Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Ook plaats ik hier korte inleidingen of publicaties (in het kerkblad), een vertaalde preek van Paul Tillich en andere beschouwingen. U wordt uitgenodigd om ook daarop te reageren.

Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

donderdag, 30 mei 2019 08:41

Himmelhoch jauchzend

Overdenking op de 40e dag van Pasen (Hemelvaartsdag) 30 mei 2019 in de Grote of Mariakerk n.a.v. Lukas 24: 44-53 en Filippenzen 2: 5-11

 

Himmelhoch jauchzend

 

De hemelvaart zouden we het kroningsfeest van Christus kunnen noemen. Of de voltooiing van het Paasfeest. Toch wordt dit feest maar mondjesmaat gevierd en het is meestal maar een klein deel van de kudde die dan samenkomt om dit feest te vieren.

We hebben drie verschillende lezingen beluisterd over de hemelvaart: een liturgische hymne uit de Filippenzenbrief, het evangeliebericht van Lukas en twee vragen uit de Heid. Catechismus. Alle drie hebben een andere klankkleur en alle drie proberen iets van de betekenis van Hemelvaart te onthullen.

In de eerste en oudste lezing, die liturgische hymne, zoals ik die noemde, daarin wordt bezongen, hoe de Christusfiguur bij God vandaan is neergedaald naar de aarde, naar de mensenwereld, en daaraan heeft deelgenomen en in alles aan de mensen gelijk geworden is, hoewel Hij God was, en zichzelf heeft overgegeven, ja tot in de diepste vernedering is neergedaald. Deze hymne is een voorbeeld van de zgn. kenosis-theologie, d.w.z. dat God zichzelf a.h.w. heeft ontledigd, klein gemaakt om zo dicht mogelijk bij de mensen te zijn: onopvallend haast, onopgemerkt was Hij ons nabij in de persoon van Jezus de Christus.

Maar daarna wordt verteld van een beweging opwaarts: deze vernederde en verachte mens heeft God uitermate verhoogd en Hem de Naam boven alle namen gegeven, d.i. de Naam van God zelf. Hij heeft hem verhoogd en verheven, een toppositie gegeven. Deze vernederde en geplaagde mens mag naast God zitten. Dat is het wat wij met de Hemelvaart vieren, zo wil deze hymne ons vertellen. Wij moeten daar vooral van zingen: wij waren ‘zum Tode betrübt’ toen wij Hem aanschouwden in zijn vernedering, maar nu zijn wij in een stemming gekomen van ‘Himmelhoch jauchzend’.

Dan is er het evangelieverhaal, een vertelling, waarin verhaald wordt hoe het in zijn werk ging, hoe Jezus werd opgeheven en al zegenend afscheid nam van zijn leerlingen. Lukas maakt ons misschien wel deelgenoot van een bijzondere ervaring, maar het is vooral bedoeld als een afsluiting van een periode. De tijd breekt aan, dat de volgelingen van Jezus zijn nabijheid moeten ontberen. Hij is hier niet meer, niet meer op deze aarde. Zoals wij ook kunnen zeggen van mensen, die ons ontvallen zijn: zij zijn niet meer op aarde, zij zijn in de hemel, bij God geborgen. En van Jezus wordt dat ook gezegd, zoals van vele anderen voor en na Hem: van Henoch en Mozes, van Elia en Jesaja, van Stephanus en vele anderen: zij zijn weggenomen en opgenomen. Zij leven bij God, in de gloria!

Van de hymne gingen we naar de vertelling en tenslotte komen we uit bij de catechetische doordenking. Er wordt een soort dogmatisch extract geformuleerd. Wat is het eigenlijk, die hemelvaart en waar is het goed voor, wat hebben wij er aan?

Een catechismus is een leerboekje, dus hoeven wij ons niet te verwonderen over de methode, al is die in onze tijd niet meer zo gangbaar. In een vraag en antwoord-spel wordt nagegaan wat de inhoud en betekenis van het christelijk geloof is. O.a. wordt aan de hand van de 12 geloofsartikelen de hoofdlijnen van het geloof uitgetekend en dan komt ook de hemelvaart ter sprake, omdat wij geloven in Jezus Christus, geboren uit de maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven (zum Tode betrübt), nedergedaald ter helle, ten derde dage wederom opgestaan van de doden, opgevaren ten hemel, zittend aan de rechterhand van God, de Vader, (Himmelhoch jauchzend), vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.

Over dat laatste gedeelte gaat het dan in de twee vragen, die wij vanmorgen even hoorden voorlezen.

We gaan dat nu niet uitvoerig bespreken en becommentariëren – er zijn kritische opmerkingen te plaatsen bij het in onze ogen verouderde wereldbeeld en de naïef-historische en ruimtelijke voorstelling van zaken, maar ook kunnen we een positieve opmerking plaatsen bij de zin van zo’n laatste vraag: welk nut heeft de Hemelvaart voor ons? Wat is de relevantie ervan voor ons?

En dan komt het er eigenlijk op neer, dat er sprake is van een verbondenheid tussen hemel en aarde. Twee gescheiden werelden, die van God en die van de mensen, die vormen voortaan een eenheid. Er is eigenlijk geen afstand meer, ruimtelijk niet, maar vooral spiritueel niet. God en mens zijn elkaar zo dicht genaderd, dat de mens Jezus Christus naast God zit, ja, zo zou ik bijna willen zeggen, bij God op schoot zit. Er is sprake van een zekere intimiteit en ook van een identificatie: die twee zijn eigenlijk één, je kunt ze niet meer uit elkaar houden.

De hemelvaart betekent dus het e.e.a. voor ons, zoals de Catechismus uit de doeken doet, maar het betekent vooral ook veel voor God. Hij is veranderd, sinds Jezus naast Hem zit, zouden we misschien kunnen zeggen.

Tenslotte wil ik u deelgenoot maken van een droom van Jozef, zoals die beschreven wordt door de Duitse romanschrijver Thomas Mann in zijn boek ‘Jozef en zijn broers’*. Iedereen kent Jozef’s dromen over de zon, maan en sterren en over de buigende korenschoven, maar in deze roman fantaseert Mann, dat Jozef ook nog een andere droom droomt, die hij aan zijn broertje Benjamin vertelt. En die gaat zo: Jozef is in een diepe slaap en ineens nadert een enorme roofvogel, die hem met zijn klauwen bij zijn middel grijpt en hem omhoog tilt…en steeds hoger en hoger, totdat hij de wereld als een broodmandje ziet. “Waarheen en hoe hoog breng je me?”, vroeg Jozef en de adelaar antwoordde: “Uitbundig hoog, naar de hoogste hoogte van het wereldnoorden, ik moet jou brengen naar de zevende hemel, de schatkamer van het leven, naar de hoogste zaal in het midden van het grote paleis. Daar staat de wagen en de zetel van de Heer, die je voortaan dagelijks zult moeten dienen. Je zult voor hem staan en je mag de zalen van de zevende hemel openen en sluiten. Toen hoorde ik er Eén spreken, zo vervolgt Jozef, die tegen mij zei: Mensenkind, ga staan op je voeten. Voortaan zul je staan voor mijn zetel als metatron (aartsengel) en knaap van God. Je zult tot bevelhebber worden aangesteld over alle heerscharen, want de Heer beziet je met welgevallen.

En de Heer zei: Op deze hier leg ik mijn hand, ik zegen hem met 365.000 zegeningen en ik maak hem groot en verheven. Ik maak voor hem een zetel als de mijne, bekleed met louter glans, licht, schoonheid en heerlijkheid. Die zet ik aan de ingang van de zevende hemel en daar doe ik hem plaatsnemen. Met een zware krans kroon ik zijn hoofd en ik verleen hem de hoogheid, de pracht en glans van mijn troon. En het spijt mij alleen, zo zei de Allerhoogste, dat ik zijn zetel niet groter kan maken dan de mijne en zijn heerlijkheid niet groter dan de mijne, want die zijn oneindig groot. Zijn naam echter zal zijn: De kleine God!

Hier eindigt de droom van Jozef, zoals die gezogen is uit de duim van Thomas Mann, maar wat daarin dan aan Jozef wordt toegedicht dat is precies wat wij belijden van Jezus de Christus op de dag van de hemelvaart: vandaag en alle dagen van ons leven!

 

  • Thomas Mann, Joseph und seine Brüder (1933-1943). Ned. vertaling: Jozef en zijn broers (Amsterdam 2014), pp. 346-353.

 

Gepubliceerd in Blog
zondag, 05 mei 2019 13:46

Bleib bei uns

Inleiding gehouden op de lezing en de Cantate “Bleib bei uns, denn es will Abend werden” (BWV 6) n.a.v. Lukas 24: 28-35 op de 3e zondag van Pasen (Misericordia Domini – de barmhartigheid van de Heer) 5 mei 2019 in de Grote of Mariakerk.

 

Bleib bei uns

 

Je zou eigenlijk verwachten, dat Bach op die 2e Paasdag in 1725 nog eens wat extra registers op zijn orgel zou opentrekken en dat hij ‘die schmetternde Töne der muntre Trompete’ door de kerk in Leipzig zou laten schallen: de 2e paasdagviering als een soort kers of toef slagroom op de feesttaart van Pasen. Maar niets van dat al. Integendeel zelfs, want de cantate die hij voor die 2e paasdag schrijft en die wij vanmorgen in deze kerk beluisteren, heeft een heel ander karakter: eerder ingetogen dan uitbundig, eerder beschouwend en tot zichzelf inkerend dan luidruchtig verkondigend en vreugdevol juichend.

Het vertrekpunt is het bekende verhaal van de Emmaüsgangers, die twee leerlingen, die moedeloos en teleurgesteld Jeruzalem achter zich lieten en met elkaar bespraken wat daar allemaal had plaatsgevonden tot aan de dood van Jezus, hun vriend en geestelijk leider – dat zich onderweg een derde persoon bij hen voegde, die hen aanhoorde en ondervroeg, maar ook vertelde hoe zij e.e.a. ook anders konden zien in het licht van de Schriften.

En als zij dan al pratend op hun eindbestemming zijn aangekomen en het al donker begint te worden zeggen zij tegen hun vreemde reisgenoot: ‘Bleib bei uns!’

En dat wordt precies het thema van deze cantate. Maar deze vraag wordt uitgetild boven het verhaal en krijgt de inhoud en lading van een gebed, dat veel verder en wijder strekt dan in het evangelieverhaal zelf. Als je de teksten van de cantate goed beluistert verneem je fragmenten en flarden van het zgn. Luthers avondgebed. Voor Bach en zijn tijdgenoten was dat natuurlijk ook een zeer bekende tekst (ook al is die in de huidige vorm niet helemaal van Luther zelf, maar de hoofdlijnen komen wel bij hem vandaan). Een zeer bekende tekst, waarin gebeden wordt om Gods lichtende nabijheid, nu de avond valt.

En dat licht komt vooral vanuit de Heilige Schrift en zo zullen Woord en Sacrament onze lichtende gidsen zijn in deze donkere tijden.

De avond strekt zich verder uit dan de paar uren donkerte en duisternis tussen twee dagen in. Bach ziet de nacht in deze cantate als een metafoor van ongerechtigheid en verlorenheid. Als God zijn Woord zou weghalen bij ons dan zouden wij overgeleverd zijn aan de duisternis en het kwaad.

Het is beslist geen overbodige of gedateerde bede – de geschiedenis heeft meerdere keren, telkens weer, laten zien, dat een land of een volk kan wegzakken in barbarij en tirannie, wanneer de ‘muntre Töne’ van het Woord van God niet meer klinken en de kerk begint mee te huilen met de wolven in het bos en niet meer alert is op de geest van de tijd, die de humaniteit kan bedreigen en de medemenselijkheid in gevaar kan brengen.

Laat a.u.b. de kandelaar van uw Woord fier overeind blijven staan en breng ons telkens weer tot inkeer om het licht van Jezus, de opgestane Heer, te volgen en ook zelf als een licht in de wereld te leven.

Zo heeft Bach die simpele vraag van ‘Blijf bij ons’ vertaald naar de context van zijn tijd en daaroverheen spreekt deze cantate ook ons aan en proberen wij deze bede te begrijpen en te actualiseren voor onze tijd.

Maar voordat wij de cantate gaan beluisteren horen wij nu eerst het laatste gedeelte van de evangelielezing, waarop deze cantate gebaseerd is.

 

Cantate BWV 6: Bleib bei uns, denn es will Abend werden

 

Koor

Bleib bei uns, denn es will Abend werden,

und der Tag hat sich geneiget.

 

Blijf bij ons, want het is al bijna avond geworden

en de dag heeft zich te rusten gelegd.

Aria [alt]

Hochgelobter Gottessohn,

laß es dir nicht sein entgegen,

dass wir itzt vor deinem Thron

eine Bitte niederlegen:

Bleib, ach bleibe unser Licht,

weil die Finsternis einbricht.

 

Hooggeprezen Zoon van God,

laat het u niet onwelgevallig zijn,

dat wij nu voor uw troon

een bede neerleggen:

Blijf, ach, blijf ons licht,

nu de duisternis valt.

 

Koraal [sopranen]

Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ,

weil es nun Abend worden ist,

Dein göttlich Wort, das helle Licht,

laß ja bei uns auslöschen nicht.

 

 

Blijf toch bij ons, Heer Jezus Christus,

omdat het nu avond geworden is,

uw goddelijk Woord, dat helle licht,

laat dat bij ons niet uitdoven.

 

In dieser letzt'n betrübten Zeit

verleih uns, Herr, Beständigkeit,

dass wir dein Wort und Sakrament

rein b'halten bis an unser End.

 

 

Verleen ons, Heer, standvastigheid

in deze laatste, droeve tijd;

dat wij uw Woord en Sacrament

zuiver houden tot aan ons eind.

Recitatief [bas]

Es hat die Dunkelheit

an vielen Orten überhand genommen.

Woher ist aber dieses kommen?

Bloß daher, weil sowohl die Kleinen als die Großen

nicht in Gerechtigkeit

vor dir, o Gott, gewandelt

und wider ihre Christenpflicht gehandelt.

Drum hast du auch den Leuchter umgestoßen.

 

De duisternis heeft op

vele plaatsen de overhand genomen.

Vanwaar is ze toch gekomen?

Enkel omdat zowel de kleinen als de groten

niet in gerechtigheid

voor u, o God, gewandeld hebben

en tegen hun christenplicht gehandeld.

Daarom hebt u ook hun kandelaar omgestoten.

 

Aria [tenor]

Jesu, lass uns auf dich sehen,

dass wir nicht

auf den Sündenwegen gehen.

Laß das Licht

Deines Worts uns heller scheinen

und dich jederzeit treu meinen.

 

Jezus, laat ons op u zien,

opdat wij niet

op zondige wegen gaan.

Laat het licht van uw Woord

helderder voor ons schijnen

en u altijd zuiver weergeven.

 

Koraal [koor]

Beweis dein Macht, Herr Jesu Christ,

der du Herr aller Herren bist;

beschirm dein arme Christenheit,

dass sie dich lob in Ewigkeit.

 

Bewijs uw macht, Heer Jezus Christus,

u die de Heer van alle heren bent;

bescherm uw arme christenheid,

dat zij u looft in eeuwigheid.

 

Gepubliceerd in Blog