Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Ook plaats ik hier korte inleidingen of publicaties (in het kerkblad), een vertaalde preek van Paul Tillich en andere beschouwingen. U wordt uitgenodigd om ook daarop te reageren.

Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

maandag, 13 augustus 2018 08:42

Preek gehouden in de Protestantse Gemeente te Havelte op zondag 5 augustus 2018 n.a.v. Markus 8: 27-33

 

Wie is Jezus?

 

Vanmorgen zet Jezus zijn leerlingen stil en hij vraagt hen: wie ben ik? Wie ben ik volgens anderen, wie ben ik, volgens jullie?

Laten we proberen stap voor stap dichter bij het geheim van deze raadselachtige vraag te komen en met elkaar proberen te ontdekken, waarom het van belang is een antwoord te vinden.

De vraag wie Jezus is gonst al eeuwen de wereld door. Er zijn bibliotheken vol over geschreven. De evangelist Johannes zag die bui al hangen, toen hij aan het einde van zijn evangelie schreef: “als al de daden van Jezus één voor één opgeschreven zouden worden, zou de wereld, denk ik, te klein zijn voor de boeken, die dan geschreven moesten worden”.

Maar als Johannes eens zou kunnen zien, hoeveel boeken er over Jezus geschreven zijn, dan zou hij raar opkijken. Grote geleerden en knappe koppen kruipen de teksten door en fabriceren dikke pillen, zoals bijv. de r-k theoloog in de vorige eeuw Edward Schillebeeckx “Jezus, het verhaal van een Levende” en die andere beroemde theoloog en psycholoog uit Duitsland Eugen Drewermann, die zijn boek de eenvoudige titel “Jezus van Nazareth” meegaf. Toen ik jaren geleden dat boek bij de plaatselijke boekhandel besteld had belde het winkelmeisje mij een paar dagen later op en zei: “Mijnheer Huisman, Jezus van Nazareth is zojuist voor u binnengekomen!” Toen ik buiten adem de winkel instormde en vroeg ‘waar is hij?’, hield ze mij verwonderd aankijkend het boek omhoog. ‘Hier’, zei ze en ik liet het maar rusten, dat zij mij op het verkeerde been had gezet.

En dan heb ik in mijn boekenkast ook nog een boek, dat “Ieder zijn eigen Jezus” heet. En Paul Verhoeven heeft zich aan een boek over Jezus gewaagd en Fik Meijer schreef zijn ‘Jezus en de vijfde evangelist’ (met wie hij de Jjoodse geschiedschrijver Flavius Josephus bedoelt).

In dat korte evangeliebericht van vanmorgen horen we dat al: de antwoorden lopen uiteen. Sommigen denken dat hij Elia is of Johannes de Doper of Jeremia en Petrus komt met zijn geheel eigen antwoord: U bent de Christus.

De antwoorden blijven uiteenlopen, tot vandaag de dag toe. Sommigen zeggen: Jezus was een goed mens. Een toffe gast, die een hoop goed deed voor m.n. arme drommels. Petje af! Anderen zeggen: hij stichtte een nieuwe godsdienst, hij bewerkte een soort afsplitsing van het jodendom en zo heeft hij veel invloed in de wereld gekregen. Weer anderen zeggen, dat hij een begenadigd wonderdoener was, hij had charismatische gaven en hij kon ook geweldig preken. Er zijn er ook, die Hem Zoon van God noemen, Verlosser of Heiland der wereld en zij zien Godzelf in Hem oplichten. Terwijl een deel van de mensen Jezus liefst zo dicht mogelijk bij zich willen houden, op deze aarde, als mens onder de mensen, gaan anderen juist een andere kant op en verhogen en verheerlijken Hem tot bij God, zoals ook in de belijdenis verwoord: ‘opgevaren ten hemel en zittend aan de rechterhand van God!’

Anderen zien in hem een mislukte revolutionair, die met goed bedoelingen e.e.a. wilde veranderen, maar het liep op niets uit. Zo vatte Maarten van Rossem onlangs het leven van Jezus samen.

Hoe zit het nu precies, zo zouden we ons radeloos kunnen afvragen en we worden ongeduldig en vragen ons misschien af: zou de echte Jezus a.u.b. willen opstaan?! Dan weten we tenminste waar we aan toe zijn.

Maar, lieve gemeente, dit ongeduld en die behoefte aan het enig goede antwoord levert alleen maar brokken op en zo zouden we het Messias-geheim bederven en kapot maken. De vraag wie Jezus is moet je niet benaderen als een wiskundig probleem, waarbij er uiteindelijk één juist antwoord uitrolt. Je komt niet tot het goede antwoord door een paar bijbelteksten aan elkaar te plakken en dan te zeggen: zie je wel, het staat er toch. Zo zit het. Klaar, punt uit.

Nee, we moeten de vraag eigenlijk ietsje uitbreiden en daarmee komen we ook zelf als betrokkene in beeld. Want tot nu toe is het allemaal wat afstandelijk en objectief gebleven: wat vinden mensen de eeuwen door van Jezus en welke antwoorden zijn er gegeven? Maar nu komt de vraag dichterbij en levensgroot en levens-echt klinkt in mijn verstarde oor: wie is Jezus volgens jou? Of liever nog: wie is Jezus voor jou?

En dan ligt het voor de hand om met een schuin oog te kijken naar het antwoord, dat Petrus gaf en je ziet in een flits, dat Jezus dat een sterk en openbarend antwoord vond – dus je denkt dan: laat ik ook maar zoiets zeggen, dan zit ik wel goed. Hij is de Christus!

Dat is een veelbetekenend en veelbelovend antwoord. Wat bedoelt Petrus met die aanduiding? Wel, ik wil het vanmorgen niet te ingewikkeld maken, maar laat ik volstaan met te zeggen, dat we hier te maken hebben met een titel, een symbool, dat tot de rand gevuld is met hoop en verwachting. Letterlijk betekent het zoiets als ‘gezalfde’, de messiaanse gestalte, de figuur, die alles zal fixen en terecht brengen. In het verleden waren die hoop en verwachting geprojecteerd op koningen, priesters en profeten en in hun werk beeldden zij er iets van uit. Maar nooit volledig, nooit eens en voor goed: het was altijd fragmentarisch en voorlopig geweest.

Maar nu, zo denkt Petrus, nu wil ik deze titel, vol verwachting en toekomst, toekennen aan Jezus. Zijn doen en laten, zijn woorden en werken wijzen overduidelijk in die richting en daarom lijkt het mij terecht om Hem de Messias of de Christus te noemen.

Of daarmee alles gezegd is en of die titel of benaming ook voor ons zo veelzeggend is, dat staat wat mij betreft open. Er kunnen ook andere symbolen en titels op hem toegepast worden, die aanduiden wie hij is en wat hij betekent.

Maar de ‘christus’-titel heeft de eeuwen doorstaan en zo is men gaan spreken over Jezus Christus, als in één adem. Maar het lijkt dan wel of wij iemand bij zijn voor- en achternaam noemen. Daarom is het beter te spreken over Jezus de Christus of Jezus, die beleden wordt als de Christus, zodat helder blijft, dat het een titel of functie is, die toegekend wordt aan een persoon, namelijk Jezus van Nazareth.

De vraag is of Jezus nou zo blij was met die felicitatie van Petrus. Hij gaat namelijk op aspecten wijzen, die het beeld dat Petrus e.a. hebben van de Christus laat kantelen. Jezus zal wel de Christus genoemd worden, maar ‘in disguise’, in vermomming, als de lijdende en de gekruisigde. Zo zal hij a.h.w. het messias-schap een andere, nieuwe invulling geven.

Jezus zegt eigenlijk: prima, Petrus, dat je mij de Christus noemt, maar ik zal het zijn op mijn wijze: niet hoog te paard, maar op een ezel, niet op een troon, maar op een kruis.

Prima, dat je mij de Christus noemt, maar verbind er ook een wijze van leven aan. Kom dan ook achter Mij aan en bewandel de weg, die Ik ga, de weg van de meeste weerstand en de smalle weg van verzet en dwarsigheid, waarbij men de wenkbrauwen fronst en men zal zeggen: wat een onbegaanbare weg, wat een idealisme, wat een lastige weg. Het lijkt wel een doodlopende weg, maar zo geloven wij: het is de weg ten leven!

 

 

maandag, 30 juli 2018 09:35

Overdenking gehouden in de Oecumenische wijkgemeente ‘Het Erfdeel’ in een viering van Schrift en Tafel op zondag 29 juli 2018 n.a.v. Markus 6: 45-52

 

Angsten bedwongen

 

Er is, denk ik, geen verhaal uit het Evangelie zo bespot en geridiculiseerd als het verhaal, dat wij vanmorgen hoorden. Ik hoor Harry Mulish bij Pauw en Witteman nog vertellen, dat hij genoten had van zijn reis naar het meer van Galilea, maar dat hij niemand over het water had zien lopen daar. En Paul Verhoeven kreeg een keer de gelegenheid om te vertellen, dat hij lid was van een club van Amerikaanse bijbelgeleerden, die van tijd tot tijd bij elkaar kwamen om vast te stellen welk verhaal echt gebeurd was, historische werkelijkheid had en welke niet. D.m.v. handopsteking wordt dat vastgesteld en uiteraard kon het verhaal van vanmorgen niet rekenen op historische betrouwbaarheid. Dat kon unaniem verwezen worden naar het rijk der fabelen.

Maar zo eenduidig is het allemaal niet. Ook binnen de kerkgemeenschap bestaat er verschil van inzicht over de vraag, hoe wij zo’n evangeliebericht zouden moeten of kunnen lezen. Tegelijkertijd duikt de vraag dan op, wat wij eigenlijk onder ‘geloof’ en ‘geloven’ hebben te verstaan.

Een mooi voorbeeld daarvan vond ik bij Eugen Drewermann, die Duitse rooms-katholieke theoloog en psycholoog, die in Paderborn doceerde en veel lezingen in de wereld geeft, maar die door de kerkleiding met argusogen wordt gevolgd.

Zo vertelt hij, dat hij na een lezing door een katholieke geestelijke werd benaderd, die hem vroeg: ‘wat denkt u van de wonderen van Jezus?’ Hij antwoordde: ‘ik geloof in de wonderen van Jezus. De wereld is er toch vol van?’ ‘Dat bedoel ik niet’, antwoordde de geestelijke, ‘gelooft u bijvoorbeeld, dat Jezus over het water liep?’ Drewermann zei daarop: ‘Heel beslist geloof ik, dat Jezus over het water liep’. ‘Nee’, wierp hij tegen, ‘bij u ben ik daar niet zo zeker van, want bedoelt u dat symbolisch of werkelijk?’ Toen antwoordde Drewermann: ‘ik geloof dat de symbolische werkelijkheid de enige echte werkelijkheid is’. ‘O, ik hoor het al’, zei de geestelijke, ‘u gelooft dus niet echt’.

Dit korte gesprek brengt glashelder aan het licht, dat deze twee mensen niet alleen het verhaal over Jezus’ gaan over het water verschillend interpreteren, maar ook dat beiden iets anders verstaan onder ‘geloven’. Voor de geestelijke is geloven iets voor waar gebeurd aannemen, ook al lijkt het onwaarschijnlijk. Misschien hebt u vorige week de eerste aflevering van ‘Kijken in de ziel’ gezien, waarin het op het laatst ging over de verandering van de hostie in het lichaam van Christus. Natuurlijk was dat vreemd en onnavolgbaar, zo hield de katholieke zuster vol, maar dat is nu precies ‘geloven’, hè?, zei zij stralend.

Maar voor Drewermann is geloven iets anders. Bij hem gaat het om de ervaring van de betekenis van zo’n verhaal in je eigen leven. Het is een symbolisch, existentieel verhaal, waarin je zelf voorkomt! En het water staat voor de chaos- en de doodsmachten, die Jezus overwint, a.h.w. onder de voet loopt of onder de knie heeft en in vertrouwen op Hem kunnen ook wij die machten de baas.

De ‘Ik ben’ komt op ons toe, misschien allereerst als een spookgestalte, een ‘phantasma’, iets wat ons bang maakt en angst aanjaagt, maar ook als een verschijning, die ons uiteindelijk bij de hand neemt en gerust stelt.

Misschien komt er een moment in ons leven, dat wij ons geloof en het verhaal over God gaan zien als een hersenschim, zelf bedacht en geconstrueerd. Maar als die schim zich voordoet als de ‘Ik ben’, onontkoombaar en overtuigend, dan kunnen we niet anders dan ons gewonnen geven aan de Hand, die ons rust geeft en brood geeft voor onderweg.

Drewermann vat het zo samen: “Te midden van de stormen van het leven, gedreven door stromingen en golven van allerlei slag, bevend van de koortsdromen van de angst, vaak tot aan ziek of krankzinnig wordens toe, is het toch voldoende om, al was het maar een tipje van het leven van Jezus vast te grijpen: ‘begrijpen’ wij ook maar een klein beetje wat hij geweest is toen hij voor de ogen van zijn leerlingen over de wateren van de dood liep, dan zal dat ons leven omsluiten met een mantel van geborgenheid en vertrouwen, zodat wij worden genezen en ons wèl voelen”.

Nu begrijpen we ook wel beter, waarom Jezus of Markus een verband aanbrengt tussen het verstaan van het broodwonder en het gaan over de afgrond. Beide verhalen gaan in wezen over hetzelfde, dat wij leven uit en door zijn Hand.

zondag, 22 juli 2018 15:43

Preek gehouden op de 5e zondag van de zomer 22 juli 2018 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Jeremia 23: 1-6 en Markus 6: 30-34

 

Er hangt in de kerk een expositie van textiele kunstwerken, vervaardigd door Dieuwke Frijda-Zijlstra o.d.t. “Onder de loep”

 

De van Alfa tot Omega leerroute

 

Ik ben benieuwd met wat voor verhalen de leerlingen bij Jezus terugkwamen. Zij waren immers een tijdje op weg geweest – twee aan twee – om zieken te zalven en demonen te verjagen en zo het goede nieuws van het naderende Koninkrijk Gods te verkondigen en uit te beelden. Zij hadden de daad bij het Woord gevoegd.

En nu komen ze terug en doen verslag van hun ervaringen. Misschien waren ze teleurgesteld over het feit, dat zij zo weinig respons kregen en dat ze zo vaak met hun sandalen hadden moeten wapperen. Of misschien waren ze wel trots op zichzelf, dat ze het toch maar gefikst hadden om het demonische in de samenleving en in de persoonlijke levenssfeer op het spoor te kunnen komen en ongedaan te maken, althans voor de langere of kortere duur het leven van de mensen weer glans en fleur te geven.

Ik denk, dat ze een uitgeputte en vermoeide indruk maakten. Ze waren opgebrand, hun energie was op – moe van het goed doen; een burn-out na zoveel ontmoetingen en confrontaties, want gemakkelijk was het nooit geweest. En nu komen ze weer bij Jezus en geven hem a.h.w. de opdracht weer terug. Vanaf nu staat hij zelf weer in het middelpunt.

De reactie van Jezus op hun werkverslag is ontroerend en sympathiek. Hij legt niet de vinger op hun falen en hun povere resultaten, hij analyseert niet de plussen en de minnen en hij komt niet met een lijst van aanbevelingen om het in het vervolg anders en beter te doen. Nee, wat hij zegt is: rusten jullie nu maar eens even een tijdje uit!

In het Grieks wordt er een woord gebruikt, waarin wij ons woord ‘pauze’ herkennen. Neem een adempauze, kom eens helemaal tot jezelf en neem de tijd om alles even los te laten.

Dat is voor ons allemaal wel belangrijk, denk ik. Dat we van tijd tot tijd een pauze inlassen en wat geweest en gedaan is laten rusten en wat komt en gedaan moet worden nog even uitstellen. Het is een pas op de plaats. Een goed moment om tot bezinning en tot rust te komen.

Dat dit fragment juist aan het begin van de vakantieperiode aan de orde komt is wel veelzeggend. Jezus gunt ons allemaal een pauze. We draven vaak maar door en daarmee beschadigen wij niet alleen onszelf, maar ook anderen. Je moet ook eens van ophouden weten. Stop! Neem even afstand en kom tot jezelf. Dat is goed voor jezelf en voor iedereen!

Maar Jezus zelf gaat altijd maar door en lijkt onvermoeibaar. Toch lezen we ook van Hem, dat hij van tijd tot tijd een stille tijd in acht neemt. ‘Hij bad op eenen berg alleen’ en ook zocht hij soms de eenzame plaatsen op om in gesprek te gaan met zijn Vader.

Ook vandaag is dat zo. Ook als wij hier bij elkaar zijn kunnen we dat zien als zo’n moment van bezinning en inkeer. Om van daaruit weer de week in te gaan, toegerust en uitgerust om de uitdagingen en problemen aan te kunnen. Niet dat je dan ineens alles als een soort tovenaar naar je hand kunt zetten, maar je leert gaandeweg je leven in een ander perspectief te plaatsen, in een groter verband. Dat je uiteindelijk leert en erkent, dat niets en niemand je kan scheiden van de liefde van Christus, wat er ook gebeurt. Dat klinkt als overmoedige grootspraak, maar het is (eerder) een stil weten, een onzichtbare bodem onder je voeten, die je draagt.

En dan beschrijft Markus levendig, hoe de mensen in drommen op Jezus afkomen. Zij gaan hem achterna en zij staan hem op te wachten. En zo is dat altijd gebleven. Wij proberen Hem te volgen en wij verwachten zijn komst en zo bevinden wij ons altijd tussen de tijden en is Hij present, wanneer wij gehoorzaam zijn aan zijn woord: ‘doe dit tot zijn gedachtenis, totdat Hij komt’.

En als Jezus ons dan ziet dan ziet Hij ons met ontferming bewogen – hij is begaan met hen. Hij voelt sympathie en hij toont empathie. Het doet hem wat, hij blijft er niet afstandelijk en onbewogen naar kijken, naar al die mensen, maar het raakt hem.

Want hij ziet, hoe zij er aan toe zijn en Markus citeert daartoe de Schrift: zij zijn als schapen zonder herder. Dat herinnert aan de overdracht van de leiding van Mozes aan Jozua – en misschien wordt dit woord ook juist hier geciteerd, omdat er een overgang is van de periode Johannes de Doper naar de periode van Jezus. In het voorafgaande wordt verteld, hoe Johannes op een brute wijze aan zijn einde is gekomen en nu lopen de mensen daar, maar wie zal hun de weg wijzen? Zij wonen overal, nergens thuis…

Hoezo schapen zonder herder? Zij hebben hun ouders toch, hun geestelijke leiders, hun politieke leiders, hun bazen en gidsen? Zij hebben hun grote voorbeelden en sporthelden toch? Zij hebben hun filosofen en guru’s in alle soort en maten toch, hun ideologieën en religies? Ja, dat hebben ze zeker en misschien wel zo dwingend en overheersend, dat Jezus zou willen, dat ze daarvan los kwamen. Want uiteindelijk komen ze er niet verder mee, raken ze hopeloos de weg kwijt en dwalen zij stuurloos en doelloos rond.

Zal Hij zich als goede Herder presenteren? Hij is zeker zo de geschiedenis in gegaan en vanaf de vroege kerk heeft men hem gezien en afgebeeld als een herder, die het verloren schaap zoekt en vindt, die de afgedwaalde kudde terecht brengt en die zijn leven inzet voor zijn schapen.

Maar wat vanmorgen vooral opvalt is, dat Hij als herder hen begint te onderwijzen. “En hij begon hen te leren, veel, heel veel” (liever dan ‘langdurig’). Laten we dat eens heel even onder de loep nemen. Zoals je ook de kunstwerken in de kerk vluchtig voorbij kunt lopen, maar dan zie je niks. Je moet er aandachtig en van dichtbij naar kijken, dan zie je het pas. Wij maken vaak onderscheid tussen ‘herderen’ en ‘leren’. Wij zeggen van een dominee, dat hij een herder of een leraar is en soms is hij in het ene beter dan in het andere. Maar Jezus laat zien, dat dat bij elkaar hoort. Als herder onderwijst hij hen. Hij wijst begaanbare wegen, hij vertrouwt hun toe, wat ze moeten doen en laten om het leven aan te kunnen en te ervaren wat het betekent, dat het Koninkrijk Gods nabij gekomen is. In zijn leerschool blijf je altijd leerling en krijg je nooit een diploma of zoiets, want dit gaat om een levenslang leerproces. Willen wij Jezus als onze herder volgen dan zullen wij altijd bij Hem in de leer (moeten) blijven. Je zou het de van Alpha tot Omega-leerroute kunnen noemen.