Logo dsCH 

smallbanner 2

Hier kunt u mijn weblog lezen
Hier publiceer ik mijn recente preken: reacties zijn altijd welkom! Zo kan deze weblog de functie van een voor- en nagesprek krijgen.
Als je wilt reageren op 'tekst en inhoud' van mijn weblog, klik dan op de titel van het betreffende artikel. Dan verschijnt een nieuwe pagina, waarop de optie "Reageer als eerste" staat vermeld.

line

dinsdag, 12 maart 2024 15:36

Een eerste stap: Inleiding

Ook al heb ik mijn onderzoek naar het leven van jhr. dr. De Geer van Jutphaas nog niet afgerond, toch waagde ik alvast de eerste stap om er iets van op papier te zetten. Het is een begin, dat zoals altijd moeilijk is, maar tegelijkertijd een opstap is naar een vervolg.

Ik publiceer hier mijn Inleiding om mijn lezers een eerste ‘preview’ te geven en om ook de gelegenheid te bieden om er op te reageren. De e-mailknop op deze site heb ik uitgeschakeld om allerlei spam te weren, maar je kunt mij gewoon mailen: ceeshuisman at gmail.com

 

Barthold Reinier de Geer van Jutphaas (1791-1840). Portret van een solitair theoloog

 

 

INLEIDING

 

 

Wie het plan opvat om een biografie te schrijven van Barthold Reinier de Geer van Jutphaas (1791-1840) krijgt steevast de vraag gesteld: wie was dat en waarom verdient hij een biografie? Inderdaad is hij een nogal onbekende figuur en waarom zou men aandacht schenken aan iemand, die (bijna) vergeten is en wiens nalatenschap door niemand meer gekend of gewaardeerd wordt?

In het algemeen wil ik daar allereerst op antwoorden, dat de criteria waarom iemand een biografie zou verdienen nogal willekeurig en aanvechtbaar zijn. Meestal wordt als rechtvaardiging daarvan verwezen naar de invloed van zo iemand op de ontwikkeling van de wetenschap of van de cultuur in zijn of haar tijd. Wanneer die zich nog verder uitstrekt tot zelfs in onze tijd dan is het verschijnen van een biografie haast onontkoombaar en bijna vanzelfsprekend. Zulke figuren verdienen onmiskenbaar, dat hun leven en nalatenschap geboekstaafd wordt, zoals jaren geleden ‘voorbeeldig’ gebeurd is in Erflaters van onze beschaving door Jan en Annie Romein[1]. Maar waarom zou men niet eens aandacht schenken aan een kleinere ster, die misschien minder licht uitstraalt en wellicht zelfs reeds uitgedoofd is of lijkt, maar die desalniettemin een eigen – misschien onopvallende - bijdrage levert aan de kleurrijke uitbundigheid van het firmament?

Het is zonneklaar, dat de grote, spraakmakende en interessante figuren de aandacht als vanzelf naar zich toe trekken en nauwelijks moeite hoeven te doen om hun biograaf te vinden. Zij staan als het ware in de rij en breeduit te poseren, zoals overduidelijk te zien is op de Nachtwacht en andere schutterstukken. Maar toch blijft het belangrijk om vast te stellen, dat ieder personage zijn of haar eigen bijdrage levert aan het geheel, ook de minder zichtbare figuren op de achtergrond. Immers, om een plaatje of afdruk zo helder en compleet mogelijk te krijgen doet in feite iedere pixel ertoe.

Deze biografie zal daarom niet alleen het leven van deze persoon aan de vergetelheid ontrukken, maar zij levert tevens een bijdrage aan en een aanvulling op het bestaande beeld van de geschiedenis van de Nederlandse samenleving, van de kerk en haar dienaars in hun werk als cultuurdragers en als influencers in de eerste helft van de 19e eeuw.

Trouwens, zo’n heel klein en onbeduidend sterretje was Barthold Reinier de Geer nu ook weer niet. In zijn tijd was hij zeker geen onbekende persoonlijkheid en maakte hij deel uit van een aanzienlijke familie. In de kerk en in de wetenschap werd hij zeker gezien en gewaardeerd, wat moge blijken uit enkele prijzen die hij ontving als bekroning op zijn publicaties.

Wat mij echter vooral aanspoorde om zijn biografie te boek te stellen was de ontdekking van een manuscript, waarin hij zijn eigen leven beschrijft. Het is een tamelijk omvangrijk document, dat zich bevindt in het Utrechts Archief[2]. Deze autobiografie vormt als het ware de basis van deze studie en dit egodocument geeft een boeiend inkijkje in de lotgevallen van Barthold en zijn reflecties daarop. Het is aannemelijk dat hij deze levensschets aan het einde van zijn leven geschreven heeft, zodat het het karakter van een terugblik en van ‘de balans opmaken’ heeft gekregen. Hij geeft zelf toe dat er in feite niet zoveel opvallends of uitzonderlijks in zijn leven heeft plaats gevonden, maar hij wil zijn levensverhaal toch graag nalaten aan zijn familie ‘tot lering en vermaak’. Ieder mens, zo stelt hij, heeft in zijn leven immers te maken met hoogte- en dieptepunten, met winst en verlies, met dwaasheid en teleurstelling en zo is het mogelijk om al lezende meer inzicht te krijgen in de wisselvalligheden van het leven en kan men daar wellicht ook wijzer door worden. Zo mikte hij met zijn autobiografie op een hoger doel: het is een verhaal met een moraal!

De journalistieke code, die stipuleert dat ‘één bron geen bron is’ geldt natuurlijk ook voor ieder historisch onderzoek. Toch kan dit egodocument van Barthold de Geer wel degelijk als bron gebruikt worden om de hoofdlijnen van zijn levensloop te kunnen beschrijven. Wel moet de historicus er altijd op bedacht zijn, dat de herinneringen van de hoofdpersoon selectief en gekleurd zullen zijn en vooral blijk geven van zijn beleving van de werkelijkheid. Bij gebrek aan andere bronnen zal dit egodocument toch wel degelijk als ‘Fundgrube’ gebruikt kunnen en moeten worden als de historicus zich er maar steeds van bewust is, dat wij hier te maken hebben met een uitermate subjectief document.

Daarnaast heeft De Geer ook nog enkele grote reizen ondernomen, waarvan hij uitvoerig verslag heeft gedaan[3]. Ook deze verslagen vormen een interessante bron, die ons nader kennis doen maken met zijn ervaringen onderweg, met zijn ontmoetingen en zijn belangstellingssfeer. Het lezen en gebruiken van deze verslagen vereist uiteraard dezelfde precautie als die ten aanzien van zijn autobiografie.

In het familiearchief bevinden zich ook nog enkele brieven en genealogische notities, die zijn plaats in familiekring verder kunnen verhelderen.

Uiteraard zal de tijd, de politieke, maatschappelijke, culturele en kerkelijk-religieuze context waarin zijn leven zich afspeelt impliciet of ook expliciet ter sprake komen. Hij werd geboren toen het ‘ancien régime’ op haar laatste benen liep en hij stierf in het jaar, waarin Koning Willem I afstand deed van de troon. In zijn kinder- en tienerjaren had hij de Franse tijd nog meegemaakt, maar als student, predikant en hoogleraar was hij een gehoorzaam en content onderdaan van het Koninkrijk der Nederlanden.

 

In dit boek wil ik allereerst aandacht schenken aan de familie, waarvan Barthold Reinier deel uitmaakte. Daarbij zal vooral de erflater Louis de Geer (1587-1652) als aartsvader van de familie De Geer ons interesseren. Hij was inderdaad ook één van de door Romein besproken erflaters, maar zijn nazaten over meerdere generaties hebben niet alleen geprofiteerd van zijn nagelaten puissante rijkdom, maar sommigen erfden ook zijn ernstige en praktische protestantse vroomheid.

De zeer uitgebreide familie(geschiedenis), waarvan een deel zich in Zweden heeft afgespeeld, zal slechts ter sprake komen voor zover die relevant is om Barthold Reinier te kunnen plaatsen in zijn familiale domein. De relatie met zijn ouders, broers en zussen komt uitvoeriger ter sprake dan die met zijn voorouders.

Daarna komen zijn tienerjaren ter sprake, de plek waar Barthold Reinier opgroeide en hoe hij zijn klassieke educatie ontving van een privé-docent in Hoorn, waarna hij aan de studie theologie in Utrecht begon. Omdat hij wat ouder was dan zijn jaargenoten werd hij in juni 1815 benoemd tot eerste luitenant van de compagnie vrijwilligers te voet van de Utrechtse studenten. Over deze in militair opzicht vrij nutteloze expeditie zal ook een en ander verteld worden op basis van zijn eigen aantekeningen daarover.

Hij rondde zijn studie af door een dissertatie te schrijven over Bileam, een studie die hij voltooide onder leiding van professor theologie en oosterse talen J.H. Pareau. De inhoud van deze studie en haar receptie zal in hoofdlijnen voor de geïnteresseerde lezer geschetst worden.

Daarna zal worden stilgestaan bij zijn activiteiten en ervaringen als predikant in Lienden en Vreeland. Vervolgens zal hij een aantal jaren werkzaam zijn als hoogleraar aan het Athenaeum te Franeker, waar hij theologie en vaderlandse geschiedenis doceerde voor een handjevol studenten. Vanwege een ernstige oogkwaal ging hij daar met vervroegd emeritaat.

Tussendoor zal er aandacht zijn voor zijn publicaties op theologisch gebied, voor zijn zoektocht naar een geschikte levenspartner, voor zijn hobby’s botanica, jagen, reizen en schaatsen en andere toevalligheden en vermakelijkheden.

Tenslotte zal bezien worden hoe hij door tijdgenoten werd beoordeeld en hoe latere generaties op zijn oeuvre, zijn karakter en betekenis terugkijken.

Het geheel wordt afgerond met een overzicht van relevante archiefstukken, publicaties van de hoofdpersoon en gebruikte en relevante literatuur.

Helaas is er geen getekend of geschilderd portret van Barthold Reinier de Geer gemaakt. Deze biografie wil op een andere manier in deze leemte voorzien: Barthold Reinier de Geer van Jutphaas (1791-1840). Portret van een solitair theoloog.

Het portret dat ik van hem schilder in dit boek is enigszins in de impressionistische stijl op papier gezet. Het is immers onmogelijk om vast te stellen dat het ‘naar de werkelijkheid’ is. Een vaag silhouet wordt wellicht zichtbaar, de omtrek van de ruimte en de duur van de tijd zijn te bepalen, maar veel blijft verborgen en onzichtbaar. Niettemin verwijst de gepresenteerde illusie naar de werkelijkheid, hoe onkenbaar en diffuus die ook moge zijn.

Met instemming en met een glimlach citeer ik graag enkele gefingeerde gedachten van Joan van Oldenbarnevelt over zijn eigen leven en verleden, zoals die uitgedrukt worden door Nicolaas Matsier: “Het verleden – was dat niet altijd al iets geweest dat bijgehouden moest worden, goed vormgegeven, opgekalefaterd, gefatsoeneerd, uitgedeukt, bijgewerkt, en nog maar eens opgepoetst en overgeschilderd? Waren de herinneringen niet altijd op de groei gemaakt, als de kleren die je aantrok, moesten ze niet eens in de zoveel tijd in de was?”[4]

 

 

 

 

 

 

 



[1] J. Romein en A. Romein-Verschoor, Erflaters van onze beschaving. Nederlandse gestalten uit zes eeuwen (Amsterdam 1977), oorspronkelijk verschenen in 4 delen tussen 1938 en 1940.

[2] Inventaris Familie De Geer van Jutphaas 68.2.1.15.419.

[3] Inventaris Familie de Geer van Jutphaas 68.2.1.15.418: Verslagen van reizen naar Aken, Gräfrath, Frankrijk en Zwitserland in 1827 en 1834 ondernomen.

[4] Nicolaas Matsier, De Advocaat van Holland (Amsterdam 2019), p. 313.

Gepubliceerd in Blog