Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Ook plaats ik hier korte inleidingen of publicaties (in het kerkblad), een vertaalde preek van Paul Tillich en andere beschouwingen. U wordt uitgenodigd om ook daarop te reageren.

Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

zondag, 12 mei 2019 09:56

Preek gehouden in de Oude Kerk op de 4e zondag van Pasen (Zondag van de Goede Herder) n.a.v. Numeri 27 (slot) en Johannes 10: 14-17; 22-30.

 

Wie hoort (bij) de Herder?

 

Dat er op een van de zondagen na (of: van) Pasen aandacht is voor Jezus als de Goede Herder is niet zo vreemd eigenlijk. Het Paasfeest is oorspronkelijk het feest van bevrijding, van uittocht vanuit de duisternis naar het licht, van de overwinning van de dood – en dat zijn precies ook de verhalen, die bij de Goede Herder horen.

Het prototype of het voorbeeld, waarnaar de Goede Herder gemodelleerd is is natuurlijk Psalm 23. Als je wilt weten Wie de Goede Herder is en wat Hij allemaal doet dan ga je daar te rade. En wat dan midden in die psalm aan de orde is is dat er sprake is van het dal van diepe duisternis en van de schaduw van de dood – en dat de Herder zijn schapen daar doorheen leidt en ook zelf die weg gaat – Hij is daar en Hij brengt ons terecht. Hier ontdekken we ineens, dat de Herder de weg van de schapen gaat en a.h.w. zelf een schaap of een lam is geworden om te weten wat het is de weg te bewandelen van de diepste duisternis en de schaduw van de dood. Dat is het verhaal en het geheim van Pasen.

De Heer is mijn Herder, zegt de dichter van Psalm 23. Het is een woord over leven, hoop en toekomst, dat nog lang niet gedoofd en uitgestorven is. Want hoe vaak lezen wij het niet boven een rouwbrief of op een grafsteen. Het is een laatste houvast: de Heer is mijn Herder, mij zal niets ontbreken…of liever: dat zal mij niet ontbreken. Nu kan ik de overtocht beginnen: in het land van de schaduw van de dood zal Hij erbij zijn, met zijn stok en zijn staf en Hij zal mij geleiden en samen zullen we op de plaats komen van onze bestemming.

De Heer is mijn Herder. ‘Ik ben de goede Herder’, zegt Jezus in het Johannesevangelie vanmorgen. Niet om te weerspreken, dat de Here God als Herder wordt beleden en erkend. Nee, Jezus wil het beeld van God als Herder inkleuren en misschien ook wel wat bijstellen. Jezus wil God vertegenwoordigen bij de mensen, Hem a.h.w. uitbeelden in zijn doen en laten en ons laten weten: zo is God! Zoals ik doe, zoals Ik ben. Ik ben de Goede Herder, zoals God de Herder is geweest en altijd zal zijn. Wil je een plaatje hebben bij Psalm 23, wel, kijk dan naar Mij, zegt Jezus. Zo is God!

Natuurlijk leverde dat nogal wat gekrakeel op. De hoeders van de theologische traditie en de mannen van de orthodoxie waren meteen op hun hoede en zeiden: Ho, ho…dat is nogal overmoedig en klinkt ons als blasfemie in de oren. Dat kun je zo maar niet zeggen: Ik ben de Goede Herder. Dat zeggen wij van God en nu zeg jij het van jezelf!

Wat een akelige discussie wordt dat. En dan is het nog winter ook. Koud en kil en ik zie ze daar al kuierend in de zuilengalerij van de tempel tegen elkaar opbieden met argumenten uit de Schrift en de traditie. Het wordt een welles-nietes spel van de bovenste plank. Zoiets is in de geschiedenis van de kerk natuurlijk ook herhaaldelijk gebeurd. Iemand zegt iets, wat op het eerste gehoor vreemd en ketters klinkt – en hup, iedereen wordt opgetrommeld en in een plechtige vergadering worden de puntjes op de oude I gezet en de zogenaamde nieuwlichterij wordt buiten de deur gezet.

Zo is het protestantisme zelf ook ontstaan, als een conflict over een interpretatie van de Schrift. En buiten de deur ontwikkelde het zich tot calvinistische, lutherse en anglicaanse kerken en nog weer later kwamen er weer andere verschillen van inzicht en dan krijg je hier in ons land op een gegeven moment de Dordtse Synode, die een groep andersdenkenden, de remonstranten, buiten de deur zet, nu precies 400 jaar geleden. En de Dordtse Leerregels of de 5 artikelen tegen de remonstranten werden opgesteld en er werd alles op alles gezet om te onderstrepen, dat Gods genade aan alles vooraf gaat, ook aan ons geloof. Helaas kon het ook weer zo uitgelegd worden alsof God een soort willekeurige tiran was, die sommigen tot geloof bestemde en anderen niet. Daar konden de remonstranten niet mee leven en niet in geloven. En gelukkig zijn er vorige week voor het eerst na al die eeuwen weer eens gesprekken geweest en is er spijt betuigd over die harde woorden van toen.

Als de ene groep zegt: ‘God bepaalt van tevoren of iemand gaat geloven of niet’ en de andere groep zegt: ‘Geloof begint bij jezelf’ dan wordt het tijd om elkaar eens recht in de ogen te kijken en te bevragen op wat men ten diepste wil zeggen.

Ik denk zelf, dat wij uiteindelijk met een mysterie of geheim te maken hebben en dat het weinig zin heeft om te willen weten, waar je geloof uiteindelijk vandaan komt. Het is iets van jezelf, het is heel persoonlijk en met jouw leven verbonden, maar het stijgt er ook bovenuit. Ik heb het niet zelf bedacht of uitgevonden, nee, het was ook een kennismaken met, een vertrouwd worden met wat mij is aangereikt en een daar door gegrepen zijn. Het laat me niet los en ik laat het niet los. Zoiets klinkt ook mee in wat Jezus zegt: de schapen, die Mij kennen, die horen mijn stem – en als een soort andere kant van de medaille zegt hij: ja, het zijn de schapen, die mijn stem horen – als je geen schaap bent en geen deel uitmaakt van de kudde, dan hoor je mijn stem ook niet en volg je mij niet. Dan kun je Mij niet volgen, snap je?

Het is een soort ‘boeren-logica’, die niet tot in allerlei uiterste consequenties moet worden uitgedacht en die je niet tot een soort theo-logica moet verheffen, want ‘Jede Konsequenz führt zum Teufel’ heeft een wijs man eens gezegd en dan krijg je van die onmenselijke en bitse formuleringen, die mensen uitsluiten en bang maken.

Jezus wil die tour helemaal niet op, denk ik. Hij geeft alleen maar aan, dat er goede verstaanders van zijn woorden zijn en slechte verstaanders. En wie het niet verstaat heeft er ook inderdaad helemaal niks van begrepen. Outsiders snappen het niet, zo simpel is het. Maar iedere outsider kan een insider worden door zich open te stellen voor wat Hij zegt, door hem te volgen en zodra je hem volgt en kunt volgen maak je deel uit van zijn kudde.

Het heeft dus helemaal niets met uitverkiezing of predestinatie te maken: dat soort begrippen geven alleen maar aan, dat je op hol geslagen bent en dat je van God een wrede en onberekenbare dobbelsteen hebt gemaakt.

Ik ben de Goede Herder, zegt Jezus. Aan Hem kun je aflezen wat het betekent een goede herder te zijn. Hij heeft oog voor zijn kudde: zij kennen elkaar en vertrouwen elkaar. Ze luisteren naar elkaar en zoeken naar een begaanbare weg, ook al gaat die soms langs donkere dalen en duistere plekken. Ze laten elkaar niet los en ook al zien ze geen hand voor ogen, ze horen het tikken van de stok en het prikken van de staf.

Het beeld van de goede herder is wat wollig en stoffig geworden en het wordt wel tijd voor een ‘re-shaping’, denk ik. Dat we een herder voor ons zien met lef en liefde, stoer en mild, zonder geitenwollen sokken, maar vastberaden en stevig in de schoenen richting toekomst, wat die ook brengen moge. Maar Hij zal niet ontbreken. Hij zal ons leiden, gidsen en corrigeren, als wij verkeerde wegen dreigen te gaan. Dat is geen tocht van triomf en succes, maar één van lijden en zelfovergave, zoals Hij heeft voorgedaan.

Ik ben de Goede Herder. Als wij zijn stem horen zijn we bij Hem in de buurt en zullen en kunnen wij Hem volgen. Als ik zijn stem niet meer hoor ben ik ver heen, ja dan ben je eigenlijk nergens. Maar zelfs daar zal de Herder mij zoeken en vinden.

zondag, 05 mei 2019 13:46

Inleiding gehouden op de lezing en de Cantate “Bleib bei uns, denn es will Abend werden” (BWV 6) n.a.v. Lukas 24: 28-35 op de 3e zondag van Pasen (Misericordia Domini – de barmhartigheid van de Heer) 5 mei 2019 in de Grote of Mariakerk.

 

Bleib bei uns

 

Je zou eigenlijk verwachten, dat Bach op die 2e Paasdag in 1725 nog eens wat extra registers op zijn orgel zou opentrekken en dat hij ‘die schmetternde Töne der muntre Trompete’ door de kerk in Leipzig zou laten schallen: de 2e paasdagviering als een soort kers of toef slagroom op de feesttaart van Pasen. Maar niets van dat al. Integendeel zelfs, want de cantate die hij voor die 2e paasdag schrijft en die wij vanmorgen in deze kerk beluisteren, heeft een heel ander karakter: eerder ingetogen dan uitbundig, eerder beschouwend en tot zichzelf inkerend dan luidruchtig verkondigend en vreugdevol juichend.

Het vertrekpunt is het bekende verhaal van de Emmaüsgangers, die twee leerlingen, die moedeloos en teleurgesteld Jeruzalem achter zich lieten en met elkaar bespraken wat daar allemaal had plaatsgevonden tot aan de dood van Jezus, hun vriend en geestelijk leider – dat zich onderweg een derde persoon bij hen voegde, die hen aanhoorde en ondervroeg, maar ook vertelde hoe zij e.e.a. ook anders konden zien in het licht van de Schriften.

En als zij dan al pratend op hun eindbestemming zijn aangekomen en het al donker begint te worden zeggen zij tegen hun vreemde reisgenoot: ‘Bleib bei uns!’

En dat wordt precies het thema van deze cantate. Maar deze vraag wordt uitgetild boven het verhaal en krijgt de inhoud en lading van een gebed, dat veel verder en wijder strekt dan in het evangelieverhaal zelf. Als je de teksten van de cantate goed beluistert verneem je fragmenten en flarden van het zgn. Luthers avondgebed. Voor Bach en zijn tijdgenoten was dat natuurlijk ook een zeer bekende tekst (ook al is die in de huidige vorm niet helemaal van Luther zelf, maar de hoofdlijnen komen wel bij hem vandaan). Een zeer bekende tekst, waarin gebeden wordt om Gods lichtende nabijheid, nu de avond valt.

En dat licht komt vooral vanuit de Heilige Schrift en zo zullen Woord en Sacrament onze lichtende gidsen zijn in deze donkere tijden.

De avond strekt zich verder uit dan de paar uren donkerte en duisternis tussen twee dagen in. Bach ziet de nacht in deze cantate als een metafoor van ongerechtigheid en verlorenheid. Als God zijn Woord zou weghalen bij ons dan zouden wij overgeleverd zijn aan de duisternis en het kwaad.

Het is beslist geen overbodige of gedateerde bede – de geschiedenis heeft meerdere keren, telkens weer, laten zien, dat een land of een volk kan wegzakken in barbarij en tirannie, wanneer de ‘muntre Töne’ van het Woord van God niet meer klinken en de kerk begint mee te huilen met de wolven in het bos en niet meer alert is op de geest van de tijd, die de humaniteit kan bedreigen en de medemenselijkheid in gevaar kan brengen.

Laat a.u.b. de kandelaar van uw Woord fier overeind blijven staan en breng ons telkens weer tot inkeer om het licht van Jezus, de opgestane Heer, te volgen en ook zelf als een licht in de wereld te leven.

Zo heeft Bach die simpele vraag van ‘Blijf bij ons’ vertaald naar de context van zijn tijd en daaroverheen spreekt deze cantate ook ons aan en proberen wij deze bede te begrijpen en te actualiseren voor onze tijd.

Maar voordat wij de cantate gaan beluisteren horen wij nu eerst het laatste gedeelte van de evangelielezing, waarop deze cantate gebaseerd is.

 

Cantate BWV 6: Bleib bei uns, denn es will Abend werden

 

Koor

Bleib bei uns, denn es will Abend werden,

und der Tag hat sich geneiget.

 

Blijf bij ons, want het is al bijna avond geworden

en de dag heeft zich te rusten gelegd.

Aria [alt]

Hochgelobter Gottessohn,

laß es dir nicht sein entgegen,

dass wir itzt vor deinem Thron

eine Bitte niederlegen:

Bleib, ach bleibe unser Licht,

weil die Finsternis einbricht.

 

Hooggeprezen Zoon van God,

laat het u niet onwelgevallig zijn,

dat wij nu voor uw troon

een bede neerleggen:

Blijf, ach, blijf ons licht,

nu de duisternis valt.

 

Koraal [sopranen]

Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ,

weil es nun Abend worden ist,

Dein göttlich Wort, das helle Licht,

laß ja bei uns auslöschen nicht.

 

 

Blijf toch bij ons, Heer Jezus Christus,

omdat het nu avond geworden is,

uw goddelijk Woord, dat helle licht,

laat dat bij ons niet uitdoven.

 

In dieser letzt'n betrübten Zeit

verleih uns, Herr, Beständigkeit,

dass wir dein Wort und Sakrament

rein b'halten bis an unser End.

 

 

Verleen ons, Heer, standvastigheid

in deze laatste, droeve tijd;

dat wij uw Woord en Sacrament

zuiver houden tot aan ons eind.

Recitatief [bas]

Es hat die Dunkelheit

an vielen Orten überhand genommen.

Woher ist aber dieses kommen?

Bloß daher, weil sowohl die Kleinen als die Großen

nicht in Gerechtigkeit

vor dir, o Gott, gewandelt

und wider ihre Christenpflicht gehandelt.

Drum hast du auch den Leuchter umgestoßen.

 

De duisternis heeft op

vele plaatsen de overhand genomen.

Vanwaar is ze toch gekomen?

Enkel omdat zowel de kleinen als de groten

niet in gerechtigheid

voor u, o God, gewandeld hebben

en tegen hun christenplicht gehandeld.

Daarom hebt u ook hun kandelaar omgestoten.

 

Aria [tenor]

Jesu, lass uns auf dich sehen,

dass wir nicht

auf den Sündenwegen gehen.

Laß das Licht

Deines Worts uns heller scheinen

und dich jederzeit treu meinen.

 

Jezus, laat ons op u zien,

opdat wij niet

op zondige wegen gaan.

Laat het licht van uw Woord

helderder voor ons schijnen

en u altijd zuiver weergeven.

 

Koraal [koor]

Beweis dein Macht, Herr Jesu Christ,

der du Herr aller Herren bist;

beschirm dein arme Christenheit,

dass sie dich lob in Ewigkeit.

 

Bewijs uw macht, Heer Jezus Christus,

u die de Heer van alle heren bent;

bescherm uw arme christenheid,

dat zij u looft in eeuwigheid.

 

dinsdag, 30 april 2019 18:03

Preek gehouden op de 2e zondag van Pasen 28 april 2019 (Beloken Pasen of Quasimodo geniti – Als pasgeboren kinderen) in de St. Catharinakerk van de Protestantse Gemeente te Heusden n.a.v. Johannes 20: 24-31

 

Thomas ongelovig?

 

Ongelovige Thomassen kom ik in allerlei vormen en maten regelmatig tegen. De eerste, die ik elke dag zie, staat in mijn voortuin. Een klein beukenhaagje, dat zijn blad van de herfst nog vasthoudt, hoewel het al lente is en de nieuwe groene blaadjes zich al zichtbaar ontwikkelen. Deze beukenhaag gelooft niet, dat het lente is geworden. Hij denkt, dat het nog steeds herfst is. Hij houdt vast aan wat hij heeft en durft zich niet gewonnen te geven aan de nieuwe toekomst. Hij zit vol ongeloof, maar de lente zal uiteindelijk de doorslag geven en de herfstblaadjes zullen wegdwarrelen op de lentebries. Zo’n beukenhaag heet niet voor niets een ‘ongelovige Thomas’…

Dan kom je heel veel ongelovige Thomassen tegen in de politiek en in de wereld van de economie en de financiën, in de wereld van de energie en de duurzaamheid. Veel mensen geloven, dat het niet zo’n vaart zal lopen met de klimaatverandering of dat de wereldvrede bedreigd wordt. Zij wantrouwen de studies en de rapporten en halen hun schouders op. Na ons de zondvloed, denken ze dan en ze gaan over tot de orde van de dag en zetten hun leventje voort, zoals ze altijd deden.

Dat we op de drempel staan van een periode van enorme transities op de terreinen van economie, voedsel, transport, geldverkeer – dat geloven veel mensen niet. Zij denken, dat alles blijft, zoals het is, maar ik hoorde iemand onlangs zeggen, dat de veranderingen, die in de komende 20 jaar zullen voorkomen groter en ingrijpender zullen zijn dan die van de laatste 300 jaar bij elkaar. Thomassen geloven dat niet…

In de wereld van de kerk en het geloof komen ook heel veel Thomassen voor. Een jaar of 20 geleden werden zelfs aparte diensten voor en met hen georganiseerd, de zgn. Thomas Celebrations (of: - vieringen), die bedoeld waren om mensen, die het allemaal niet zo zeker meer wisten of wat waren afgedwaald van de kerk en haar rituelen een warm welkom te heten. Iedereen kon aanschuiven en als je je twijfels had dan kon je die gewoon uiten.

Dan liep ik jaren geleden elke dag een rondje met Thomas; zo heette onze hond. Hij kon eigenlijk niet anders dan een ‘ongelovige Thomas’ zijn, want al het menselijke was hem vreemd. Toch wist hij op den duur, wanneer het zondag was, want dan liet ik hem op een later tijdstip uit en wachtte hij geduldig tot zijn baasje zijn dienst had gedaan. Maar dit zondagsbesef had geen religieuze achtergrond, zodat ik hem, ondanks dat, toch een ‘ongelovige Thomas’ kon blijven noemen zonder dat hij zich daar overigens door beledigd voelde.

Zijn er nog meer ‘ongelovige Thomassen’? Nou, de man over wie het vanmorgen in het evangelie gaat, is toch in zekere zin een oude bekende, nietwaar? Het is iemand, die zekerheid wil hebben, die zich niet laat afschepen door mooie praatjes. ‘Hard evidence’, daar gaat het om. Je kunt toch niet alles zomaar voor zoete koek aannemen?

Ik wil ‘hard bewijs’, ik wil zeker weten, ik wil mijn vinger er achter krijgen, hoe het nu precies zit met die Jezus en zijn opstanding. Ik wil het kunnen verifiëren, zodat het helder en duidelijk is voor mij. Ik wil niet afgaan op loze praatjes en doorgegeven berichten.

Het is opvallend, dat Thomas zo vaak het woordje ‘ik’ gebruikt. Hij presenteert zich als de autonome, ‘self-centered’ mens, die zich buiten de kring van de leerlingen van Jezus heeft begeven – hij was er niet bij, die eerste keer: hij had zijn tijd verslapen of hij had er toch sowieso geen fiducie meer in – en nu, nu hij hun verhalen hoort, nu komt hij met zijn voorwaarden. OK, ik wil eventueel best geloven, maar alleen als ik Hem kan aanraken en voelen.

‘Ik’…ik bepaal, hoe en wanneer ik zal gaan geloven. Als aan al mijn voorwaarden is voldaan dan zal ik zeker ook gaan geloven.

Ik herken dat wel. Bij anderen, bij mijzelf. Hoe vaak hoor ik mensen niet zeggen, dat ze best zouden willen geloven, als God maar meer van zich liet horen of als de wereld niet zo’n puinhoop was of als wetenschappelijk was bewezen, dat de Bijbel historisch van a tot z klopt of als ik een stem in mijn hart hoorde, die zei, dat ik een kind van God ben of als ik plotseling van mijn ziekte zou genezen zijn of als ik zeker wist dat God bestond….ja, dan….

Thomas is niet een vreemde, verre figuur, maar hij zit in ieder van ons. Het aardige is, dat hij Thomas Didimus genoemd wordt. Dat kan ‘de twijfelaar’ betekenen, maar ook ‘tweeling’. Voortdurend op twee gedachten hinken. Zowel in ‘tweeling’ als in het woord ‘twijfel’ zit het woord ‘twee’ verstopt. Steeds maar afwegen, het ene of het andere, wat is waar, wat is niet waar, wat is zeker en wat niet?

Geloof is altijd vermengd met twijfel. Als je eerst wilt zien en dan geloven dan is het geen geloven meer, maar ‘aanschouwen’. De Hebreeënbrief-schrijver probeerde ‘geloof’ ook al onder woorden te brengen en hij schreef zoiets als, dat het geloof het bewijs is van de dingen die men niet ziet. In ‘geloven’ zit altijd iets van een ‘waagstuk’, een overgave, een ergens door gegrepen zijn en er niet van kunnen loskomen, op hoop van zegen. “Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp”.

Thomas is mijn tweelingbroer. Hij lijkt sprekend op mij en ik op hem: twee druppels water.

Na acht dagen gaat geloof over in aanschouwen. Dan verschijnt de Heer aan Thomas en mag hij voelen en wordt zijn tasten een zeker weten. Ja, Hij is het, mijn Heer en mijn God!

De acht staat voor de eeuwigheid. Het is 7 + 1, d.w.z. de aardse tijd overtroffen.

In de wiskunde is ook niet voor niets de liggende 8 het symbool voor ‘oneindigheid’. De twijfel en de onzekerheid voorbij, geloven dat is overgegaan in aanschouwen.

Geloven is zien wat je nog niet ziet. Het is uitgaan van wat nog moet komen. Het is je laten meeslepen door de lijdende en opgestane Heer, die zelfs in zijn verheerlijkte gedaante zijn wonden met zich meedraagt. Alles gaat voorbij, maar niets gaat verloren.

Er is onlangs een mooi boek verschenen van de Tsjechische priester Tomas Halik, dat als titel heeft “Raak de wonden aan”. Het gaat over de wonden van Jezus, die hij opliep in het aardse bestaan en die hij meenam in zijn verheerlijkte bestaan. Alles draagt de tekenen van het lijden van Jezus, zegt Halik en wij zullen de wonden moeten aanraken om God werkelijk te kunnen ontmoeten. Wij denken bij God aan het volmaakte en het harmonieuze en het perfecte, maar Thomas ontdekte God in de wonden van de verheerlijkte Christus. Hij komt dan tot de meest uitgesproken belijdenis, wanneer hij zegt: mijn Heer en mijn God…of beter: mijn Heer, ja, mijn God! Om God te ontmoeten moet je niet wegvluchten van de wonden van deze wereld, maar er a.h.w. diep op in gaan. Je moet ze a.h.w. met de handen tasten, je vinger er achter krijgen en in de gewonde en gehavende medemens de presentie van de Christus zien en ervaren. Wat je aan een van mijn minste broeders of zusters hebt gedaan heb je aan Mij gedaan, zal de Mensenzoon zeggen.

Of Thomas daadwerkelijk zo handtastelijk is geworden is voor mij nog een vraag. De schilder Hendrik ter Bruggen uit de 17e eeuw dacht van wel. Het lijkt wel op de werkwijze in een laboratorium, pen en papier erbij en de bril er bij op: goed kijken en voelen, handen en vingers in de aanslag, want je vergist je zo maar.

Ik denk eerder, dat Thomas zo overweldigd was door de verschijning van de Heer en zo verrast was door de uitnodiging van de Opgestane Heer om zijn proefondervindelijk bewijs uit te voeren, dat het daar helemaal niet meer van kwam. Hij was zo gegrepen door zijn onverwachte verschijning, zo overrompeld door de goedheid en welwillendheid van de Heer, die zei: toe maar, tast maar toe…dat Thomas zich meteen gewonnen gaf en zei: mijn Heer, mijn God!

Nu heb ik God gezien. God is niet ver weg, hoog in de hemel en onaantastbaar en ongenaakbaar: maar hier is Hij, zo nabij, zo kwetsbaar, zo menselijk, hier in dit naakte en doodse bestaan is Hij en doet Hij zich kennen als de verwonde Levende.

De ongelovige Thomas is een buitengewoon gelovige Thomas: Didymus heet hij, tweeling of twijfelaar. Zo verbeeldt hij precies ons eigen geloof en ongeloof, het is een voortdurend heen en weer gaan. Soms wil je meer bewijs en denk je, dat je overtuigd moet worden door zgn. ‘harde bewijzen’, maar dan weer laat je je overtuigen door zijn aanspraak en is het voldoende, wanneer je je naam hoort roepen: “Thomas!, kom maar dichterbij. Wees niet zo ongelovig en hink niet altijd op twee gedachten, Ik ben het!” En Hij biedt zichzelf aan aan ons– zoals wanneer Hij ons de tekenen van brood en wijn aanreikt en zegt: dit is mijn lichaam , gebroken, verwond en overgegeven voor u!

En – tenslotte - “wees zelf Mijn lichaam in deze wereld! En kijk niet vreemd op, wanneer je wonden en verminkingen oploopt. Wantrouw een perfecte, zuivere kerk; want de ware kerk herken je vooral aan mijn wonden”.