HEER zich aan Elia. Volkomen stilte!

Even tussendoor nu een opmerking over onze wijze van lezen en begrijpen van deze en andere verhalen. Wij – of laat ik zeggen: ik – lezen/lees op een westerse, historisch-georiënteerde manier, d.w.z. als een verslag van opeenvolgende gebeurtenissen: eerst dit en toen gebeurde dat en toen dat enz. Er ontstaat dan een lijn, waarop de gebeurtenissen zich voltrekken: lineaire geschiedschrijving heet dat dan.

Maar ik wil vanmorgen voorstellen om dit verhaal cyclisch of ‘spiralisch’ te lezen: we komen niet zozeer verder, maar wel dieper. We draaien a.h.w. een boor in het verhaal: Elia beleeft a.h.w. wat gebeurd is opnieuw, maar nu komt alles in een ander licht, in een ander perspectief te staan. De enorme windvlaag en de aardbeving en het hevige vuur zijn precies die verschijnselen, die zich op de Karmel hadden voorgedaan. Toen waren dat zogenaamd evidente manifestaties van Gods presentie, maar – bij nader inzien – was dat wel zo? Hier lezen we, krijgen we te horen, als een echo van Godsspraak: maar de HEER bevond zich niet...

Elia leert anders te kijken naar wat gebeurd is en wat hij zelf gedaan heeft. Hij komt tot het inzicht, dat God er eigenlijk niets mee te maken heeft. Zijn furie en fanatisme zijn verre van goddelijk – en Elia kan wel door de grond zakken. Hij schaamt zich: o God, wat heb ik in uw Naam aangericht? Ik schaam me dood en hij windt zijn mantel om zijn gezicht: Hij durft de Eeuwige niet onder ogen te komen.

Dat ontdekt Elia door de stilte. Ja, de stilte kan veelbetekenend worden, veelzeggend zelfs. Je kunt de stilte opzoeken om zo tot jezelf te komen en te overwegen of jouw gedachten over God wel houdbaar zijn. Maar de stilte kan je ook overkomen en zuiverend en helend op je inwerken. En je kunt opnieuw je roeping verstaan, opnieuw geboren worden en weten wat je te doen staat. Je ontdekt, dat Gods bedoelingen met jouw leven en met de wereld niet met geweld doorgezet kunnen worden: het zal moeten zijn de weg van de zachte krachten, de weg van de liefde, de weg die ook Jezus ging in zachtmoedigheid en met geduld.

Dat soort inzichten kunnen ook door andere gebeurtenissen of momenten tot stand komen. Hoeft niet altijd en alleen maar de stilte te zijn. Je kunt ook op de kermis zomaar ineens een vlaag van inzicht krijgen en een diepe beleving van Gods aanwezigheid – Gods wegen zijn onuitputtelijk!

Maar het verhaal van Elia heeft mensen wel op een spoor gezet: van retraite en verstilling, van kloosterleven en verstilde liturgie, van gebed – wanneer mensen ineens beseffen, dat ze eens moeten stil staan en stil worden. De vakantietijd kan daar een mooie hulp bij zijn, behalve wanneer je die ook weer volpropt met activiteiten en je buiten adem weer thuis komt.

O, dat wij onszelf gewonnen geven – aan het bevrijdende bestaan, aan wat ons uitdaagt om te leven. Ja, dat wij de stille roep verstaan (LB 816: 1).